Chapter 16
Maar langzamerhand kwam er licht in dien baaierd, en hij ordende zich van lieverlede. De behoefte om vertellingen te doen, ervaringen op te biechten, ondervindingen op te vijzelen, en elkander om strijd te verbazen, hield op. Nu volbrachten hart en geheugen hun verrichtingen geregeld, want de onnatuurlijke toestand van beiden ontspande zich. En zelden smaakte ik zoeter uren dan die waarin wij elkander in onzen wederzijdschen levensloop met oprechtheid inleidden, en de heerlijke ontdekking deden, dat er na een groot tijdsverloop en uiteenloopende ondervinding, veel gelijkheid van beginselen en gevoelens in onze ziel was blijven bestaan.
En inderdaad, hij moet zich mijner dikwijls herinnerd hebben, want hem was niets vergeten. Hij wist allerlei kleinigheden, allerlei bijkomstigheden op te halen, die hij niet zou hebben onthouden indien hij mij minder had liefgehad. De geheugenis toch van kleine te zamen gesmaakte genoegens (ja van de groote en meer innige zelfs) vergaat, verteert, vervliegt in den luchtstroom onzer verstrooiingen, onzer bezigheden, onzer studiën. Het vuur onzer driften verbrandt ze in ons hart, of het ijs onzer bezadigdheid bevriest ze; de wereld lost ze op in den rusteloozen vloed van aandoeningen en ondervindingen die er overheenstroomt, of onze dartelheid, onze trots, en datgene in ons, dat wij "er uitgroeien" noemen, vernielt en verdoet ze moedwillig, tenzij wij ze balsemen met de geurige zalve onzer liefde!
De volgende dag was voornamelijk aan de vreugde der herinnering gewijd. Wij gingen wandelen. Onze meeste genoegens hadden wij buiten gesmaakt. De jongensvriendschap is eene veldnimf; ons had zij aan heldere beekjes, in dichte bosschen, en vooral op de blanke duinen omgeleid. En deze tooneelen hadden het minst verandering ondergaan. Wel kwamen wij hier en daar waar het niet was als vroeger, waar wij een aanleg niet herkenden, die verlegd was, of een brug niet meer vonden, waarop wij hadden zitten hengelen, of een bosch zagen omgehakt, met de namen onzer schoonen en al, in de stammen,--en het was eene onaangename teleurstelling; ja ik schaamde mij haast voor mijne landgenooten, die de verandering hadden teweeggebracht. En toch wil ik wedden dat mijn vriend evenmin voldaan zou geweest zijn, indien hij _alles_ volkomen in dien staat gevonden had, waarin hij het had gelaten. Want ook dan zou hij het werkelijk anders gevonden hebben dan hij zich had voorgesteld. Wij menschen denken ons in afwezigheid het achtergelatene zoo stereotiep niet, en vooral niet als wijzelf zeer bewegelijk zijn en in onze nabijheid, alles zien veranderen, vervallen en vernieuwen. Ook heeft het iets stuitends voor ons gevoel, dat alle oorden, plaatsen en dingen, als _wij_ er niet meer zijn, volkomen blijven kunnen zooals zij waren, toen wij ons in hun midden bevonden; en het wekt een soort van wel onbillijke, maar toch van verontwaardiging op, dat zij zich volstrekt niet aan ons aanzijn of afzijn storen, en veel standvastiger en veel beter gegrond zijn dan wijzelf! eene verontwaardiging niet ongelijk aan die, welke een min of meer bestoven vriendenkring gevoelt voor een doodnuchteren gast.
Zoo er onder mijne verre vrienden zijn mochten, die dit lezen en niet gelooven, weet ik er niet beter op dan dat zij er zich van komen overtuigen.
Hoe het in _hunne_ harten is weet ik niet; maar _ik_ dwaal dikwijls in verbeelding en in werkelijkheid rond en bezoek de plaatsen die wij te zamen zagen, en herinner mij menig genoegelijk uur, en menig vertrouwelijk gesprek, en menige vurige betuiging en openhartige belijdenis. Ik spreek van hen met dezulken die hen gekend hebben, en wek bij allen die mij dierbaar zijn den lust op _om_ hen te kennen; ik doorblader hun geliefkoosde boeken en herlees de bladzijden, die wij te zamen lazen; ik zoek hunne namen in mijn dagboek, dat menig opgeteekende bijzonderheid behelst, die er duizend niet opgeteekende voor mijn geest terugroept; ik houd de kleine souvenirs, die zij mij nalieten, in hooge waarde. Mijn gedachte houdt hen allen bijeen, als in een stevig snoer. Broeders! wij zijn ver uiteengespat op de wereld; bergen en zeeën scheiden ons en blijven ons scheiden, en het is slechts een enkele uwer, dien ik eenmaal en met innige vreugd mijner ziel weder mocht zien; voor de meeste heb ik die zoete hoop opgegeven. Ieder onzer heeft zijn eigen loopbaan vóór zich, en zijn eigen dierbaren rondom zich, en menigen nieuwen vriend, die menigen ouden heeft vervangen, en boven ons allen, in het oosten en westen, in het zuiden en noorden, welft zich dezelfde blauwe hemel, en waakt dezelfde Voorzienigheid! Zij zegene een iegelijk uwer. Gedenkt mijner.
1838.
NAREDE, EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND.
(Eerste Uitgave.)
_Beste Vriend!_
Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik gedacht er eene scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen dezen of genen collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar daar ik een hekel aan had of jaloersch van was. Doch daar ik niemand kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie plan afstappen. Toen meende ik eene geheele slagorde van onderkraste en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heeren recensenten te richten, die _ik_ niet ken, en die mij... ik had kunnen zeggen: "zullen verguizen"; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn; want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam?
Gij weet hoe en wanneer ik deze opstellen heb bijeengekregen. Zij zijn bedacht in verloren uren, tusschen de wielen en op het water, op wandelingen en in vervelende gezelschappen. Zij zijn geschreven in oogenblikken, waarin een ander zijn piano opensluit, of een pijp rookt, of over _Don Carlos_ praat. Zij werden in gezellige uurtjes voorgelezen onder vrienden, alleen onder vrienden. Nu ze dan bijeenvergaderd zijn en aan het publiek worden overgegeven, hoop ik dat het publiek ze als zoodanig zal beschouwen. Al wie nu niet van _Hildebrand_ houdt, moet ze maar niet lezen. Gij en de andere academievrienden zullen er hem in hooren praten en vertellen, en er veel in wedervinden dat hij dikwijls mondeling met hen heeft behandeld. Zij zijn herwaarts en derwaarts gegaan met hunne respectieve doctorale graden, en dit boek zend ik hun na als eene gedachtenis aan ons genoegelijk verkeer, en mijn hartelijken vriendengroet voeg ik er in gedachte bij.
Wie _Hildebrand_ is weet iedereen wel; er is somtijds met veel scherpzinnigheid naar geraden. Ook maak ik er geen geheim van, noch poog mij te laten doorgaan voor een veertig jaar ouder of een veertig maal beter dan ik ben. Het goede publiek hebbe vrede met den naam; ook is het om 't even of men _Jaap_ heet of _Hildebrand_.
Maar de naam van het boekzelf heeft mij veel moeite gekost. Het was zoo heel moeielijk de verschillende stukken onder één etiquette te brengen, en de uitgever wilde iets hebben dat niet al te versleten was. De camera obscura is tegenwoordig zeer op de spraak, en de aanhaling van _Anonymus_ op de eerste bladzijde toont aan met welk recht ik dit werktuig hier heb durven tepasbrengen.
Soms verbeeld ik mij dat deze bundel papiers eenige verdienste zou kunnen hebben ten opzichte van onze goede moedertaal. Tot nog toe had zij voor den gemeenzamen stijl niet veel aanlokkelijks. Ik ben evenwel de eerste niet, die het waagt haar het zondagspak uit te trekken en wat natuurlijker te doen loopen. Ik hoop dat ik mij niet te véél vrijheden zal hebben veroorloofd, en vraag vergiffenis voor de drukfouten. [12]
Ach, ach, ach! die drukfouten zijn een kruis! Op bladzij 12 staat 19 in plaats van 17; op bladzij 13 (onderaan) staat (hoe is het mogelijk?) _onverschilligst_ in plaats van _onbillijkst_. Ik wed dat er nog honderden in zijn die ik over het hoofd heb gezien! Maar ééne: die ik niet heb over 't hoofd gezien, en die mij meer dan alle grieft, staat op bladzij 160. Ik weet zoo goed als gij, dat van een "schalksche boerin" te spreken, even dwaas is als te zeggen: "een geksche boerin", en dat "zij lachte schalks" er evenmin doorkan, als "zij lachte mals"; en daarom had ik de maagd op bladzij 160 ook "schalk" laten omkijken. Toen kwam de letterzetter, en schudde daar het hoofd over, en zette "schalks". Toen kwam ik, en werd boos op den letterzetter, haalde de S door en schreef er het gewone _deleatur_ bij. Ik kreeg eene revisie, zag mij gehoorzaamd, en gaf het verlof tot afdrukken. Toen sloop ik weet niet welke hand nogmaals in de proef en verkorf het weer. Ik val die hand niet hard. Zij volgde het voorbeeld van vele en van bekwame handen. Maar ik bedroef mij, lief_sche_ vriend, dat men thans zoo onkundig_sch_ onze schoon_sche_ moedertaal is geworden, en zoo gewoon_sch_ aan dien verkeerd_schen_ uitgang, dien men bij de oud_schere_ schrijvers te vergeefs zoeken zou.
Ziedaar eene lange historie van ééne enkele drukfout. Op bladzij 101 staat _bragt_ in plaats van _bracht_. "Dat komt van die aanmatiging om met _Bilderdijk_ te spellen!" Niet voorbarig, mijn waarde! wat ik u bidden mag. Ik heb eerbied voor iedereen die uit overtuiging andere spelregelen volgt, gelijk ik eerbied heb voor iedereens bekwaamheden en verdiensten, maar het zij hiermede:
--_hanc veniam petimusque damusque vicissim_. (Dees vrijheid vordren wij, gelijk wij ze andren schenken.) [13]
Maar welke drukfouten en andere fouten het boek ook mogen aankleven, en hoe klaarlijk het ook de onbedrevenheid of onbevoegdheid van _Hildebrand_ om iets te doen drukken, of te spellen moge aantoonen; ik weet dat u de toeëigening van dit bundeltje aangenaam zal zijn. Dat is althans _iets_, mijn vriend, en zoo het boek u bevalt, dan durf ik wel hopen dat het anderen bevallen zal. Indien het maar een weinigjen op u geleek! Het zou dan vol zijn van geestige, maar vroolijke en goedaardige opmerking, waarbij men niet aarzelt zichzelven in te sluiten; van dien welwillenden lach, die niets heeft van een grijns; het zou dan een toon van aangename gezelligheid hebben, waarbij men zich op zijn gemak gevoelt, en die den lezer zou boeien en bezighouden, en naar willekeur stemmen tot heldere genoegelijkheid en ongemaakten ernst! Het is maar een wensch, vriendlief!
Ik heb de Opdracht tot het laatst bewaard. Het is wel tegen de orde; maar het zij zoo. Daar zijn zoovele lezers die een boek met de laatste bladzij beginnen, dat het bijna op 't zelfde neerkomt.
October 1839.
(Tweede Uitgave.)
Zoo schreef ik voor zes maanden. Thans nog een enkel woord.
Men heeft mij verweten dat het niet aardig was, den man, aan wien ik mijn boek had opgedragen, tot een souffre-douleur van de drukfouten te maken, maar ik weet wel dat gijzelf daar geen oogenblik over hebt gedacht. Zoo heeft men zich ook hier en daar zeer beijverd de origineelen aan te wijzen van de personen, die ik heb opgevoerd, en heb ik tot mijne groote voldoening bevonden, dat men in iedere stad, waar ik al of niet verkeerd heb, zes of zeven menschen wist op te noemen, van welke allen men mij om 't zeerst opdrong dat _zij_ het waren die voor dit of dat portret gezeten hadden. Ik dacht waarlijk niet dat er zóó vele _Nurksen_ en _Stastokken_ op dit benedenrond hunne beminnelijkheden ten toon spreidden, en sta verbaasd over den gedienstigen ijver, waarmee de vingers naar hen worden uitgestoken. Echter kan ik het goede publiek deze kleine genoegens niet betwisten of kwalijk nemen; maar ik neem de vrijheid het motto van _Anonymus_ in het nog altijd "onuitgegeven boek" in herinnering te brengen, en in gemoede te verklaren dat mijn chambre obscure argeloos geplaatst wordt, dat ik er niet aan wend of keer, en nooit eenige beweging maken _wil_, om haar op een onbescheidene wijze te _pointeeren_. Dat ik ze nog niet op den Godesberg of te Milanen heb kunnen plaatsen doet mij, om den wille van hen die het hooge en het uitneemsche begeeren, bijzonder leed; maar het is mij gebleken dat de meerderheid ruim zoo tevreden was met mijn kleine, mijn Hollandsche tafereelen. Men moet begrijpen, dat wij de vreemden, dank zij levenden en "afgestorvenen", al zoo op end' uit kennen, dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling, eens op onszelven te letten.
Ik neem deze gelegenheid waar, om mij bij een negenjarig vriend te verontschuldigen wegens de betichting omtrent "den bonten zakdoek" op bl. 3. Hij heeft verklaard er nooit in 't geheel een bij zich te hebben, en ik ontlast mijn geweten door dit zijn verzet hier aan te teekenen. Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moeders ten aanzien van de schets harer kinderen, en van Prof. _Vrolik_ ten opzichte van "Een Beestenspel" (ofschoon laatstgenoemd stuk toch maar het beste niet schijnt te wezen!); streelend vooral uwe goedkeuring, waarvan het gunstig voorteeken niet is gelogenstraft.
En als gij nu vraagt of ik geen plan heb in dit slag van schrijven nog eens iets meer te leveren? Ik antwoord dat het, bij zooveel aanmoediging als ik ondervinden mocht, een vreemd verschijnsel, en ook waarlijk ondankbaar wezen zou, indien ik het naliet. Verwacht dus mettertijd "Nieuwe Vertooningen van de Camera Obscura", en neem ten tweeden male de opdracht van dit boekdeel aan.
April, 1840.
Aan
Dr. _Abraham Scholl van Egmond_
Zijn oudsten academievriend
Worden de voorgaande bladeren
In liefde toegewijd
Door
_Hildebrand_.
DE FAMILIE KEGGE. [14]
Eene treurige inleiding.
Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder--meestal, helaas!--onder dien kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht, het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen "of dit nu niet de crisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien, zoo lang, zoo lang ... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood zich onvermurwbaar had aangekondigd.
Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen is een zalig genot!
In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig, aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat, wat hem zoo na aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek te worden gemaakt.
Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat _William Kegge_, zoo heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit, waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling, als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan toch erger dan ik mij had voorgesteld. _William_ was echter zeer monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen kaart in een partij hombre, die dien namiddag in "de Pauw" gespeeld was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.
Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en men zou den anderen dag afwachten.
Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman bij mij.
"Het was niemendal goed met meheer! Hij was in 't midden van den nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze "der tranemontane haast was kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat". Zij geloofde, "dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend", en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, en liet oogenblikkelijk een dokter halen.
De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van angst en tobben, droegen wij den armen _William Kegge_ naar het graf.
Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het _Memento Mori_ zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen, die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie afkomstig zijn. Voor _William_ had men geen twaalf landgenooten kunnen vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs niet een enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de letters E.M.
"Bewaar dat"--had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd--"het was mij heel dierbaar."
Meer had hij er niet bijgevoegd.
De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke _William_ behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in, en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen, zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd, de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook eenige regels aan de nagedachtenis van _William Kegge_ waren gewijd, was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe "die _William Keg_" er bij zijn leven had uitgezien.
Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven, was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving ik van den vader van _Kegge_ een brief vol van wel wat overdreven dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord.