Chapter 17
Twee jaren later kwam de familie _Kegge_ zelve in Nederland, en zette zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren, per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen inhoud:
"Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door
_Jan Adam Kegge_."
Kennismaking met menschen en dieren.
Eenigen tijd na de ontvangst van dit "reukoffer", hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.
"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende, "drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!"
Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de "professeurs" van onbekende lycaea, die "tijdstroomen" aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A's, of de goedkoope portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.
"De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar, waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds hier en daar, naar de uitdrukking van _Ovidius_, met een weinig grijs doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen knop.
"_Kegge_!" riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten, "_Kegge_! De vader van _William_! Ik ben gekomen om u, het Museum, en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan, zulje me drommels veel pleizier doen."
Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden _William_ dacht, maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den beroofden vader, deed mij aan.
Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór mij te zien.
"Ja," zei de heer _Kegge_, zijn horloge uithalende: "het was jammer van den jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij: "Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet hier de Breestraat, doet het niet?"
"Hier schuins over woonde _William_: dáár; waar nu de steiger staat."
"Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer, jammer.--Sakkerloot, is dat het portret van _Walter Scott_? Lees je Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van _Walter Scott_ kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half verscheurd."--En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?"
Op dien regenachtigen Octoberdag zag men _Hildebrand_ met een vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen, op de Senaatskamer, van _Scaliger_ "met den purperen mantel" af, tot op _Borger_ met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk is, vroeger bewoond door de Romeinen, _Ada_, en die Rederijkerskamer waarvan "zoo vele genieën" lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer _Siebold_, en rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door "de dubbele zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in "de Zon", en het was aldaar, dat de heer _Kegge_ de algemeene verbazing en zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met hem te deelen.
Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe _hij_ gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed _zijn_ kelder was.
"Als je studeeren wilt," zei hij; "ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van _Bulwer_ of zoo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"
Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence van suiker ingelegd. De heer _Kegge_ meldde mij, dat "zijne vrouw en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om mij te zien."
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaansche hazewindjes, ten huize van den heer _Jan Adam Kegge_.
De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen, handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon, en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te kort gedaan. De beeltenis van _William_, die de oudste geweest was, miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.
Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif te onderhouden.
Mevrouw _Kegge_ was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt door een zonnige ferronière op mevrouw _Kegges_ voorhoofd en een zware gouden ketting op mevrouw _Kegges_ voormaligen boezem; hoezeer ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw _Kegges_ tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde, en het karakter, dat zij had op te houden.
Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten, eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar genoegen mijnheer _Hildebrand_ te zien. "Papa had er zich zóó veel van voorgesteld mijnheer _Hildebrand_ eens te bezitten. Niet lang zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had hem uit geroepen."
Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer _Kegge_. Zij had den fijnen neus en den mond van _William_, maar veel schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg, blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg, hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie jaar jonger was dan _William_, die nu ongeveer twintig jaren zou geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de oogen trok tot haar kleine zachte handekens.
De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken, bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees.
"O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?"
En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.
De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen, als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang vleiens kwam er: "Kopje krauwen."
Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de meester onheildreigend uitschiet.
"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de vertoornde schoone; "maar _ik_ vind het zeer onaangenaam."
Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.
Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan de portretten te hulp te roepen, als mijnheer _Kegge_ te huis kwam.
"Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld" en, als het rijm medebrengt, "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren komen. Hoe zit _jij_ daar zoo te druilen, Lorre?"
"Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, "omdat hij andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb."
"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje krauwen! gekskap!..."
"Papa, ik had het waarlijk liever niet."
"Nu, nu, _Harriot_ _my dear_! Ik zal 't niet weer doen.--Maar wat zegje van onzen gast, mijnheer _Hildebrand_? En wat zegt mijnheer _Hildebrand_ van mijn dochter?..."
Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.
"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_; "je zult wel familiaar worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar _Henriette_ en _Hildebrand_, alstjeblieft."
Juffrouw _Henriette Kegge_ stond op, om met zeer veel ijver op de piano een boek te zoeken.
De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord _Liqueurs_ in sierlijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer _Kegge_ evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er, met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.
"Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer _Kegge_ voort, "dit is nu mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je al de kinderen zien; niet waar _Hanna_? Dan ken je hier de taal en de spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel; ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt."
_Henriette_ verliet de kamer.
"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed, drinkt goed--dat zijn de wetten van het huis. Waar is _Henriet_?"
"Naar haar kamer," antwoordde mevrouw _Kegge_. "Zij kleedt zich voor het diné."
"Dan moeten de kinderen nog effen komen!"
Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen verschenen.
Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf, in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie, met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,--verontrust u niet, lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit--met een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.
"Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde, dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad; _William_, dien je gekend hebt; _Henriet_, die je gezien hebt; nu is er een heele gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind; de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken; nu komen de jongens; hier hebje _Rob_, en daar hebje _Adam_, mijn petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar; dit meisje heet _Hanna_, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding, is het niet? en die kleine jongen heet _Jan_; niet waar, boer? Hier hebben we _Sofietje_; en het kleintje heet _Kitty_."
Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas malaga in, en liet zelfs de kleine _Kitty_ daarvan proeven, die een leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van _Rob_, en _Rob_ met den staart van Azor; _Adam_ prikte zijn zuster _Hanna_ zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; _Jan_ en _Sofie_ begonnen een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer _Kegge_ gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.
"Zie zoo, minne!" zeide hij: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort, jongens! Veel pleizier!"
En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur, en stoof henen.
"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte de heer _Kegge_, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben, "ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien."
Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit d'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule, een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien.
"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei de heer _Kegge_, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de schel; als je wat noodig hebt, dan rammel je maar dat het huis dreunt."
Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur, op de keurigste wijze gebonden, bijeen was.
"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal in Engeland gekocht, en nu completeert _Henriet_ het zoo wat. Ik kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. _Henriet_ heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in 't land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat lange schoolgaan--allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? Dien heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De deugniet had al driemaal een kalf komen weghalen."
Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer _Kegge_ mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer _Jan Adam Kegge_ zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een onuitputtelijk fortuin had en dat hij "een perfecte goeie kerel" was; tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adellijke heeren", en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"
Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.
_Henriette_ verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine, magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw _Kegge_. Zij kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer _Kegge_ vertelde "dat hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden."
"Kom, kom!" riep hij toen, "geen hoofdschuddingen! dat's allemaal gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg [15] op een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van suikerriet en koffieboonen."
"Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten," zei de oude dame droogjes: "je kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt."