Camera Obscura

Chapter 14

Chapter 143,886 wordsPublic domain

De heer _Bruis_ wandelde op. De singel bracht hem een weinig tot zichzelven, want er stonden aan weerszijden hooge boomen; maar die zaligheid was spoedig uit, vermits de stad, in een oogenblik van geldverlegenheid, voor een illuminatie op 's konings verjaardag een groote partij boomen had doen vallen, in wier plaats zich nu, op naam van jong plantsoen, eenige dunne twijgjes vertoonden, om het andere verschroeid. Hij was dus weder doodaf, toen hij, tusschen twee zwarte schuttingen in, eene smalle laan zag, die hij meende te moeten ingaan. Het was eenzaam in die laan. Niets dan schuttingen, waar boomen boven uitstaken; niets dan tuindeuren met opschriften en nommers! Een enkele mosch sprong er rond. De heer _Bruis_ wandelde voort met zijn hoed in de eene, en met zijn stok en zakdoek in de andere hand, gelijk in de straten der stad, maar nu altijd een weinigje schuinsrechts in zijn houding, vanwege zijn vurige begeerte om, naar de aanwijzing van den commies, rechtsom te slaan. De gelegenheid deed zich echter niet op, en de heer _Bruis_ stond eindelijk vlak voor een vrij breed water en vlak naast een vuilnishoop met vele bloemkoolstruiken, saladebladeren, potscherven, verlepte ruikers, en doornappels, die, midden in de verrotting bloeiende, hun bedwelmenden geur in de lucht verspreidden.

Het was blijkbaar dat de heer _Bruis_ de verkeerde laan had ingeslagen, en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de nabijheid van het water hem zooveel genoegen, dat hij besloot daar een oogenblik uit te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich tot dat einde zoo dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met zijn zakdoek waaierende, en met zijne rede zijn ongeduld afkoelende, slaagde hij er vrijwel in zich een weinigje tot kalmte te brengen. Rechts en links langs den oever kijkende, bemerkte hij aan zijn linkerhand op eenigen afstand een vierkanten zeegroenen koepel, waarin zich eenige menschen bewogen, en, hoewel hij ze niet kon onderscheiden, was het als of 't hem ingegeven werd, dat dit het Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en dat het dien naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd, tot aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig weiland!

De heer _Bruis_ nam den wandelstaf weder op, ging de laan terug, en was weder op den singel. Weldra deed zich een andere laan aan hem voor, die hij echter goedvond eer hij ze intrad, eens af te gluren. Hij zag dan ook dat er spoedig gelegenheid zou zijn rechtsom te slaan, en dit gedaan hebbende was hij ook al heel gauw bij het witte paaltje. Toen ging hij links en toen weer rechts, en hij was naar alle gedachten in de "Meester-Morislaan".

Voor een tuindeur, die aanstond, zat een klein kind met een zwart jurkjen aan, een zwart mutsje met een zwart kantjen er om op, en een zwart gezichtje voor, zich vermakende met een pompoen en verscheidene aardappelschillen.

"Is dit de Meester-Morislaan, lief kind!" vroeg de heer _Bruis_.

Het kind knikte van ja.

"Waar is hier ergens Veldzicht?"

Het kind zei niets.

De heer _Bruis_ werd moeilijk, niet zoo zeer op het kind, maar op de verborgenheid van Veldzicht.

"Weetje 't niet?" vroeg hij, een toon of drie te hard.

Het kind liet den pompoen en de aardappelschillen vallen, stond op, begon te huilen, en liep den tuin in.

De heer _Bruis_ zuchtte. De "Meester-Morislaan" scheen zeer lang te zijn, en de tuindeuren waren menigvuldig. Hij las allerlei namen. Namen van ophef en grootspraak, als: Schoonoord, Welgelegen, Bloemhof, Vreugderijk; namen van tevredenheid en berusting, als: Mijn genoegen, Weltevreden, Buitenrust; naïeve namen, als: Nooit Gedacht, Klein maar Rein, Hierna beter; maar ook een aantal geographische, als: Nabij, Bijstad, Zuiderhof; en optische als: Vaartzicht, Weizicht, Landzicht, Veezicht, Veelzicht,--dit laatste leek in de verte al heel veel op Veldzicht, maar het was toch Veldzicht niet.

Eindelijk waren er twee deuren, daar niets op te lezen stond dan Q 4 N_o_ 33 en Q 4 N_o_ 34. Een van die beide deuren kon Veldzicht zijn! De heer _Bruis_, hoe driftig ook en ongeduldig, was bescheiden. Hij ging dus N_o_ 33 voorbij, om niet het eerste het beste voor Veldzicht aan te zien, en klopte aan N_o_ 34.

Na een poosje wachtens, werd hem opengedaan door een zeer lange, statige, prentachtige dame, met een rouwjapon aan, een wit kemelshaar loshangend doekje op haar schouder, een zwarten hoed, dien zij voor de zon zeer voorover op haar neus had gezet, een groenen bril, een klein bewijs van baard op haar bovenlip, en een boek in de hand.

"Is hier Veldzicht, mevrouw?" vroeg de heer _Bruis_.

Waarom zag hij niet dat het geen mevrouw was?

"Neen menheer!" antwoordde de juffrouw verschrikt voor een "vreemden man", misschien wel meenende dat het iemand was, die haar bestelen wilde: "Dat's hier àldernaast", en toe vloog de deur.

De heer _Bruis_ klopte aan Q 4 N_o_ 33.

Hoe aardig het was.

"_Jansje_! daar wordt geklopt;" riep een vrouwelijke stem.

"Ik hoor het wel, juffrouw!" riep _Jansje_.

Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat _Jansje_ er niets van gehoord had; nademaal zij allerijselijkst veel pleizier had met den tuinknecht, die haar met water gooide.

Mijnheer _Bruis_ had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitgerust om een lief plan van verrassing te vormen. Zoodra _Jansje_ hem dus opendeed en hem onderricht had dat dit dégelijk Veldzicht was, en dégelijk Dr. _Deluws_ tuin (want daarin scheen de stem uit het pothuis toch maar gelijk gehad te hebben, dat het een Tuin was en geen Buiten) zeide hij:

"Goed, meidlief! wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik ben een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen."

"Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?" vroeg _Jansje_.

"Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wilje?"

De tuin was een lange smalle strook langs de vaart, aan welker oever de heer _Bruis_ eenige oogenblikken te voren een weinig adem geschept had, zag allerschrikkelijkst groen, en had niet dan zeer smalle wandelpaadjes, aan weerskanten met aardbeiplanten omzoomd. Die er inkwam stond billijk verbaasd, dat het mogelijk geweest was zoo veel appel- en pereboomen, zoo veel aalbes- en kruisbesstruiken in zoo'n klein bestek bijeen te dringen, en was gedurig genoodzaakt te bukken voor de eersten en uit den weg te gaan voor de laatsten. In één woord, het was wat de steelui met verrukking een "vruchtbaar lapje" noemen, en waar zij onbegrijpelijk veel wil van zouden hebben, indien de buitenlui er niet dichterbij woonden, vroeger opstonden, en eer wisten dan zij, wanneer ieder bijzonder ooft geschikt zou wezen om geplukt te worden.

"Warm weertje vandaag, meheer!" zeide _Jansje_, toen men een eindje voortgewandeld was, en zij meelijden begon te krijgen met het hijgen en blazen van den gezetten heer achter haar.

"Ja kind, schrikkelijk, schrikkelijk!" zei _Bruis_; "is er niemand in den tuin?"

"De familie is op den koepel," was het antwoord, "behalve juffrouw _Mientje_, die daar zit te lezen."

_Jansje_ en de heer _Bruis_, het slingerende paadje volgende, kwamen op dit oogenblik aan den waterkant, en werkelijk zat daar, onder een klein treurcypresje, op een smal gazonnetje, de oudste dochter van zijn vriend _Deluw_, op een groene tuinbank, met handschoentjes aan, een boek in de hand en een hondje aan hare voeten "Buitentje te spelen", zich ergerende dat er in het laatste uur niemand aan den overkant voorbij was gegaan, en dat er geen mensch in de trekschuit gezeten had.

Zij liet het hoofd zeer plechtig op de borst vallen, toen de heer _Bruis_ haar groette; maar het hondje vloog op en blafte radeloos tegen den amechtigen, die het dolgraag een slag met zijn bamboes gegeven had; dan, hij durfde niet, omdat het een juffershondje was, en hij zijn vriend juist niet verrassen wilde door met een moord te beginnen.

De zeegroene koepel deed zich nu weldra op. Hij scheen vrij ruim te zijn, en had nog een klein bijkamertje, met een schoorsteentje en een vuurplaat om water op te koken, een tang, en een kastje daar niets in was. Alle deze wonderen begreep _Bruis_ reeds op een afstand. De koepel zelf ging met een trapjen op.

"Dankje, meisje!" zei hij tot _Jansje_, toen hij op tien passen van den koepel was, en langzaam sloop hij er naar toe. Gelukkig waren de blinden voor de ramen aan den tuinkant dicht gelaten en was de deur niet van glas, als anders aan die kijkkasten het geval wel wezen wil. De heer _Bruis_ kon dus zijn plan van verrassing zeer wel uitvoeren. Welk een aandoenlijk genoegen stelde hij er zich van voor! Geheel zijn hartelijk en vriendschappelijk gemoed schoot vol. In geen zestien jaren had hij zijn goeden "zwarten Daan", zooals _Deluw_ aan de academie genoemd werd, gezien; en hoe zou hij hem vinden? Aan de zijde eener beminnelijke gade, omringd van bloeiende kinderen! Ja, met grijzend haar in plaats van zwart, maar met hetzelfde hart in den boezem, open voor vriendschap, vreugde en gezelligheid!

In de vreugd, die hem deze gedachte verwekte, bemerkte hij de luide kreten niet, die in den koepel opgingen.

Hij sloop de trappen op en opende de deur met den allervriendelijksten lach, die ooit op het geblakerde gelaat van een afgemat dik man gerust heeft.

Welk een tafereel!

Het was een kwade jongen van een jaar of zes, die geweldig schreeuwde en stampvoette; het was een vader, rood van gramschap, die was opgestaan, zich aan de tafel vasthield met de eene hand, en met de andere geweldig dreigde; het was een moeder, wit van angst, die den jongen tot bedaren zocht te brengen; het was een groote knaap van dertien jaar met een bleek gezicht en blauwe kringen onder de oogen, die met de ellebogen op de tafel en een boek vóór zich, om het tafereel zat te lachen; het was een klein meisje van vijf jaar, dat zich aan mama's japon schreiende vastklemde. Het was Dr. _Deluw_, zijne beminnelijke gade, en zijn bloeiend kroost.

"Ik wil niet," gilde de jongen, den stoel omschoppende, die het dichtst bij stond.

"Oogenblikkelijk!" schreeuwde de vader, schor van woede, "of ik bega een ongeluk!"

"Bedaar, _Deluw_!" smeekte de moeder: "hij zal wel gaan."

"Neem me niet kwalijk, mijnheer!" zei de dokter, moeite doende om zich redelijk in te houden; "die jongen maakt het me lastig. Ik zal u zoo terstond te woord staan;" en hij pakte den nietwiller bij den kraag.

"Och gut; scheur zijn goed niet, _Deluw_!" vleide de moeder; "hij gaat immers al."

"Laat _mij_ maar begaan," zei de dokter, en hij sleepte den snooden zoon, die, ondanks het gunstig gevoelen door zijne moeder omtrent zijn gehoorzaamheid geuit, geen voet verzette, den koepel uit, in het bijvertrekje, waar hij hem in het turfhok opsloot.

"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zei mevrouw _Deluw_ middelerwijl op hare beurt tot den binnengekomene, "ik ben zoo van me streek; ik ben mezelve niet." En om het te bewijzen viel zij op een stoel neder.

"Ik geloof dat het goed zal wezen dat ik eens in de lucht ga," ging zij voort.

"Gêneer u niet, mevrouw!" zei de uit de koets gevallen academievriend van haar echtgenoot. En zij ging naar buiten; met het snikkende kind nog altijd hangende aan haar japon.

De jonge heer _Deluw_, met de bleeke wangen en de blauwe kringen, bleef alleen met den heer _Bruis_, en keek hem met onbeschaamde blikken aan.

"Ik zal die burenplagers wel krijgen," zei Dr. _Deluw_ weer binnenkomende, daar hij het noodig achtte voor den vreemdeling de misdaad te noemen van zijn zoon, opdat deze hem niet voor een onrechtvaardig en hardvochtig vader houden zou. "Mag ik vragen?"...

"Buikje!" riep de goedhartige dikkerd, met een gullen lach op zijn purperen wangen.

Nu, het woord buikje, diminutief van buik, is een zeer bekend woord; althans voor een geneesheer. Echter kwam het dezen geneesheer, uit den mond van een vreemdeling, in dit oogenblik vrij ongepast voor. Daarom zette de heer Dr. _Deluw_ groote oogen op.

"Buikje!" herhaalde de heer Mr. _Bruis_.

De heer Dr. _Deluw_ dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag, en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het andermaal te worden, vermits het toch in ééne moeite door kon gaan, en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met _veel_ moeite werd.

"Wat belieft u, mijnheer?"

"Wel, hebje dan niet met Buikje gegeten?"

De heer Dr. _Deluw_ herinnerde zich geen ander eten dan met zijn mond. Hij trok de schouders op.

"Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte Daan!" zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij gezeten was.

"_Bruis_!" riep eensklaps Dr. _Daniel Deluw_ uit. "Dat's waar ook, ik heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend hebben, man! Wat benje veranderd! Samen gegeten. Welzeker, welzeker. In de Plezierige Sauskom." Maar den toon van vroegere gemeenzaamheid even spoedig latende varen: "Wat mag ik u aanbieden, heer _Bruis_?"

De uitdrukking "heer _Bruis_" was ongetwijfeld een middending tusschen kortweg "_Bruis_" als vroeger, en "mijnheer" als nooit.

"Waar is me vrouw, weet u dat ook?" vroeg de dokter.

"Ze is een weinig van haar streek," zei _Bruis_, "en daarom is ze eens in de lucht gegaan."

"_Willem_, ga mama opzoeken!" zei Dr. _Deluw_.

_Willem_ stond vadsig op, rekte zich uit, ging aan de deur van den koepel staan, en schreeuwde zoo luid hij kon: "Mama!"

Daarop ging _Willem_ weer zitten, en keek over zijn boek heen.

"Ik wil er uit," gilde de jongen in het turfhok, en trapte tegen de deur.

"Wat zal ik je zeggen," zei Dr. _Deluw_, "die knapen tergen je geduld wat!--U heeft geen kinderen, meen ik."

"Geen een," zei de dikke man, die intusschen van dorst versmachtte; "tot mijn spijt," voegde hij er met een zucht bij, ofschoon het tafereel, dat hij voor oogen had gehad, die spijt juist niet had verzwaard.

Mama kwam binnen.

"Dit is mijnheer _Bruis_, liefste!" zei de dokter, "van wien ik u zoo dikwijls gesproken heb."

Maar mevrouws gelaat drukte uit, dat zij er zich niets van herinnerde. Mevrouw _Deluw_ nu was eene zeer preutsche dame.

"Zal ik mijnheer een kop thee presenteeren?" sprak zij; en naar een kastje gaande, dat van droogte nooit sloot, haalde zij er een gebloemden kop en schotel uit te voorschijn.

De heer _Bruis_ had alles willen geven voor een glas bier of een glas wijn en water. Maar het was hem opgelegd, zoo moe en verhit als hij was, in een brandendheeten koepel thee te drinken.--Ook brengt het vrouwelijk stelsel van een zalig behelpen niet mee dat men in een "tuin" van alles krijgen kan; en ook is het eigenaardig dat er in een theetuin niets anders _is_ dan thee.

De heer _Bruis_ zette alzoo zijn heete lippen aan een heeter kop thee.

"Mag ik u om nog een weinig melk verzoeken?"

Dr. _Deluw_ merkte wel dat zijn academievriend liever iets kouds had gehad, en maakte duizend ontschuldigingen over de slechte ontvangst in een koepel, waar men alleen maar van tijd tot tijd heenging om de kinderen genoegen te doen. "Jammer dat hier geen kelder is," voegde hij er bij.

"Der is een turfhok!" schreeuwde de stoute jongen uit al zijn macht, uit de plaatszelve die hij noemde.

"Die ondeugd," zei de moeder met een klein lachje.

"Heeft mijnheer nog meer relatiën te--?" vroeg mevrouw _Deluw_ aan den heer _Bruis_, de stad noemende, die ik nog niet genoemd heb.

"Verschoon mij, mevrouw," zei de heer _Bruis_, "ik ken er niemand, dan mijnheer uw man;--schoon onze kennis al wat verjaard is," voegde hij er zuchtend bij.

"Dat gaat zoo," zei mevrouw _Deluw_; "nog een kopje thee?"

"Dank u, dank u!"

Mevrouw _Deluw_ stond op, neeg, en verklaarde, "dat mijnheer haar wel een oogenblik zou willen excuseeren"; waarop zij vertrok. Het vijfjarig kind huilde niet meer, maar hing toch nog steeds aan haar japon en toog mede.

Toen zijn vrouw vertrokken was, kwam het vriendenhart van dokter _Deluw_ weer boven. Gaarne zou hij zich met zijn ouden makker nog eens hebben verdiept in oude dingen, in de genoegens van Leiden, in herinneringen van de Pleizierige Sauskom, in wat niet al? Hij vond het evenwel beter, daartoe zijn gluiperigen dertienjarige te verwijderen.

"Ik kan niet begrijpen, _Willem_! waarom je niet reis wat gaat hengelen."

"Hengelen!" zei de gluiperd, zijn tong uitstekende, "'t is ook wat lekkers!"

"Of wat schommelen met je zuster."

"Ajakkes, schommelen!"

"De jonge heer schijnt van lezen te houden," zei de heer _Bruis_.

"Ja somtijds, als 't reis niemendal te pas komt," antwoordde Dr. _Deluw_.

Gluiperige _Willem_ werd boos, loerde naar den heer _Bruis_, sloeg zijn boek met alle macht dicht, stiet het over de tafel dat het een heel eind voortschoof, tot groot levensgevaar van het leege theekopje van den bezoeker, schopte zijn stoel om, welke handelwijze een specialiteit der jongere _Deluws_ scheen te zijn, pruttelde iets tusschen zijn leelijke tanden, achter zijn dikke lippen, en vertrok, hevig met de deur smijtende.

"Och, die humeuren!" zei de gelukkige echtgenoot en vader.

Ondertusschen was nu de baan schoon voor het hernieuwen der vriendschap. De heeren staken ieder een sigaar op en begonnen over Leiden te spreken; en het zou juist genoegelijk geworden zijn, toen _Jansje_, die altijddoor met den tuinknecht had gestoeid, rood als een koraal binnenkwam, om te zeggen dat "daar een knecht was van mevrouw _Van Alpijn_, of dokter asjeblieft reis _oogenblikkelijk_ dáár wou komen, want dat mevrouw zoo naar was."

"Zeg dat ik aanstonds kom," zei Dr. _Deluw_ tot de dienstmeid en daarop tot zijn vriend: "Ik denk niet dat het veel te beduiden zal hebben. 't Is miserabel in ons vak, dat de menschen je om alle wissewasjes laten halen."

Deze phrase nu, is een doktersphrase, die ik meermalen gehoord heb, zonder te begrijpen, waarom een geneesheer rede heeft om het den menschen kwalijk te nemen dat zij hem niet uitsluitend in doodelijke gevallen ontbieden. Moest het niet veeleer de patiënt zijn, die zich beklaagde dat zijn arts hem voor alle wissewasjes een visite aanschreef?

Hoe het zij, Dr. _Deluw_ maakte zich gereed om naar dit wissewasje van mevrouw _Van Alpijn_ te gaan zien.

"Het zal wel anderhalf uur aanloopen eer ik terug kan zijn," zei hij, op zijn horloge kijkende; "vind ik u dan nog hier?"

"Ik weet het niet," zei _Bruis_, die stellig plan gehad had dien nacht in de ongenoemde stad bij zijn vriend te logeeren; "ik wou zien dat ik van avond nog verderop kwam."

"Kom, kom," zei de dokter, "ik kom u hier afhalen, en gij soupeert met ons in de stad?"

"Ik weet niet," antwoordde _Bruis_, die gaarne gezien had dat mevrouw bij deze uitnoodiging tegenwoordig geweest ware.

"Enfin!" zei de dokter: "wij zullen zien; ik zal u nu bij mijn vrouw brengen."

Hoe voortreffelijk zij was.

Mevrouw _Deluw_ was niet ver af, bezig met _Jansje_ te beknorren over het leven dat zij maakte; "zij wist ook niet", zei ze met een oog op den tuinknecht, "waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan moest worden, als de familie er in was."

_Deluw_ droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken.

"Nog een woordje!" zei mevrouw _Deluw_.

"Wat, liefste?" zei de dokter.

"Zou daar niets aan te doen zijn?"

"Waaraan?"

"Aan die jongens."

"Welke jongens? _Willem_ en...."

"Och neen! aan die jongens daar in 't veld."

"Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?"

"Dat het ze verboden werd," zei mevrouw de doctorin.

"Maar lieve, daar hebben we immers 't recht niet toe;" zei de dokter.

"Nu, ik vind het dan al heel indécent, en vooral voor _Mientje_, die daar altijd onder den cypres zit; zou je niet...."

De dokter hoorde niet, maar was al weg.

Dit staaltje van echtelijke samenspraak betrof een vijftal knapen van acht of negen jaar, die zich op een kwartier afstands van Veldzicht in het weiland bevonden, en het op dien brandendheeten achtermiddag veel frisscher vonden in het water van den tocht dan in hunne kleederen.

"Uw oudste dochter," zei _Bruis_, toen hij met mevrouw _Deluw_ alleen was, "schijnt veel van de eenzaamheid te houden."

"O ja, mijnheer! ik beleef heel veel pleizier aan dat meisje. Ze is altijd met een of ander boek in de weer; ik verzeker u dat zij haar Fransch nog beter verstaat dan ik; zij leest Engelsch, en Hoogduitsch ook."

"Kom aan," zei de heer _Bruis_; "dat 's pleizierig. Ja, hier in Holland zijn zulke heerlijke gelegenheden voor dat alles."

Mevrouw _Deluw_ meende dat deze opmerking de verdiensten van haar welp verkleinde.

"Het scheelt veel, mijnheer!" antwoordde zij, "hoe men van die gelegenheden profiteert; en mijn dochter studeert veel, studeert eigenlijk altijd. Haar grootste genoegen is studeeren; en ze houdt zich ook niet op met al die dingen, waar een meisje van haar jaren anders gewoonlijk pleizier in heeft."

De heer _Bruis_ hield niet van zulk soort van meisjes.

"Hoe oud is uw dochter?" vroeg hij.

"Zestien jaren," zei mevrouw _Deluw_, haar hoofd oprichtende met moederlijke majesteit.

"Flos ipse;" prevelde de heer _Bruis_.

"En zoo als ik zeg," ging mevrouw _Deluw_ voort; "Engelsch, Fransch en Duitsch. Ik geloof dat ze nu weer met een Engelsch boek is uitgegaan. Heeft u haar niet gezien?"

"Ik heb een dame gezien die onder een boom zat te lezen," zei de heer _Bruis_, die anders niet gewoon was een meisje van zestien jaar eene dame te noemen; maar hij dacht: Engelsch, Fransch en Duitsch, en altijd lezen!

"Och, dat is haar lievelingsplekje," zei mevrouw _Deluw_; "wij zullen haar eens gaan opzoeken. Het is er koel, en wij kunnen er uitrusten."

Zij naderden het lievelingsplekje; de dochter stond op, en neeg nogmaals voor den heer _Bruis_.

Mevrouw _Deluw_ ging naast haar dochter op de tuinbank zitten, de heer _Bruis_ vond er een stoel.

"Wij komen hier wat bij je zitten, _Mina_. "Wat lees je daar weer, kind? vast weer Engelsch?"

"Och neen, mama! 't is maar zoo'n boek; ik wist zoo gauw niet wat ik mee zou nemen; ik zag dit liggen. Is _Jantje_ weer zoet?"

Er was iets zeer schichtigs en onrustigs in het gelaat van _Mientje_. Het was, om de waarheid te zeggen, geen heel mooi meisje; ook al bleek, en met iets heel leelijks in de oogen, die altijd ter zijde uitkeken; daarbij had zij als waren 't zenuwachtige trekken in haar gezicht, die den heer _Bruis_ niet aanstonden.

Mevrouw _Deluw_ drong er niet op aan om het boek te zien. Voor zoover de heer _Bruis_ merken kon, had het eene sterke gelijkenis op zeker werkje, getiteld "Amours et Amourettes de Napoléon", waaruit zonder twijfel veel stichtelijks is te leeren voor een meisje van zestien jaar.

Eenige oogenblikken zat het drietal daar neder, terwijl mevrouw _Deluw_ enkel het woord voerde tegen haar dochter, om gezegden uit te lokken, die hare groote voortreffelijkheden aan den dag konden brengen; en dan schudde zij weder eens het hoofd over de badende kleine jongens, een kwartier uurs verre in het land.

"O!" zei _Mina_, en haar vingers trilden zenuwachtig over haar boek, dat zij eigenlijk aan stuk zat te maken: "O! het is naar, dat het hier zoo onvrij is."

Op dat oogenblik werd haar naam met eene half ingehouden stem uitgeroepen.

"Je wordt geroepen, kind!" zei mevrouw _Deluw_.

"Neen, mama," zei _Mina_, en scheurde den omslag bijna van het boek af.

De heer _Bruis_ sloeg met zijn stok boterbloemen en kransjes van 't gras.

"_Mina_!" riep de stem op denzelfden toon; "waarom kom je nou niet? Den ouwe is naar de stad; en _Jansje_ zegt dat mamalief op den koepel zit met een vreemden snoes."

Mamalief zag dochterlief aan. De vreemde snoes deed alsof hij het niet merkte en, dicht aan de vaart getreden, scheen hij al zijn aandacht te wijden aan een voorbijvarende trekschuit, welke hij dolgraag "volk mee" had toegeroepen, had hij zijn valies en jas maar gehad.

Mevrouw _Deluws_ oogen schoten vonken uit; zij kneep _Mina_ in den arm. "Wat beteekent dat?" fluisterde zij; maar zij wilde ten overstaan van den vreemde geen "scène maken".