Chapter 18
Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn van den heer _Kegge_, die hij door een extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer _Kegge_ verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en _Henriette_ weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen, die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeselijke drukte.
Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche likeur proeven, die als vuur in de keel was.
De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de eetzaal gebleven, waar de kleine _Hanna_ de compôte met morellen tot zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en hare broertjes nog eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende dan dat het zoo lekker was.
"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga," zei de heer _Kegge_; "dit is _mijn_ studie-uurtje!" En met een weinig bedwongen geeuw verliet hij de kamer.
Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich insgelijks tot de siësta.
De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.
Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje ook zijn waarde heeft.
Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours, veel menschen; "en helaas", voegde zij er bij, "er is hier volstrekt geen conversatie."
Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel duizend inwoners, zonder eenige conversatie.
"Ach," antwoordde _Henriette_: "men moet denken, de menschen zijn hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren _ons_ weer minder."
Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw, omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd, naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen, welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden, gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien zij u _en amitié_ namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden opnemen.--Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren, haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt; die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën, die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom, en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen, die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.
Het bleek mij in _dit_ schemeruur, dat de schoone _Henriette_ zich met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet; maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn trotsch belijden "zoo je wilt, een parvenu te zijn" was misschien even veel spijt als oprechtheid.
In den loop van ons gesprek verhaalde _Henriette_ mij wonderen van het huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool, en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was, en verhief hemelhoog de allerliefste _Clementine_ zus en zoo, haar beste vriendin, waarmee zij "in alles sympatiseerde".
Zij had eene "onbegrijpelijken zin" om in Den Haag te wonen, of een reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen _hier_ over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen, en dat men zich nooit in _deze_ stad met een heer in 't publiek kon vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.
Een juffertje en een mijnheer.
Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid dan ingeleid, onder het gejuich van "_Saartje_ met een mof! _Saartje_ met een mof!"
Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van _Henriette_.
De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: "_Saartje_ met een mof! _Saartje_ met een mof!"
"Kind!" zei _Henriette_ tot de binnengekomene: "Wat kom je ontzaglijk vroeg; mama slaapt nog."
"Wat zegje, _Harriot_?" riep mevrouw met een schorre stem, wakker wordende: "Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?"
"Nicht _Saartje_ is daar al," was het antwoord. "De kinderen zeggen;" voegde zij er lachend bij; "de kinderen zeggen, met een mof!"
De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele lieve stem naar de gezondheid van nicht _Kegge_ en nicht _Henriette_.
"Och!" zei de laatste, "je bent er toch niet ver af; schel reis om het licht, wilje?"
Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van _Henriette_. Een allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed, maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.
_Henriette_ nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch, nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde, waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.
"Wat een allerliefst mofje!" zei _Henriet_, met het harde haar over hare zachte wangen strijkende; "wat doe _jij_ nu met een mof, _Saartje_?"
"'t Is een oud ding," zei _Saartje_ met een lief lachje: "de kinderen hebben er ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht _Henriette_! Hoe vaart neef?"
"Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen trad de heer _Kegge_ zelf binnen, vatte _Saartje_ met een fikschen greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.
"Wel _Saar_! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. "Kom je nog reis thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek."
Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders doen kan dan pijnlijk glimlachen.
"En wat hoor ik van je mof? _Rob_ zegt dat je een mof hebt. Laat reis kijken. Die is nog van je moeder, _Saar_! Lieve schepsel! ik ben een citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van _mij_ hebben."
"Och neen, neef _Kegge_!" zei het lieve meisje verlegen; "ik zou haar toch niet anders dan 's avonds dragen."
"En waarom niet, als _ik_ ze je geef?"
"Omdat het me ... niet past, neef _Kegge_."
"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"
"Toch niet, neef _Kegge_! heusch, ik had het liever niet,--ik mag geen bont dragen,--en ik ben er ook nog veel te jong voor."
"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas; en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi."
Deze laatste aardigheid deed den heer _Kegge_ machtig genoeglijk aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke familie _Kegge_ gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen, die zij beschrijven.
Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond, liet de heer _Kegge_ zich een met zwart zeehond gevoerden overjas van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels, zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.
Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven- of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt, rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang, zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange, zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde, dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel van het oog te blijven staan.
Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw _Kegge_ genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op _Henriette_ af, en herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat; eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde personages van _Saartjen_ en mij.
_Henriette_ stelde ons aan elkander voor, als mijnheer _Van der Hoogen_ en mijnheer _Hildebrand_.
Mijnheer _Van der Hoogen_ plaatste zich vervolgens op den hem aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hij met een krakende stem tot mevrouw:
"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde ik bij den heer _Van Nagel_; nu, u weet wel dat freule _Constance_ ook een aardig hondje heeft...."
"Ik weet het heel goed; het is een King Richard," zei _Henriette_, "een allerliefst dier."
"Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet bij Azor en Mimi."
"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.
"o Mevrouw!" antwoordde de heer _Van der Hoogen_, geheel opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen. Freule _Constance_! zei ik, uw hondje is charmant; maar de hondjes van mevrouw _Kegge_ zijn charmanter."
Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw _Kegge_ niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.
De heer _Van der Hoogen_ richtte zich daarop tot _Henriette_.
"Ik kan u zeggen, juffrouw _Henriette_, dat de freule _Constance_ jaloersch is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de kerk gezien. Gisteren zei ze: _Van der Hoogen_, je kent immers de familie _Kegge_? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe's van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; daarop volgde een heel gesprek over u."
"Waarlijk?" vroeg _Henriette_: hare oogen ongeloovig tot hem opslaande. "Foei, _Van der Hoogen_! je houdt me een beetje voor den gek."
"Dat is ondeugend van je," antwoordde _Van der Hoogen_, als zij glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en vervolgde: "Waarlijk, juffrouw _Henriette_, het is jammer, heel jammer, dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule _Constance_ is waarlijk allercharmantst."
"Ik weet niet, _Van der Hoogen_! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat tusschen u en die freule _Constance_!" merkte _Henriette_ aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle mogelijke coquetterie in de oogen.
De heer _Van der Hoogen_ had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos was--wie weet waar?
"Al weer foei!" hernam hij, "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw _Henriette_!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; "ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluistert--onwaar is."
Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij voort:
"Ik mag de freule _Constance_ heel gaarne; zij is waarlijk allercharmantst; maar ... ik heb geen plans, in 't geheel geen plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?"
"Welnu?"
"Omdat zij zich zoo aan _u_ intéresseerde." En hij sloeg de oogen liefelijk neder.
"Inderdaad, ondeugd?" plaagde _Henriette_; "je zoudt me waarlijk nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!"
"Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant," zei _Van der Hoogen_, "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot mevrouw _Kegge_ keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden."
"Dat behoeft niet meer!" zei _Henriette_ glimlachende: "alles is bepaald: ik speel vrijdag."
"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule _Constance_ verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik...."
"Ik ben nog niet gedécideerd," antwoordde _Henriette_: "wil de heer _Van der Hoogen_ mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens openmaken?"
"Gaarne, dolgaarne."
"Maar gij moet reflecties maken."
"Onmogelijk! onmogelijk!" riep _Van der Hoogen_. Daarop sprong hij van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à l'anglaise, en hielp _Henriette_ de muziek uitzoeken.
Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: "Dat juffertje _De Groot_ heeft toch een allercharmantst gezichtje!"
"Wat onbeduidend," antwoordde _Henriette_.
"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak _Van der Hoogen_.
"_Saartje_," hernam _Henriette_, "het is goed dat ik er om denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje gezelschap zoudt willen houden."
"Graag, nicht _Henriette_!" antwoordde _Saartje_; "ik ga terstond."
Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.
_Henriette_ begon te spelen, en de heer _Van der Hoogen_ sloeg de bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde, dat _Henriette_, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.
Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren _Rob_ en _Adam_ écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine _Hanna_ (want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een kostbaar boek tot mislukte knipsels.
Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst ophelderde dat de gebeurtenis, die "al wat in de stad smaak had verrukken zou," geen andere was, dan dat _Henriette_ aanstaanden vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De heer _Van der Hoogen_ had haar zoo lang gebeden, en de directie van het concert had er mijnheer _Kegge_ zoo zeer om lastig gevallen, en _Henriette_ speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig, en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan 't lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig altijd gezond, en de kinderen en _Kegge_ ook, en ook de hondjes.
De heer _Kegge_ kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De heer _Kegge_ voegde zich bij de piano. _Saartje_ kwam weder beneden en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien eener prachtuitgaaf van _Lafontaine_. Zij wist zoo goed welke fabel door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje, dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad, en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.
Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw _Kegge_ sluimerde met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer _Van der Hoogen_ weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer _Van der Hoogen_, de eer had haar dienaar te wezen.
Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu aan den heer _Kegge_.
"A propos"--zeide hij--"goed dat ik er om denk. Er presenteert zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier; honorable betrekking!"
"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer _Kegge_ aan, "schoon't bij ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in verachting. Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary zijn de meeste directeurs het zelf geweest."