Camera Obscura

Chapter 15

Chapter 153,877 wordsPublic domain

"Hoor reis," vervolgde de stem, "geen kuren! Ik weet heel wel dat je daar zit, maar ik durf daar niet komen; hier staat je stoeltje nog van laatst, en hier kan niemand me zien." Hij zweeg een oogenblik. "Maar wat kan 't mij ook schelen, als den ouwe maar uit is!"

Pof; daar sprong iemand van de schutting van N_o_ 32; de boomen ritselden; en op het lievelingsplekje der voortreffelijke verscheen een opgeschoten knaap van de jaren om op de conrectorschool te gaan, met een blauwe pet en een rond buis, en met een zeer dom, ondeugend en brutaal gezicht.

"Dat's iets anders!" zei de opgeschoten knaap, zooras hij mama _Deluw_ en den heer _Bruis_ bemerkte.

"Jongeheer!" begon mevrouw _Deluw_, bevende van woede.

"Is _Willem_ hier niet?" vroeg de opgeschoten knaap, imperturbabel.

"Neen, jongeheer!" antwoordde mevrouw _Deluw_, "en al was hij hier, _Willem_ mag niet omgaan met een jong mensch, die me dochter toe durft spreken, op een manier, die ... die ... die is, zoo als u gedaan heeft...."

"Dat's iets anders," zei de opgeschoten knaap, "maar ik kan 't niet helpen dat uw dochter mij naloopt. Haar stoeltje staat bij de schutting; niet waar, _Mien_?"

"Je bent een gemeene jongen" zei _Mien_, op haar lippen bijtende; "ik heb je nooit gekend, ik wil je niet kennen."

"Dat's iets anders!" antwoordde hij alweer, want dat gezegde was waarschijnlijk in die dagen op de conrectorschool onder de beschaafde vertalers van _Livius_ en _Virgilius_ aan de orde,--en zich omdraaiende: "Compliment aan den dokter."

Hij maakte zich gereed fluitende het tooneel te verlaten.

Op dit oogenblik kwam _Willem_, "die met zulk soort van knapen niet mocht omgaan", op.

"Ha!" zei de opgeschoten knaap; "daar heb je dat lieve jongetje, dat driemaal in de week den bink steekt. Dat's iets anders. _Willempje_? hoe smaken de versche eiertjes uit het kippehok van den melkboer?"

En "_Willempje_" bij de hand trekkende, lachte de opgeschoten knaap recht smakelijk.

"Het zal mijn tijd worden, mevrouw!" zei de heer _Bruis_, zich houdende alsof hij niets gehoord had en uit een diep gepeins ontwaakte.

"Groet uw man nog wel hartelijk, maar het wordt wat laat. Dank uwe vriendelijke receptie! Je dienaar, juffrouw _Deluw_; dag, jonge heeren!"

En eer mevrouw _Deluw_, die natuurlijk "allerijselijkst confuus" was, iets zeggen kon, had de heer _Bruis_ het lievelingsplekje reeds verlaten.

Hij haastte zich door de smalle kronkelpaden zijn weg te zoeken.

"Buikje!" klonk het met een sarrigen lach uit een der omhoepelde appelboomen.

De heer _Bruis_ voelde al zijn bloed naar 't hoofd stijgen; want het was de stem van den zesjarigen knaap, die zooras zijn vader de hielen gelicht had, natuurlijk was losgebroken.

De heer _Bruis_ draaide zich naar alle kanten om, ten einde den kwajongen te vinden, maar hij zag hem niet. Echter kon hij niet nalaten eene beweging met zijn bamboes te maken, alsof hij hem een duchtigen slag toediende.

Hij kwam aan de deur; maar, onbekend met de geheimen van het slot, duurde het vrij wat, eer hij er in slaagde die open te krijgen, waarin hem natuurlijk zijn haast en schutterigheid tegenwerkten; terwijl de jongen in den appelboom, met allerlei verandering van stem, zijn academischen alias bleef herhalen.

"Goddank!" zei de heer _Bruis_ uit den grond van zijn hart, toen hij de Meester-Jorislaan uit was, met het vaste voornemen om zich naar het eerste logement het beste in de stad, die ik nooit noemen zal, te spoeden. Hij was juist nog niet veel _koeler_ geworden.

"En nu uw vriend, Dr. _Deluw_!" vroeg mevrouw _Bruis_, toen haar goedhartige echtgenoot, acht dagen daarna, aan hare zijde van de vermoeienissen der reis zat uit te rusten, zich verkwikkende aan een groot glas rijnschen wijn met bruisend fachingerwater en suiker.

"Ben je daar prettig ontvangen? Was hij niet opgetogen u te zien? Heeft hij een lieve vrouw en mooie kinderen?"

"Mijn vriend Dr. _Deluw_, wijflief! heeft een heelen mooien theetuin, een vrouw, twee zonen en twee dochters, waar hij veel pleizier aan beleeft, vooral aan de oudste dochter."

Toen roerde hij nog eens in zijn groot glas wijn, fachingerwater en suiker, en dronk het in ééne teug uit.

VERRE VRIENDEN.

Het is eene onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigensoortig genoegen, een vriend uit verre landen, na langdurige scheiding, weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt. Geheel onverwacht trad er mij een onder de oogen, dien ik voor toen ruim vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wien ik sedert maar weinig had vernomen. Het was _Antoine_--van Constantinopel. Een eerwaardige afstand, van hier tot den Bosporus, lezer! en die ik hoop dat u met eerbied voor ons beiden vervullen zal; me dunkt althans dat het mij zeer belangrijk maakt, zoo ver van huis een vriend te hebben; en toch, ik zag liever al mijne vrienden binnen de grenzen van dit goede Holland.

Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken mijner jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap ben vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, iedereen die een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want! vroeger of later, slaat hun uur, en zij vertrekken, de één voor, de ander na, naar de vier hoeken des winds, zonder iets achter te laten dan een treurend herdenken, en een albumblaadje. Ik heb vrienden in Engeland, vrienden aan de Kaap, vrienden in Turkije, te Batavia, in Demerary, in Suriname! Met enkele, de dierbaarste, houd ik een geregelde briefwisseling; maar wat zijn brieven op zulk een verren afstand? Zij kunnen ons de betrekkingen en toestanden, waarin onze vrienden verkeeren, niet duidelijk maken! Van anderen heb ik, na het eerste bericht van behouden thuiskomst, niets meer vernomen. De meeste zal ik nooit wederzien; zij zijn, ongestorven, dood voor mij. Vele weten niet eens dat ik somtijds en met innige liefde aan hen denk, en ik zou wenschen, dat _Hildebrand_ wereldberoemd ware, en dit zijn boek overal verspreid en gelezen, opdat, zij dit ten minste weten mochten!

Neen! ik had het nooit moeten doen. Welke goede jongens zij ook waren, hoe verlokkend hun omgang, hoe belangrijk hun verkeer, hoe innemend hun manieren, hoe met mijn smaak overeenkomstig hun smaak ook zijn mochten, ik had hen op een afstand moeten houden; ik had mijn hart beter moeten bewaken; ik had, zoodra, ik een enkel zaadje van vriendschap voelde kiemen, het moeten onderdrukken en tegen mijn gevoel te velde trekken, zoo als een verstandige molenaarsdochter doen zou, wanneer zij bemerkte dat zij bij ongeluk op een prins of een bisschop verliefd geraakte. Ik zou dan ettelijke keeren minder met den mond vol tanden hebben gestaan, waar ik zoo gaarne duizend lieve en hartelijke woorden had gesproken; want afscheidnemen is een moeielijk ding! Ik zou dan zoo dikwijls niet mal hebben staan kijken als er een stoomboot afvoer, of een wagen wegreed; ik zou niet zooveel nachten hebben wakker gelegen met angst luisterende naar den storm, en gedenkende aan de vrienden die op zee waren;

"Die met zoo weinig houts op zooveel waters drijven, Voor wie de stormen, die hun razen over 't hoofd, In 't schuimend golfgewoel geduchte teeknen schrijven, Wier zin gevaar en dood belooft.

Het graf gaapt onder hen en dreigt hen allerwegen, Hun doodskleed ligt geplooid en ruischt hun in 't gemoet; Hun lijkzang klinkt hun oor in iedre windvlaag tegen-- O Heere, zij vergaan! tenzij gij hen behoedt!"

Ik zou niet zoo dikwijls op eenzame wandelingen hebben stil gestaan bij plekjes, waar ik gewoon was iemand bij mij te zien, die nu verre, verre weg is en daar nooit meer zal komen. Die gedachte werpt een nevel over hunne schoonheid.

Ondertusschen kan ik mijn geheugen niet genoeg prijzen voor de diensten, die het mij ten opzichte van mijne verre vrienden bewijst. Niet alleen roept het hunne namen en beeltenissen beurtelings met eene getrouwe nauwgezetheid voor mijn geest terug, maar ook brengt het duizend zeer uitvoerige tooneeltjes op het doek der camera obscura des terugdenkens. Vooral het uur des afscheids staat van ieder hunner in alle bijzonderheden mij voor den geest; de traan, de uitgestrekte hand, de bevende lip, de gedwongen lach, de laatste woorden, de wuivende zakdoek in de verte, het omgaan van den laatsten hoek, en het geheel verdwijnen! Dat alles voel ik nog; en dan zie ik weer rondom mij al de onverschillige gezichten, die niets met dat afscheid te maken hadden, schoon zij het bijwoonden; en dan voel ik weder de gewaarwording van eenen dierbaren vaarwel gezegd te hebben en na te staren, en terug te keeren tot de bedrijvige wereld, de drukte op straat, de drukte in huis en het "wat kan 't me schelen?" gezicht van eene maatschappij, waarin iedereen zijn eigen vrienden heeft, en zijn eigen weg gaat. Waarde B--! die nu aan Afrika's zuidelijken hoek den pols van drieërlei rassen voelt en die, naar ik hoor, reeds de bruiloft gevierd hebt van de dochter uwer vrouw--(want gij hadt een zeer jonge weduwe getrouwd met drie lieve kinderen, en bij u te land trouwen de meisjes op haar veertiende jaar)--nog staat mij het geheele tooneel voor oogen van uw afscheid uit Leiden, toen gij voor vier jaren in de maand Juni met den Colombo uit zoudt zeilen.

Het was zes uur in den morgen, toen het groote rijtuig voor moest komen, dat u naar Rotterdam zou brengen.

Nog zie ik uwe bovenkamers in die zonderlinge verwarring, onafscheidelijk van het vertrek van iemand die met zijn geheele huishouden en al zijn meubelen optrekt; den vloer overdekt met koffers, sluitmanden, valiezen. Hier de minne, het kleine, lieve, en pas ontwaakte _Wimpje_ aankleedende, die, verwonderd zoo vroeg gestoord te zijn, met de bruine oogjes, nog strak van den slaap, zat rond te turen; daar uwe vrouw voor den spiegel haar mooi haar in orde brengende; en ginds uzelv', op de knieën voor een klein zaktoilet, dat op een koffer stond, uw baard scherende; den kleinen _Jan_ (wat zal hij al groot geworden zijn!) geheel gekleed en veel te vroeg klaar, met een blikken sabel en papieren patroontasch om, en een houten geweertje in den arm (een kind doet alles spelende) tot de groote reis gereed. _Mimi_ en _Jansje_, (het is immers _Jansje_, die getrouwd is?) uw kleinen _Louis_ zoet houdende; onzen vriend F. (hij is reeds ter ziele, de goede jongen!) nog altijd slovende, zwoegende en sjouwende om het laatst gebruikte goed te helpen inpakken; en uw trouwsten vriend _Bram_, half door zijne gewone vroolijkheid verlaten, gereed om u tot Rotterdam te geleiden. Nog zie ik al die kasten open; en op de planken hier en daar eenige voorwerpen van te weinig waarde om meegenomen te worden: een koffiekan, een gekramden kop en schotel, een oude pop, een half versleten schaapjen op drie pooten; ginds een paar pantoffels; wat verder een gesp; op een andere plaats een gescheurde trommel van _Jan_; aan een kapstok, een ouden pantalon van u; en in een hoekjen een masker, dat gij te Berlijn op de maskerade gedragen hadt, en dat _Bram_ meenam in 't rijtuig om de kinderen vroolijk te houden. Al het gedraag met mantels, hoeden en jassen.--Het verwarde, bezige en drukke van dit vertrek verstrooide onze aandoening; maar toen gij allen op het rijtuig zat, en achter den voerman, die niet eens begreep dat gij naar de Kaap gingt, en wegreedt met die lieve vrouw en die lieve kinderen--toen schoot het gemoed mij vol. Ik stond nog lang in gedachten, nadat de wagen reeds uit het gezicht verdwenen was, en toen ik de oogen weer rondom mij sloeg, nam ik het zeer kwalijk dat de metselaars met een korte pijp in 't hoofd naar hun werk gingen, en de melkboeren met groote koelbloedigheid overal aanschelden, en de karren begonnen te rijden! maar vooral, vooral! dat het kermis was en dat er kramen stonden.--Waarom komt ook gij niet eens terug, zooals _Antoine_ deed?

De vader van _Antoine_ is een Italiaan van geboorte, maar genaturaliseerd Hollander, en bekleedt een hoogen rang onder ons gezantschap bij de Porte. Als zoodanig resideert hij sinds een aantal jaren te Pera. _Antoine_ was als kind te Marseille gekomen en had daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een der kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in het gelukkige tjjdperk van veertien tot zeventien kennen, en droegen elkander wederkeerig een warme en trouwe jongensvriendschap toe. De jongensleeftijd is waarlijk zoo kwaad niet voor de vriendschap, daar het toch welbekend is dat deze het geluk bemint. Ja, ik zou bijna den jongenstijd den àllergeschiktsten voor eene wederzijdsche genegenheid achten. De latere jongelingschap moge nog even belangloos zijn en evenmin afhankelijk van maatschappelijke scheidsmuren van rang, stand, en wat dies meer zij, maar zij is te rijp; men kent alsdan elkander te veel, te veel van nabij; men heeft reeds te veel kijk op den inwendigen mensch! Een jongen is _geheel_ buitenkant! Men heeft later geleerd zich rede van zijn genegenheid te geven; te onderzoeken, na te gaan, te verdenken; ook heeft men zoo vele zedelijke behoeften, en eischt zoo velerlei in een vriend! Men heeft voorzichtiger lief, verveelt elkander spoediger, verkoelt lichter, beleedigt schielijker. Jongens weten van dat alles niets. De titel "een goede jongen" geeft recht genoeg op dien van "goeden vriend", en er wordt geene andere sympathie gevraagd, dan dat men b.v. allebei graag wandelt, graag vuurwerk afsteekt, graag baadt, graag wat ouder zou zijn, graag de jongejuffrouwen van een kostschool tegenkomt, en niet graag latijnsche themata maakt. Het geheele doel der onderlinge genegenheid wordt bereikt, als men zich onder 't ongestoord genot eener goede verstandhouding te zamen vermaakt. En wordt die goede verstandhouding al eens verbroken, door eene kleine jaloezie, of een kleine ontrouw, nu! dan zijn er immers aan weerskanten twee vuisten om te slaan, en twee voeten om beentje te lichten; en dan is het alles over, en men haalt elkaar weer af om te zamen schuitje te varen en in stilte een sigaar te rooken, en toont de vuisten aan iedereen en licht het beentje van elk, die niet gelooft dat men weer goemaats is. Ziedaar de vriendschap van dien leeftijd.

_Antoine_ en ik althans verstonden elkander best, en vooral dan, wanneer wij bijvoorbeeld beiden op dezelfde jongejuffrouw verliefd waren, een toestand waarin wij zeer dikwijls te zamen hebben verkeerd. Met de meest mogelijke bonhommie wonden wij dan elkander op met de blijken van genegenheid onzer schoone, en vonden niets genoeglijker dan tegelijk elkanders mededingers en vertrouwelingen te wezen. Gij hadt ons moeten zien, lezer! als wij bezig waren op onze wandelingen beiden denzelfden naam in een boom te snijden of het stoute plan overlegden om beiden haar een teeder briefje te schrijven. Ik herinner mij ook zeer goed de bijzonderheid dat wij op een kermiswandeling onzen horoscoop trokken, en beiden voor onze toekomstige gade letterlijk hetzelfde portret zagen, ofschoon wij onder verschillende planeten geboren waren, en het schelletje hem veertien, en mij slechts elf kinderen voorspelde. In het tafereel, dat van mijn toekomstig lot werd opgehangen, kwam voor "dat een wagen mij een ongeluk zou dreigen, waarvoor ik echter door de hulp van een goed vriend zou worden behoed", en ik had op dat oogenblik willen zweren dat die goede vriend niemand anders zou kunnen zijn dan mijn zwartlokkige _Antoine_. En ondertusschen! hoe ver zijn wij vaneengescheurd!--en hoe weinig mogelijkheid bestaat er dat, indien ik ooit in ongelegenheid met rijtuigen kom, het zijn getrouwe arm zijn zal die mij redt.--O, als wij dat eens nagaan, hoe dikwijls wij het personeel moeten veranderen, dat in onze droomen en vergezichten en luchtkasteelen optreedt; hoe vaak wij er van afzien moeten, het tooneel van onze toekomst te bevolken met degenen die er, in onze mijmeringen, zoo menigmaal en in zulke nauwe betrekkingen, op hebben gefigureerd, en zonder welke wij ons bijna geen toekomst denken konden; en hoe, in het tooneelspel van ons leven, achtereenvolgens de eene rol voor, en de andere na, aan geheel andere personen wordt opgedragen, dan aan wie wij die hadden toegedacht: dan zien wij eerst recht, hoe wonderlijk de lotbus geschud wordt, en hoe vreemd en wisselvallig de raderen der maatschappij omloopen, en dat wij, aan onze mijmeringen en vooruitzichten toegevende, beuzelden, en met even weinig zekerheid beuzelden, als toen wij onzen horoscoop lieten lezen, en het schelletje klinken, en in den kijker naar onze lieve aanstaanden tuurden.

Om tot _Antoine_ terug te keeren. Hij was voor den handel bestemd, en zooras zijne voorbereidende opvoeding voltooid was, vertrok hij naar Antwerpen om dien te leeren. Dit was onze eerste scheiding, maar verzoet door het vooruitzicht dat ik hem somtijds zien, en dat hij eenmaal Amsterdam tot zijn vast verblijf kiezen zou. De gebeurtenissen van 1830 dreven hem uit de Scheldestad, en ik zag hem op een goeden avond aan mijns vaders huis aankomen, na een overhaaste vlucht uit de bedreigde muren. Hij kwam mij toen zeer belangwekkend voor; vooral daar hij al zijn goed had achtergelaten en een nachthemd van mij te leen vroeg, hetwelk ik zeer avontuurlijk en romanesk vond. Het viel mij echter tegen dat hij nergens een dooden kogel of eerlijke wonde had gekregen. Niet lang duurde het, of hij werd door zijn vader naar Constantinopel opontboden. Met veel tegenzin ging hij derwaarts. Hij was aan Holland gehecht. Zijn geboorteland kende hij niet. Zijn vader herinnerde hij zich niet. Zijn moeder was overleden, en in de plaats van deze zou hij een stiefmoeder vinden, niet veel ouder dan hijzelf. In 1831 vertrok hij, en wij namen een droevig afscheid. Ik gaf hem een plattegrond mijner geboortestad mede, waarop ik met roode stippen alle plaatsen, op welke hij eenige betrekking gevoelde, had aangeteekend. Hij heeft dit gedenkstuk trouw bewaard. Ik zond hem een brief te Marseille; en weldra kreeg ik er een van hem uit Stamboul, die tot mijn overgroote vreugde, met vele gaten doorprikt en door den azijn gehaald was. Hij was in zevenentwintig dagen van Marseille tot Constantinopel overgekomen. De pest en de cholera waren een weinig vóór hem gearriveerd; Pera was juist afgebrand, en het huis van zijn vader in de asch gelegd. Hij had zich daarop naar diens buitenplaats gespoed. Niemand had hem herkend. Hij had zich bij zijn eigen vader voor een vriend van diens jongsten zoon uitgegeven, die hij zelf was, en bracht berichten omtrent hem mee. Hij wist natuurlijk alles zeer nauwkeurig. Aan tafel zat hij op de plaats der eere, naast zijne stiefmoeder. Zijne zusters waren schoon, en zijn vader vond zijn toon met haar kennelijk wat te vrij voor een vreemdeling. Bij het nagerecht had hij zich met een toost en vele tranen bekend gemaakt. Van het land hing hij mij geen aanlokkelijk tafereel op; het was veel te mooi voor de Turken; de Franken waren er trotsch; de meisjes lui, niet mooier dan ergens anders, onbeschaafd en van niets sprekende dan van de keuken; van tijd tot tijd aan de liefde offerende en hare kinderen op straat verlatende. Hij verzuchtte naar Holland en zijne vrienden. Ik vertroostte hem met een brief, dien hij nooit ontvangen heeft, en onze correspondentie ging te niet. Daar stond hij eensklaps vóór mij, na eene afwezigheid van vijf groote jaren, een geheel ander en toch dezelfde. Hij had Rusland, Duitschland, Frankrijk, België en Engeland, zoowel als de Levant, doorreisd en doorkropen, maar hij was toch _Antoine_ gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet veranderd. Van geslacht een Italiaan, van vaderland een Turk, van moedertaal een Franschman, van opvoeding een Hollander, van geloof een Catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan inzicht, kennis, wereldburgerschap en ondervindingen! Hij sprak behalve Fransch en Hollandsch, als vroeger, nu ook de talen van al die landen die hij had bezocht. Wij voerden 't gesprek meest in 't Engelsch, of in 't Fransch; want zijn Hollandsch had hij wel goed onthouden, maar hij had zooveel te zeggen waaraan hij nooit in 't Hollandsch had gedacht. Zijn Hollandsch was niet rijker dan 't woordenboek van iemand van zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. Hij had aangezeten met Turksche bassa's en het hof gemaakt aan Russische prinsessen: hij had rozenolie, juweelen, opium en pastilles aan Poolsche joden verkocht, met Duitsche gravinnen gedanst, met Fransche incroyables gespeeld, en met dikke lords toosten ingesteld; hij had zeeën doorkruist, ijzerbanen overgevlogen, kou en hitte getart, quarantaines gehouden, de liefde gekend, de pest ontvlucht, en den dood onder de oogen gezien; maar daar zat hij in onze nederige tuinkamer, geheel dezelfde in oogen, hartelijkheid, goedwilligheid, heuschheid, en vriendschap, als toen ik voor vijf jaren in zijn album schreef:

Geen grootspraak op dit blad, geen duurgezworen eeden, Die overbodig zijn, of ongemeend meestal! Maar laat mijn naam alleen een plaats er op bekleeden, Die al mijn vriendschap u gewis herin'ren zal.

Hij was nauwelijks in Holland aangekomen of hij was naar mijne woonstad geijld, die hij "het paradijs zijner jeugd" noemde, en nauwelijks in mijne woonstad, of hij bezocht allereerst zijn vriend _Hildebrand_. Ik verheugde mij twee dagen in zijn bezit.

Ik weet niet of gij den toestand kent, waarin een dergelijke ontmoeting u brengt. In 't eerst is men in een dwaze houding; men maakt bijna een mal figuur. Men vliegt elkander met naïeve vreugd in de armen, maar men is schrikkelijk bang om te theatraal te zijn, en men voldoet zichzelven niet in hartelijkheid. Vrouwen zijn in zulke oogenblikken natuurlijker en geven zich meer aan haar gevoel over. Zij schreien aan elkanders hart; het is veel zoo het bij ons tot een traan komt, die zich nog achter een lach wil verbergen. Ach! wie wij ook zijn mogen en hoeveel melk er ook in ons bloed moge wezen, wij zijn allen eenigermate onder den invloed van hen die hardvochtiger zijn dan wij, en veel minder bang om ongevoelig dan om belachelijk te schijnen. Zoo trekken wij niet zelden onze warme gevoelens het koude harnas der krachtbetooning aan, waarin zij beven en bibberen, en verbergen de lieve trekken onzer zachtaardigheid achter eene harde grijns, opdat wij toch vooral leelijker zijn zouden. Bloodaards! niet te ver met deze huichelarij! Ook van haar zal God rekenschap vergen; ook van het gevoel dat wij verloochend hebben, van de tranen die wij onderdrukten uit lafhartigheid.

Wat ons betreft, wij waren alleen; ik ken er die ons kinderachtig zouden hebben genoemd en toch, toch beviel ik mijzelven niet. En toen nu de eerste handschuddingen en begroetingen voorbij waren, daar stonden wij met den neus voor een berg blijdschap, voor een berg verwondering, elk met een berg mededeelingen achter zich, en met heele bergreeksen vragen ter rechter- en ter linkerhand; en door dit alles zoo belemmerd en ingesloten, dat wij geen vin verroeren konden! 't Zou voor een koel aanschouwer en toehoorder bijna lachwekkend geweest zijn, op te merken hoe onhandig wij van weerskanten in dien bonten warhoop van 't verleden rondtastten, opdat wij elkander den doorleefden tijd goed voor de oogen stellen mochten; hoe ongepast wij over en weder de boeken in den wilde opsloegen, om een denkbeeld van den inhoud te geven; hoe wij dikwijls de behoefte gevoelden om iets te verhalen of te vragen, zonder te weten: "wat dan toch eigenlijk?" en welke nietigheden wij elkander naar 't hoofd wierpen! Zoo veel is zeker, dat ik duidelijk eene groote ontevredenheid gevoelde over het weinige dat ik in dat eerste uur toch eigenlijk de moeite waard achtte om verteld te _worden_; een klaar bewijs van de onbeduidendheid der voorvallen van 't menschelijk leven, die, als zij voorbij zijn, dikwijls niet veel meer belangrijkheid voor ons hebben dan de kolommen van een oude courant.