Chapter 13
Inderdaad, mijn waarde! gij moet het leven eenvoudig nemen; 't zou u beter staan en het leven zou u beter bevallen. Daar hebt gij nu de Rotterdamsche kermis--zij is mogelijk wat al te dol, ik geloof het gaarne.--"Hoe?"--durft gij mij schrijven, "zal ik zonder noodzaak plaats nemen in den mallemolen en mij beneden eekhorens en witte muizen, die wel draaien _moeten_, verlagen? Zal ik mij als een razende dweper den beulen toewerpen en uitroepen: 'Ik ben ook een martelaar?'" Hoor eens hier, mijn verheven briefschrijver; zie mij eens goed in de oogen! Best! En laat ik u nu zeggen, dat gij er niets van meent. Wat hebt gij uitgevoerd, kwast! in die acht dagen, dat de Rotterdamsche kermis geduurd heeft? Immers niets dat de moeite waard is. Boeken gelezen, brieven geschreven, en om de kermis gelachen. Gij moest eens weten hoe de kermis om u zou gelachen hebben, indien zij 't geweten had.--Gij hebt twee mooie, lieve nichtjes; vroolijke, prettige meisjes, rechte spring-in-'t-velden. De Rotterdamsche meisjes _zijn_ vroolijk. Met deze hadt gij langs de kramen moeten wandelen; voor deze allerlei lieve kleinigheden moeten koopen. Snuisterijen uit lava zijn tegenwoordig het meest aan de orde. Die hadt gij niet leelijk moeten vinden, omdat zij, ik, en een ander ze mooi vinden. Misschien vinden wij ze toekomende jaar geen aanzien waard. Daar zijn we niet minder om, vriend! Dan is er weer wat anders, dat ons bevalt; de zaak vereischt zooveel ernst niet, en 't behoort tot de genoegens van ons leven, dáár dan weer blij mee te zijn.
Op het fatsoenlijk uur, als de fraaie wereld bijeenkomt, hadt gij uw nichtjes rond moeten leiden, en er u volstrekt niet aan moeten ergeren als ze wat veel menschen aanspraken en gij wat al te dikwijls hoordet welke kraam de mooiste was, En dan had er leven en belangstelling in uw gezicht moeten zijn. Gij zijt er niet te groot voor, _Augustijn_! Niemand is te groot om zich met kleinigheden en kleinen te vermaken. Kijkspellen wil ik niet zoo zeer aanraden, of het moeten zulke zijn, waar men u op een grove wijze bij den neus heeft; zoowat boerenbedrog, weet ge, is wel aardig voor iemand die veel boeken gelezen heeft. Over de beestenspellen kent gij mijn gevoelen. Maar in 't geen ik daar wel eens tegen gezegd heb is ook vrij wat overdrevenheid, mijn vriend! en als men het letterlijk op wilde nemen of... Maar letterknechten zijn wij niet, zoo min als letterhelden!--daar hoort nog meer grieksch bij, _Augustijn_, dan gij verstaat. Wij mogen ook wel eens doorslaan, dunkt mij, als het thema goed gemeend en diep gevoeld is, en als dan de eene gedachte de andere uitlokt en wij worden er warm bij, of vroolijk!--Op die rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica tegen de kermisvreugde schrijven. Men moet edelmoedig zijn en scherts als scherts verstaan. Niets is zoo kinderachtig, zoo onaardig en zoo inhumaan als geestig te willen zijn door de ontleding van eens anders grappen. Dat behoort wel wat te veel tot de onaangename genoegens van onze dagen; maar ik wil er mij niet aan bezondigen, en daarom heb ik niets tegen uw "bacchantendienst", en uwe "vergoding van uitzinnigheid" en uwen "besmetten dampkring", maar alleen heb ik dit tegen u, dat gij laag op de kermis neerziet.
Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een _boere_kermis bijwonen! Des namiddags, het heele dorp en de nabijgelegen gehuchten op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige boeren met zilveren haken in de broek en gouden knoopen aan de das, die een dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjes netjes uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan de stroohoeden, met al het goud dat zij hebben aan 't hoofd, en de onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderbladen. Dan wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels op schragen van de kleine herberg "Het Dorstige Hart" of "de Laatste Stuiver"; of men drentelt langs de kleine kraampjes; of men schaart zich rondom de kleine loterijen van beschilderde karaffen en kelken, houten naaldekokers en stalen vorken. En dan moet ge de dikke proppen van kleine jongens zien, met wit haar en witte tanden, bezig met "koek te smakken", en hun winst in broekzak, buiszak, en tot in de pet wegstoppende; of de kleine boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen met gouden ringen van een cent het stuk, allen met een kraakamandel tusschen de tanden en kruidnoten in de hand. Dat 's nog maar een begin.
Maar 's avonds als de frissche dochters; neen! de glundere moeders óók nog wel; voor de "fiedel" staan, met boeren en knechten, en voor vier duiten een deuntje dansen.
"Kan je dan geen schotsche drie?" "Kan je dan niet dansen?"
en zoenen moeten, als de lustige speelman in den hoek, achter de kam strijkt!....
Daar moet ge eens heen, _Augustijn_! dat is veel aardiger dan blasé of philosoof te zijn, en daar zult gij zien, hoe men zich te meer vermaakt, naarmate men eenvoudiger van hart en zin is. Maar gij moet er niet komen met een gezicht als een commissaris van politie, die kijken komt of alles goed en ordelijk toegaat; ook niet met dat medelijdend lachje, waarmee sommige menschen zich portretteeren laten en waar gij eigenlijk in den grond te goed voor zijt; ook al niet met een gelaat van berekende lievigheid, alsof het den aanwezigen een groote eer moet zijn dat _gij_ eens komt kijken. Geloof mij, ook de boer bemerkt en gevoelt als bij ingeving wat daar beleedigends in is, en het maakt u nooit tot wat hij een gemeen (gemeenzaam) mensch noemt. Neen, gij moet er komen met een fermen, bollen lach om den mond, alsof gij zoozoo mee zoudt willen doen. Ik voorspel u dat gij er meer neiging toe gevoelen zult dan gij zoudt willen weten. Blijdschap is aanstekelijk, maar men moet er vatbaarheid voor hebben, en men moet bijv. niet op een Hollandsche boerekermis komen met een Sehnsucht "naar Italië's dreven", waar de hemel altijd blauw enz. is, en ook al niet met waanwijze opmerkingen, als bijv. "wat een heel andere figuur is een Hollandsche boer toch dan een van Normandye, Bretagne, of uit het Piémonteesche!" waarbij gij immers niet aan Normandye of Bretagne of Piémont denkt, maar alleen aan de Colins en Lubins van den Vaudeville, met hunne sneeuwwitte overhemden, roode bretels, schuinsche hoedjes met kostbaar lint, fijne handen, geblankette gezichten, en teedere sentimenten. De poëzie, _Augustijn_, is overal; maar die welke men opmerkt in de werkelijkheid, is beter dan de aangeworvene of aangewaaide. Vele menschen toetsen hetgeen zij vinden aan hetgeen zij lazen, in plaats van hetgeen zij lazen aan hetgeen zij vinden. Ongevoelig en van lieverlede zijn zij volgeraakt van indrukken uit boeken en vertooningen, waarvan zich hun ziel een geheel gevormd heeft, dat zij zweren zouden dat hun ondervinding was. In 't geheel niet; het maakt juist dat zij nooit ondervinding krijgen, nooit zullen zoeken, en dus ook nooit zullen vinden; dat zij nooit zichzelven, nooit hun tijd, nooit de menschen doorschouwen zullen, en van alles slechts een negatief begrip hebben: "het is dit niet, het is dat niet," even als zoo menig resencent, die den titel van een boek leest en zegt: "het zal, het kan, het moet dit of dat wezen",--liever dan te vragen: "wat is het?" "Het is _mijn_ mooi niet", zegt iemand, en draait zich af van mooi _Guurtje_. Maar lief _Lijsje_ dan? "Ook niet." Maar blonde _Bartje_, maar _Geertje_, maar _Duitje_? maar het geheele alphabet?--"Geen van allen." Mag ik weten wat mijnheers mooi is? Mijnheers mooi is een onbepaald, een zwervend, een schemerend ideaal, saamgesteld uit twintig diverse Engelsche staalgravures en vijftig steendrukken van _Grevedon_, met en benevens vijftig beschrijvingen van mooie actrices en maîtresses, uit feuilletons en mémoires. Nu was het toch beter en genoeglijker, het Hollandsche mooi in het Hollandsche gelaat te zien, en het Hollandsche genoegen in den Hollandschen lach, en den Hollandschen aard in het Hollandsche hart, en de Hollandsche poëzie in de Hollandsche vormen, daden, en toestanden,--beter dan al die knorrigheden en verdrietigheden en gemaaktheden, waarmee men heel wat figuur schijnt te maken, maar groot gebrek aan waren wijsgeerigen of dichterlijken zin betoont.
Zoo is het vooral met het smaken der genoegens. 't Zou toch wel raar wezen, _Augustijn_! dat dingen, die voor jaar en dag voor genoegens in de wieg gelegd zijn en sinds jaar en dag voor genoegens aangenomen, geheel en al hun bestemming zouden misloopen, en de volkomen ongeschiktheid hebben om menschen met goede gewetens vroolijk en gelukkig te maken. "Anderen wel"--zegt ge--, "maar mij niet!" En waarom niet? Omdat de schuld aan u ligt, zou ik denken.--Dat is het geluk der kinderen, dat ze niet onderzoeken of beproeven, of er ook een verdrietige kant is aan hetgeen hun voor genoegen wordt aangerekend, of het de moeite waard is in hun schik te zijn. Een vlieger oplaten--plezier hebben; een zak vol knikkers--plezier hebben; uit rijden gaan, een dag vacantie, een avond opblijven--plezier hebben! ziedaar hun logica. Als men ouder wordt is het: kan, moet, zal, wil, durf, denk ik, door dit of veeleer door dat, geheel of gedeeltelijk, of te kort of te lang, of waarachtig of schijnbaar, genoegen, ware vreugde, genot, of slechts tijdpasseering te hebben; òf is alles maar zelfbedrog? Dat moet niet wezen. Dat is goed als men oud en af is. Maar wie geeft u en uws gelijken het recht alles dooreen te warren en over jongelingsgenoegens met een mannenhoofd te redeneeren, alsof niet ieder wijs man den jongeling zijne genoegens benijdde! Daar wordt dan de arme twintigjarige--ik weet het best, lieve vriend!--plotseling "te groot voor de aarde", die hij niet kent, te verfijnd van gevoel voor genoegens, welker grofheid hij slechts onderstelt; dan giet hij den frisschen beker ledig, die hem zou verkwikt hebben; dan leeft hij een aangetrokken dichterlijk leven; maakt misschien slechte, zinledige woordenschermutselingen op rijm, waarin komt van: "'t stof te verachten, op adelaarspennen, der zon in 't aangezicht", en van allerlei visioenen, die een goed dichter nooit gezien heeft; en intusschen slaapt de waarachtige poëzie, die binnen in hem is, den gedwongen doodslaap in.--_Augustijn_, waak er tegen!--en neem dit briefje als een klein kermisgeschenk aan. Uw u liefhebbende
1838.
_Hildebrand_.
EEN OUDE KENNIS.
Hoe warm het was, en hoe ver.
Het was een brandendheete vrijdagachtermiddag in zekere Hollandsche stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mosschen op het dak gaapten, 't welk, op gezag der Hollandsche manier van spreken, de grootste hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen vinnig in de straten en glinsterde op de van droogte poeierig geworden keien. In die straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduwkant hadden, bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. De kerels, die met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veegden alle oogenblikken hunne voorhoofden met hunne linnen voorschoten af; de sjouwermannen, die anders gewoon zijn in hydrostatische verstrooidheid hunne leden over de leuningen der bruggen te doen hangen, een houding waaraan zij hier en daar den vereerenden naam van baliekluivers te danken hebben, lagen aan den oeverkant voorover op hunne ellebogen uitgestrekt, met een pot karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei, aan den voet van een steiger op een balk neergezeten, met hunne ellebogen op de knieën en hunne twee handen om een spoelkom geklemd, bliezen wel eens zoolang over hunne thee als gewoonlijk, en dus zeer opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschappen deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van een pruim of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks over de straat voortsleepen, en uitten in 't voorbijgaan een diep en innig medelijden jegens de werkmeiden die de "straat deden" met geblakerde gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Niemand was bedaard, dan hier en daar een enkel grijsaard, die met blauwe slaapmuts op en zwarte muilen aan, met de beenen op zijn stoepbankjen uitgestrekt, een pijp zat te rooken, in gezelschap van een violier en een balsamine, zich verheugende in den "ouërwetschen dag weer"
Bij eene dergelijke weersgesteldheid heeft men waarlijk te weinig medelijden met dikke menschen. Wáár is het, dat zij u dikwijls warm en benauwd maken, als ge u door bedaardheid en kalmte nogal schikken kunt in de hitte, door bij u te komen blazen en puffen en eene onweerstaanbare aanvechting te doen blijken om hun das los te maken, terwijl zij u met uitpuilende oogen aankijken; maar ook--de schepsels _hebben_ het kwaad. Dikke mannen en dikke vrouwen van dit wereldrond! hetzij gij in de laatste jaren uwe knieën en voeten nog hebt kunnen zien, of dat gelukkig punt van zelfbeschouwing reeds lang hebt moeten opgeven! wie ter wereld met uw embonpoint, uw presentie, uw corpulentie spotten moge--in _Hildebrands_ boezem klopt voor u een medelijdend hart.
Onder de gezette personen der nieuwere tijden verdiende, schoon niet een eerste, maar toch ook eene plaats, de heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_; een dier bevoorrechten, wien het nooit gebeuren mag een heel oude kennis te ontmoeten, zonder dat het eerste woord tot hen is: "Wat ben je dik geworden!" terwijl een iegelijk, die in veertien dagen het geluk niet gehad heeft hun aangezicht te aanschouwen, hun verklaart dat zij _"alweer_ dikker geworden zijn"; een dier gelukkigen, die in duizend wenken van hunne bloedverwanten, vrienden, en vooral van hunnen arts, duidelijk bemerken, dat zij onder de sterke verdenking leven van aan een beroerte te zullen sterven, en die, met dat al, door hun gestel genoopt worden al datgene te doen, te eten, en te drinken, wat volstrekt schadelijk is, dikker maakt, opstijging veroorzaakt, en het bloed op alle mogelijke wijzen aanzet; een dier gelukkigen die, zoo zij het des zomers warm hebben door zwaarlijvigheid, het winter en zomer warm hebben door drift, opvliegendheid en agitatie.
De heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ bewoog zich op bovenbeschreven brandendheeten vrijdagachtermiddag, omstreeks klokke vijf uren, langs een der straten van de stad, die ik niet genoemd heb, en zulks, de hitte des dags en zijn postuur in aanmerking genomen, veel te snel. Hij hield in de eene hand zijn hoed, en in de andere zijn gelen zijden zakdoek en zijn bamboes met ronden ivoren knop, met welken knop hij zich verscheiden malen in schutterige beweging tegen 't hoofd stiet, als hij den zakdoek gebruiken wilde. Achter hem aan huppelde een kleine straatjongen, die's mans overjas over den arm en zijn valies in de hand droeg, zonder hoed of pet op 't hoofd, met een blauw buis met een zwarten lap in den eenen, en een grijzen in den anderen elleboog, en waarvan de eerste knoop (een zwartbeenen) werd vastgehouden door het vierde koopsgat, terwijl de tweede (een geelkoperen), die op de plaats van de vierde stond, door het zesde werd bedwongen. Hij was zoo gelukkig in dezen warmen zomertijd geen kousen te dragen; als aan den ingang zijner klompen, en nog daarenboven hier en daar, merkbaar was.
"Nu, waar is het nu, jongen? waar is het nu?" vroeg de heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ ongeduldig.
"Dat eerste huis met dat platte stoepie," antwoordde de jongen; "de tweede deur voorbij den spekslager; naast het huis daar die spiegeltjes uitsteken."
"Goed, goed, goed," zei de heer Mr. _H. J. Bruis_.
De spekslager en de spiegeltjes waren achter den rug, en de dikke man stond op de stoep van Dr. _Deluw_, zijn academievriend, dien hij sedert zijn huwelijk niet gezien had; want de heer _Bruis_ woonde in een Overijselsch stadje, waar hij meester in de rechten, maar geen advocaat, echtgenoot, maar geen vader, lid van den raad en koopman was. Hij moest in Rotterdam wezen, en had een omweg gemaakt om op dezen heeten achtermiddag zijn vriend Dr. _Deluw_, diens vrouw, en diens kinderen te zien. Hij trok daarom haastig aan de schel, greep zijn valies, en nam zijn jas over den eigen arm.
"Daar mannetje! maak nou maar dat je wegkomt."
De jongen kwam weg, en wel op een draf; juist niet omdat het zoo warm, maar omdat hij een jongen was en een aardiger fooitje had gekregen dan hij verwacht had, waar daarenboven zijn vader niet van wist. In een oogenblik was hij de lange straat al uit, en stond, denk ik, hier of daar zich te vergasten aan een komkommer in 't zuur, een maatje "klapbessen", of eenige andere straatjongenslekkernij, waarvoor men fatsoenlijke kinderen nooit vroegtijdig genoeg afkeer kan inboezemen.
Intusschen ging Dr. _Deluws_ deur nog in lang niet open, en zag zich de heer _Bruis_ genoodzaakt nogmaals aan de schel te trekken. De schel ging deugdelijk over: en gaf blijken van een zeer helklinkende specie te zijn; maar de heer _Bruis_ merkte geen enkel geluid binnen de woning van zijn vriend, dat zijn gelui beantwoordde. Na nog eenige malen zijn voorhoofd afgeveegd en met den stok op de stoep getipperd te hebben, schelde hij ten derdemale, en begon tevens door de smalle, van achteren getraliede raampjes, die ter wederzijde in den post van de deur waren, in het voorhuis te turen; maar hij zag niets dan den slinger van een groote groene pendule, een guéridon met een leitjen er op, en een blauwe katoenen parapluie; daarop keek hij ook over de gordijntjes van de zijkamers, dat evenwel moeilijker was, daar hij door de franje van de trekgordijnen heen moest zien. Hij zag in de eene kamer duidelijk een inktkoker met twee lange schrijfpennen op tafel staan, en in de andere een mansportret; maar noch de pendule, noch de guéridon, noch de inktkoker, noch zelfs het mansportret konden den heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ de deur ontsluiten.
De heer _Bruis_ was ondertusschen nog warmer dan warm geworden, waar zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrachten. Hij schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de juffrouw naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang gezien had, "er akelig van werd", haar naaiwerk van haar knie losspeldde (zij moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en spanriemen niet aan), een bovendeur opendeed en aan den heer _Bruis_ verklaarde: "dat er niemand _in_ was."
"De dokter ook niet?"
"Neen, menheer."
"Mevrouw ook niet?"
"Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit zijn...."
"Waar zijn ze dan naar toe?"
"Dat weet _ik_ niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is alleen thuis."
"Waarom doet dan de meid niet open?"
"Wel, omdat ze der niet _in_ is, menheer."
"En je zegt, ze is thuis?"
"Ja, maar daarom kan ze der wel niet _in_ zijn," zei de juffrouw, sloot haar bovendeur, en zulks met te meer haast omdat haar witte poes zich juist gereed maakte over de onderdito te springen, en liet den heer _Bruis_ alleen, om, indien hij wilde, in stilte te gissen naar het verschil der termen "thuis", en "der in". Hij zou, indien hij er geduld toe had gehad, begrepen hebben dat "thuis te zijn" een plicht was, der meid door de familie _Deluw_ opgelegd, waarvan "der in" te zijn, naar haar eigene uitlegging, slechts een klein gedeelte uitmaakte.
Om dit op te helderen kwam er een stem uit een schoenlapperspothuis aan den overkant.
"Ze bennen in de toin," riep de stem, "en de maid is om een bo-skap. Daar komt ze al an."
Het woordeken _al_ had in dezen volzin, naar het oordeel van den heer _Bruis_, gevoeglijk kunnen gemist worden; maar werkelijk zag hij een niet onaardige meid aankomen, met een grooten sleutel in de hand en zoo gauw als zij, zonder in den draf te vervallen, gaan kon; zij kwam de stoep op, schoot ZEd. voorbij, sloot met voorbeeldelooze gezwindheid de deur open, en stond vóór hem op de vloermat.
"Wou u meheer gesproken hebben?" vroeg de meid.
"Ja. Mijnheer schijnt niet tehuis te zijn."
"Neen, meheer; meheer, en mevrouw, en de juffrouw, en de jongeheer en al de kinderen zijn Buiten, en ik ben maar alleen thuis om op de boodschappen te passen."
Nu, de heer _Bruis_ had gelegenheid gehad om zich gedurende een groot kwartier te verlustigen in de nauwgezetheid, waarmee deze doktersmeid, die intusschen een langdurig gesprek gevoerd had met de dochter van een fruitvrouw, die uit naaien ging en voor een opgeschoven raam zat, zich van dezen haren plicht kweet. Hij had evenwel te veel haast om verwijten te doen.
"Waar is Buiten?" vroeg hij: "is het ver? waar is het?"
"In de Meester-Jorislaan," antwoordde de meid.
"In de Meester-Morislaan,"--zei _Bruis_ met de alleruiterste verachting. "Wat weet _ik_ van de Meester-Morislaan?"
Daar was, naar het gevoelen der meid, meer aanmatiging in de houding en den toon van den heer _Bruis_ dan aan haar knap gezicht behoorde te beurt te vallen. Zij was dus billijk geraakt.
"Ik kan 't niet helpen dat u 't niet weet!" zei de meid droogweg, en maakte eene beweging met het slot, alsof de heer _Bruis_ nu wel heen had kunnen gaan.
De heer _Bruis_ veranderde van toon.
"Hoor reis, meisje! ik kom hier per diligence expres om den dokter en de familie te zien. Als 't nu niet te ver is, wil ik wel naar Buiten wandelen. Kanje 't me niet beduiden?"
Hij keek smachtend de straat door, of er ook nog een jongen was, die hem derwaarts brengen kon; maar niemand deed zich op.
De meid verwaardigde zich intusschen de vereischte inlichting te geven, en de heer Mr. _H. J. Bruis_ trok naar het Buiten van Dr. _Deluw_.
Toen hij een huis of wat verder was, bemerkte hij pas, dat hij zijn jas nog over den arm en zijn valies nog in de hand droeg.
Hij kwam dus terug, schelde nog eens aan, om een en ander aan de meid te bewaren te geven; maar _Grietje_ was waarschijnlijk alweer bij haar vriendin, en de heer _Bruis_ zag zich genoodzaakt, op dien brandendheeten vrijdagachtermiddag, zijn overjas en valies zelf te torsen, met het stellig voornemen om, zoo hij ooit zoo ver komen mocht van Dr. _Deluw_ te zien, zich bij hem over zijn meid te beklagen.
Tot 's mans geluk was de stad, die ik nog altijd niet genoemd heb, niet groot, en de heer _Bruis_ merkte spoedig genoeg de poort, die hij uitmoest, ofschoon het bestijgen en niet minder het afdalen van twee aanmerkelijk hooge bruggen hem vrij wat geknauwd had. Aan de poort gekomen had hij den gelukkigen inval zijn jas en valies aan de zorg van een commies toe te vertrouwen; hij trad daartoe het commiezenhuisje binnen, maar er was niemand in; daar hij evenwel een persoon met een grijze jas bemerkte, die aan den overkant van den singel stond te hengelen en er vrij commiesachtig uitzag, legde hij zijn goed maar neer, en zich daarop tot den visscher wendende, die inderdaad een commies was, liet hij zich meteen van dezen nog eens omtrent de ligging van de "Meester-Morislaan" onderrichten. Ik zou hem onrecht doen, indien ik zeide dat de heer _Bruis_ de onderrichtingen van _Grietje_ vergeten had, vermits hij er in zijn drift weinig naar had geluisterd. Hij moest "eerst een eindweg den singel op, dan een laan in, dan rechtsomslaan, totdat hij aan zoo'n wit paaltje kwam: dan weer links-, en dan weer rechtsom, en dan was hij in de Meester-Jorislaan".
"En het Buiten van Dr. _Deluw_?"
"Daar heb ik nooit van gehoord," zei de commies, "maar er zijn veel tuinen in. Hoe hiet het?"
"Veldzicht."
"Veldzicht," zei de commies, die verlangde van den heer _Bruis_ af te komen, daar hij aan zijn dobber meende te merken dat hij beet kreeg; "neen, menheer; dat is mij onbekend."