Chapter 12
De Slapers staan bij mij op den laagsten, den minst schuldigen trap van overlast. Hunne onaangenaamheid is voor drie vierden negatief. Maar, ziet ge, zij snorken somtijds;--en hatelijk zijn zij, als men ze voorbij moet met in- en uitgaan op de pleisterplaatsen,--en eindelijk, ze worden hoe langer hoe breeder! Hunne posteriores, hunne ellebogen, hunne knieën, alles zet zich uit;--en ik heb gereisd met slapende passagiers, die zich op een tocht van nog geen vier uren tot het dubbel van hun omtrek hadden uitgebreid. Voor het overige moet ik hen wel dragelijk vinden, aangezien ik den meesten tijd de eer heb tot hunne klasse te behooren.--Volgen de Rookers! Daar was een tijd, mijne vrienden! maar toen waren de Goudsche pijpen nog fatsoenlijk, en de blikken sigaarkokers en zilveren pijpjes nog in de mode; dat geen welopgevoed man, geen commis-voyageur, geen kwajongen zelfs (dat wel het onbeschaamdste slag van wezens is!) een blad tabak zou hebben aangestoken, zonder eerbiedig te vragen: "zal het niemand" of althans: "zal het de dames niet hinderen?" Hoe ook binnen 's kamers aan de pijp (die nu eenmaal den toenaam van "vaderlandsche" verkregen had) verslaafd, buiten 's huis rookte men niet dan bij gedoogen en goedkeuring met algemeene stemmen en, mocht men die wegdragen, men maakte er met kieschheid gebruik van; men rookte met zekere bedachtzaamheid, kleine wolkjes! Dit alles heeft tegenwoordig geen plaats meer. Ik zie de beschaafdste, de galantste, de humaanste onzer jonkers, de schuwste en beschroomdste onzer burgerheeren, de gemaniëreerdste onzer kantoorklerken met vest en sousvest, sans façon, met lichterlaaie pijp en brandende sigaar de trede van het rijtuig ophuppelen en, nadat ze vijf of tien minuten hebben zitten dampen, ter nauwernood vragen, niet: "zal 't niemand", maar: "'t zal immers niemand hinderen?" en zonder antwoord af te wachten, of zich te storen aan het hoesten van het liefste meisje der wereld, zoo 't het ongeluk heeft van niet mooi te zijn, met hun stankfabriek voortgaan. Onze dames ("zachtmoedig als ze zijn!") durven ook nooit meer neen zeggen.--Ik--o vloek dien ik op mijn hals haalde, en weer op mijn hals haal door het hier te vertellen; (bij de heeren, maar vooral bij de heele jonge heeren: ik ken er eentje dat verschrikkelijk is!) ik.... heb ééns neen gezegd. 't Was tusschen Haarlem en Leiden. Waarlijk, al de raampjes waren gesloten, en toch moesten er twaalf menschen ademen en zes sigaren in 't leven blijven; maar hoe werd ik mishandeld door den man die naast mij zat, en die dan iets op mijn hoed, en dan iets op mijn regenscherm, en dan iets op mijn voeten, en dan weder iets op mijn mantel, en dan weder iets op volstrekt niets te zeggen had; waarlijk, ik was mijn leven niet zeker.--Ook is de geheele wereld tegenwoordig op den voet van tabakrooken gebracht; die kunst behoort volstrekt tot het openbare leven, en al haar toestel is zoo portatief mogelijk gemaakt; ieder rijtuig is aan tabaksvervoer dienstbaar; alle sierlijke uitvoerigheden der rookkunst zijn ingekort;--geen klassieke, langwerpige, sineesverlakte tabaksdoos meer met de handteekening van den eigenaar in het deksel, maar tabakszakken van een vieze varkensblaas gemaakt, met een rood riempje aan het knoopsgat opgehangen. Om de waarheid te zeggen, zijn alle rokszakken tabakszakken, en wanneer gij een gezelschap fatsoenlijke heeren van onderscheiden kaliber en verdienste bijeen ziet, kunt gij er altijd op aan, dat zij door elkander gerekend stellig zes of acht stuivers waard zijn, alleen aan sigaren die aan hun lijf zullen worden gevonden. Geen kiesch sigaarpijpje meer, hetzij recht of gebogen, waardoor de rook als 't ware werd overgehaald,--neen, het afzichtelijk rolletje wordt, zoo als het uit de besp..kselde vingers van den tabaksverkoopersjongen komt, uit een papieren zakje te voorschijn gebracht en in den mond gestoken, opdat men er een tweevoudig genot van zou hebben, om van tijd tot tijd bezabberd en beknabbeld over te gaan in de handen van een ieder, die er een onzuiver vuur aan wil ontleenen. Geen reine, blanke Goudsche pijpen meer met een voorzichtig dopje gewapend; maar een leelijk, slangachtig, stinkend, pruttelend, door en door van vuiligheid doortrokken moffentuig. En dan die nieuwmodische zwavelstokjes, daar een mensch van opspringt als ze afgaan, en die een stankgas ontwikkelen, waarvan iemand het hart in het lijf omdraait! O, wanneer al deze schrikbeelden mij voor den geest komen; als mijn gedachte zich hier, in de zuivere atmosfeer van mijn studeervertrek, waar, sedert mijn haard goed is uitgebrand, niets is dat de verhouding van eenentwintig deelen levenslucht tot negenenzestig deelen stiklucht (nieuwste berekening) stoort; als, zeg ik, mijne gedachte zich hier in al die gruwelen verdiept, en wanneer ik bedenk dat ik nog dikwijls, zeer dikwijls in mijn leven mij die indompeling in het dampbad van kruiden van allerlei hoedanigheden zal moeten getroosten: dan waarlijk sluit mij het hart en beklaag ik mij over de wreedheid van mijn natuurgenooten--en--half en half over de zwakheid van mijn maag en de kieschheid van mijn gehemelte, die mij niet vergunnen (als onze vaderen zeiden) "toeback te suygen". Want gelijk men dieven met dieven vangen moet en leugenaars met leugens tot zwijgen brengen, zoo moet men, wordt er gezegd, ook rooken om rookers te kunnen uitstaan.
Ik kom tot de Praters, de babbelaars bij uitnemendheid. Zij zijn daarom erger dan de Rookers, omdat zij uw beter deel, uw hoofd en hart grieven, wat de laatste niet doen, tenzij ze u knorrig maken,--maar! ik hoop nogal dat gij een wijsgeer zijt. De Rookers maken u ziek, de Praters ongelukkig. 't Is waar, gij behoeft hen niet aan te hooren; maar wie heeft lust om een volslagen lomperd te zijn? Gij kunt u houden alsof gij slaapt; dikwijls ook richten zij het woord niet eens tot u: maar dan spreken zij zooveel te luider tot uw buur- of tot uw overman; ja, er zijn er, die hun schelle stem er op geoefend hebben, de stootendste wielen, de rammelendste portieren te overschreeuwen!
Stooten en rammelen! o Dat men in een land als het onze, waar de straatwegen zoo uitmuntend zijn, zulke slechte diligences maakt en gedoogt! Doch hier breng ik u de eer, die u toekomt, edele _Van Gend en Loos_, _Veldhoest en Van Koppen_, warme menschenvrienden! In uwe wagens zit men op breede banken; de plaatsen zijn ruim; de kussens en ruggestukken welgevuld; de bakken diep; de veeren buigzaam; de wielen breed; de portieren niet tochtig; de raampjes bescheidenlijk zwijgende; uwe vier paarden altijd in geregelden draf. Maar velen uwer collegae zetten ons in een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, harde, tuitelige doos, een soort van groote rammelende builkist op vier wielen; in de eene, hebben wij geen plaats voor onze dijen, in de andere, geen ruimte voor onze knieën; uit deze komen wij met bevroren teenen, uit gene met een stijven nek; wij rijden ons ziek, wij rijden ons hoofdpijn, wij rijden ons dóór; wij meenen gek te worden van het gesnor aan onze ooren en 't gedender aan onze voeten; en dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden, met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit te komen!
Dood of levend! Ja, daar is gevaar! In een land, waar de politie de tuigen der paarden en de lenzen in de wielen niet nagaat, en waar in de meeste plaatsen de vracht, die men oplaadt, niet gewogen of berekend wordt--hoe komt het, dat er nog zoo weinig ongelukken gebeuren?--
De stoomboot, zeide ik tot mij-zelven, en ik nam een plaats van Rotterdam tot Nijmegen, zal alles verbeteren en overtreffen; zij zal mij met de middelen van vervoer en met het reizen en trekken verzoenen; de snelle, de ruime, de gemakkelijke, de sierlijke, de gezellige, de rijke stoomboot! Is zij niet een vlottend eiland van genoeglijkheden, een betooverd stroompaleis, een hemel te water? Nu ja: het is een drijvend koffiehuis, zegt men wel. Voor kleine afstanden niets gelukkiger dan een stoomboot. Maar het is voor de groote, dat men haar noodig heeft. Zeg niet: men is er zoo goed als tehuis. 't Is waar, men zit er op breede banken met zachte kussens, aan gladde tafels, men kan er alles krijgen wat men verlangt, al doen wat men begeert. Maar dien korten schok, als van een paard dat hoog draaft, dien gemengden stank van olie en steenkolen, de duurte der verkwikkingsmiddelen, de aanmatigingen van den hofmeester, het slechte eten en de verveling, dit alles heeft men tehuis niet. Ik zei verveling--want waar ter wereld ontmoet men meer menschen, _die voor hun plezier reizen,_ dan op een stoomboot? en wat is vervelender dan hun gezelschap?
Reizen voor pleizier! o Droombeeld! o Hersenschim! Weten dan zoo weinig menschen dat reizen zoo moeielijk pleizierig zijn _kan!_ Neen; de mensch is geen trekvogel; hij is een huisdier; en de natuurlijke kring zijner genoeglijke gewaarwordingen strekt zich niet verder uit dan zijne voeten hem brengen kunnen. In beweging en onrust, in zich verwijderen van den grond daar hij aangehecht, de betrekkingen daar hij aan gewoon of verknocht is, kan geen geluk zijn. De natuur wreekt zich van dien moedwil. Zie die reizigers voor pleizier! Bij elk genot, dat ze smaken, verbeelden zij zich dat _dit_ het pleizierige nog _niet_ is, waarvoor zij zijn uitgegaan; daarom verheugen zij zich telkens als zij op de respectieve plaatsen hunner bestemming zijn aangekomen, schoon zij toch eigenlijk reizen om op weg te zijn; en in die gedurige jacht op een ingebeeld genoegen, dat nog komen moet, gaat hun tijd om in rusteloosheid en teleurstelling en tegenzin. Alles gaat hun voorbij; zij smaken niets. Maar te huis gekomen, bemerken zij dat zij een groote som gelds verteerd hebben en, omdat ze er zich over schamen, dringen zij zichzelven en anderen op dat zij een "allerliefsten", een "dolprettigen", een "allerinteressantsten" toer gemaakt hebben--ja, indien het denkbeeld en de zaak op die wijze niet in stand gehouden werden, zouden er jaarlijks eenige duizenden paspoorten minder worden afgegeven aan ongelukkige slachtoffers van een droombeeld, wie de reisduivel drijft en die niet weten wat zij willen. Ach, in de lieve zomermaanden, in de groote vacantie der hoogeschoolen, den rustiger tijd van den handel, als men zijn innerlijk leven recht en kalm zou kunnen genieten, zijn alle de wegen des vaderlands vol van jongelieden, die hun lief vertrek, hun gemakkelijk ouderlijk huis, hun welgelegen buitengoed, hun gezelligen kring, hun dierbaarste betrekkingen, hun nuttigst verkeer, in een opgewonden koorts verlaten, om voor pleizier een reisje te gaan maken! Zij komen terug, met een verbrand gezicht, een paar knevels, een gehavende plunje, een lastigen hoop vuil linnen, en een ledige beurs; de herinnering van doorgeloopen voeten, slechte bedden, weegluizen, stof, Engelschen, en afzetters. Zij hebben ook veel mooie natuur gezien. Maar de heerlijke, de dichterlijke, de opwekkende indrukken, daar zij op gehoopt, de onbegrijpelijke, zieldoordringende genoegens van het reizen, daar zij van gedroomd hadden, met en benevens de Duitsche schoonen, die op hen verliefd zouden zijn geworden, of de pikante baronesse, waarmee zij een avontuur zouden hebben gehad; de belangrijke, wereldberoemde geleerde, die hen _en amitiê_ zou nemen; de schatrijke lord, dien zij 't leven zouden redden; dit alles woelde in hun bont verschiet, in hunne droomen en mijmerijen dooreen--waar waren zij?--de echo antwoordt: "waar waren zij?"--Zie hen daar tehuisgekomen: moe van lichaam en moe van ziel; nog veertien dagen ongeschikt voor een geordend leven; zonder reisanecdoten, zonder dichterlijker of grooter hart dan waarmede zij zijn uitgegaan; zonder eenigszins belangwekkend te wezen; alleen opmerkelijk door een vreemd soort van pet, zooals in deze of gene buitenlandsche stad gedragen wordt; niets meebrengende dan eenige vreemde koperen munten, aardig om, tot een souvenir! te bewaren, een steentje van Rolandseck, een gedroogd bloempje van Nonnenwerth, en een vijftigtal: "o Zoo mooi's" en "Onbeschrijfbaar's!" en "je moet er zelf geweest zijn"; en "hier een berg, en daar een dal!" en "o die boomen!" en "o, die rotsen!" om u een rad voor de oogen te draaien, zichzelven te rechtvaardigen en, uit een soort van wraakneming, ook u te verleiden, om u als hen te laten teleurstellen.
Men vergeve mij deze uitweiding, alleen uit menschlievendheid gemaakt! om een aantal jonge juffrouwen en heeren in ons vaderland, die met een benijdend oog andere jonge juffrouwen en heeren, in de schoone zomermaanden zien op reis gaan, schoon zij 't overal slechter zullen hebben dan te huis; om een aantal fatsoenlijke menschen, wier drukke bezigheden hen verbieden zich anders dan met hunne zaken te vermoeien, te troosten; en een aantal anderen, en vooral jonggetrouwden, of die in 't volgend jaar trouwen zullen, die reeds een reisplan voor 't eerstkomende seizoen in hun hoofd hebben--("o! zoo'n allerliefst reisplan! overal eens kijken! van alles mee kunnen praten, in vier weken uit en thuis; het reizen gaat tegenwoordig zoo gauw!") in goeden ernst te waarschuwen voor de ellende, waarin zij zich gaan storten.
Dan, keeren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed. Men komt vroolijk en luchtig, lustig, frisch en vatbaar voor allerlei soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeglijk naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevreden naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk, de sofa alleruitmuntendst; het is een heele aardigheid zich op een vouwstoeltje te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men bestelt ontbijt; men praat, men lacht, men heeft anecdoten, stads- en staatsnieuws; men speelt met belangstelling een partij schaak; men is op zijn gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij ziet van tijd tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken en op dek komen, dit is de verveling nog niet; 't is de ongedurigheid die haar voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld is; men wil in de lucht zijn, men wil de mooie gezichtspunten niet verbeuren;--men blijft een poosje boven, links en rechts en voor en achter kijkende; het twijfelziek gemoed vraagt: "Amuseer ik mij?" De beurs antwoordt: "Ik wil het hopen". "Pour varier ses plaisirs", gaat men eens weer naar beneden. Men neemt een courant of een boek. Maar men is toch eigenlijk niet op reis gegaan om couranten of boeken te lezen. Men moet iets anders hebben dan thuis. Nu begint de leelijke verveling al, en de eene passagier verlangt dat de andere hem den tijd korte. De sofa's zijn niet gemakkelijk genoeg; op een vouwstoeltje, is een veel te ongewoon zitten; allengskens ziet gij, den een voor, den anderen na, weder op het dek komen, "'t Is beneden schrikkelijk benauwd." "Ja, dat is 't geval wel van een stoomboot". "Die kajuiten zijn laag." "Dat flikkeren van de zon op 't water, gij kunt niet gelooven wat een onaangenaam effect het door de glasruiten doet". "Jammer dat het zoo zonnig is en zoo waait." "Ik tref het nooit dat de tent opgezet kan worden." En nu zit men op de lantaren, en dan aan de verschansing, en dan bij het stuurrad; en dan loopt men weder heen en weer; en dan wordt de overjas aan-, en dan weer uitgetrokken. Nu is het een op- en nederklimmen zonder end, en de verveling in volle kracht. Uit wanhoop wijkt men van zijn leefregel af en maakt zich ziek met chocolade en bouillon en bittertjes en likeurtjes; het is als kreeg men een gevoel van vuilheid en onfrischheid over zich. Beneden strekken de reizigers zich uit op de zitbanken; boven loopen zij heen en weer; en gij kunt zeker zijn dat elk op zijn beurt eens bij de raderkast gaat staan, om een blik in de machine te werpen, waarvan hij niets begrijpt, met de woorden; "'t is toch een mooie uitvinding". De uren worden hoe langer hoe slepender. De horloges komen elk oogenblik te voorschijn; en de berekening; "hoe _veel_ uren nog" wordt gedurig gemaakt. Zoo slijt men een langen dag, waarin het etensuur alleen eenige tijdkorting geeft. Maar de gerechten zijn meestal slecht. Om kort te gaan, en opdat gij u niet evenzeer zoudt vervelen als onze reizigers: een goed half uur voordat de boot aankomt, als de plaats harer bestemming maar even in 't gezicht is, kunt gij zeker zijn alle menschen met jassen en mantels en pakkage klaar te zien staan, om toch vooral bijtijds gereed te zijn tot het verlaten van het hooggeloofd vaartuig. En dat _te vroeg_ is de laatste, niet de minste marteling voor den ongeduldigen geest. Zoodat een stoomboot ook al meer belooft dan zij geeft.
Maar nu houdt gij mij (ik zie het wel) na de lezing van dit alles, voor een ontevreden, knorrig, ongemakkelijk mensch, voor een ellendig pessimist, daar geen spit mee te winnen is, voor een akeligen Smelfungus, die niet reist dan met het land en de geelzucht, waardoor elk voorwerp dat hij ontmoet, miskleurd en verwrongen wordt!--Ik moet zoo billijk jegens mijzelven zijn van te verklaren, dat ik een geheel ander karakter heb. Integendeel, ik behoor tot de opgeruimde, vroolijke, zich vermakende naturen; ik schik mij in alles, mits ik aan alles een belachelijken kant mag zoeken, en daarover uitvaren en schertsen. Ik ga verder. Ik kan u betuigen dat ik een paar malen alleraangenaamst in een trekschuit heb gesmousjast; dat er omstandigheden zijn waaronder, en gedachten en vooruitzichten waarmede ik zeer gaarne in de diligence (ook in de allerslechtste, dat meestal mijn geval is) zitten wil; dat ik mij meermalen alleruitmuntendst op een stoomboot heb vermaakt, onder anderen ook, door al mijn reisgenooten uit te teekenen; dat ik dikwijls met veel, zeer veel genoegen gereisd heb; ja, dat ik, zooals ik hier zit, in mijn ruimen lederen leunstoel, in mijn wijde kamerjapon, bij mijn lustigen haard, in vrede en eensgezindheid met de geheele wereld, mij sterk gevoel om alle schippers, alle conducteurs en de geheele stoomboot-maatschappij recht hartelijk de hand te drukken;--dat eindelijk het gegronde vooruitzicht op de spoorwegen mij zoodanig verheugt en streelt en opwindt, dat ik, bij voorbaat reeds gelukkig, alle vaar- en rij-jammeren geduldig dragen wil en zonder morren uitstaan.
Spoorwegen! heerlijke spoorwegen! op u zal niet gerookt worden; want daar is geen adem!
Op u zal niet geslapen worden; want daar is geen rust!
Op u zal niet worden gebabbeld; want daar is geen tijd!
Zoo daar op u ook onaangenaamheden en jammeren zijn, zij zullen den tijd niet hebben ons te bereiken, wij, geen gelegenheid om ze gewaar te worden!
Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralie-net neder op onze provinciën!
Vernietigers aller groote afstanden! versmaadt de kleine afstanden van ons koninkrijkje niet!
Ja; laten de zangen onzer dichters het weldra in verrukte tonen uitgalmen:
"De spoorweg kwam, de spoorweg kwam!"
Laten de zakdoeken onzer schoonen u toegewuifd worden, de eere- en gedenkpenningen onzer Munt u tegenrollen!
Dan eerst als de Nederlandsche natie, langs uwe gladde banen, dagelijks door elkander zal geschoten worden als een partij weversspoelen, zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar vaderland heerschen!
November 1837.
GENOEGENS SMAKEN.
Uit de correspondentie met Augustijn.
"Of ik de Rotterdamsche kermis ben gaan bijwonen? De hemel behoede mij, hoe komt gij aan dat bericht? Wie is de booze lasteraar die mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne blanke, kermishatende ziel zoo zwart te maken in de oogen der menschen? Weet gij 't dan niet hoe ik reeds in den jare 1833, op den dag, waarop men in mijn geboortestad goedvond de kermis in te luiden, het akelige klokgebengel begeleidde met een improvisatie:
Voor mij geen kermisfeestgerel, Geen weidsch betiteld kinderspel, Geen dwaasheid op haar zegewagen, Bij raadsbesluit en klokgeklep Gerechtigd voor een tiental dagen, Wat eerlijk mensch er tegen hebb'?
o Laat mij, laat mijn ziel met rust! Wien 't aansta, mij ontbreekt de lust Om zooveel menschgetitelde apen, Zoo'n aapgelijkend menschenras Op straat en marktveld aan te gapen, Als of die klucht iets zeldzaams was!
"Weet gij wat een kermis is, _Hildebrand_? Het is een allerakeligste mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de charge der feestvreugde; het ideaal eener opwinding over niets; het tegendeel van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij wat een kermis is, _Hildebrand_? Het is de bacchantendienst der nieuwere tijden, de vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel groot marionettenspel, waarin wij ons vervelen en onze kleeren vuil maken. Geloof mij: de apen uit indië, de kemelen van den ernstigen Arabier, die men er op rondleidt, staan verbaasd van onze Hollandsche razernij, waarbij zich gierigheid en armoede beide vergeten, het verstand ijlt, de zedigheid haar leven waagt, de koelbloedigheid kookt, en de dwaaste lach zich met de vernuftigste tronie verdraagt. Wij voor ons hebben altijd, voor zooveel ons mogelijk was, den besmetten dampkring der kermissen gemeden en geschuwd; wij hebben ons geld en ons gezond verstand altijd te lief en altijd te weinig van beiden te verteren gehad, dan dat wij het te grabbelen zouden gooien in dien poel van triviale genoegens. Wij hebben ons altijd verbeeld dat de zakkerollers, weinig anders bij ons vindende, onze waardigheid stelen zouden, en de horoscooptrekkers ons 'quant-à-moi' ontsluieren; dat de goochelaars ons een deel 'goûts populaires' in den zak zouden moffelen; terwijl wij misschien den mantel van onzen ernst in den vauxhall hangen lieten, en ons vernuft voor een koordedanserspel werd geronseld."
Wat dat laatste betreft, mijn edele _Augustijn_! loopt gij groot gevaar; althans indien gij voortgaat in dezen stijl te schrijven. Waarschijnlijk, daar is iets zeer acrobatisch in! Het wipperige van het koord en het opgeschikte van den danser spreken er uit. En dan al die sprongen op eene breedte niet dikker dan mijn rotting! Waarlijk gij zijt geschikter voor de kermis dan gij denkt, en ik zou lust hebben er u rond te leiden en aan alle vroolijke feestvierders te laten kijken als "mijn dierbaren vriend _Augustijn_, lang één el, zeven palm, oud 26 jaren, een volmaakten kwast, maar van het schuwe soort. Dit zonderling dier verbeeldt zich nergens pleizier in te scheppen, waar een ander zich mede vermaakt; verstaat latijn en grieksch; leest alle mogelijke boeken; vindt ze geen van allen mooi; eet verschrikkelijk veel, maar wil 't niet weten; is goedig van aard, maar ontzettend kwaadaardig wanneer men het wil amuseeren; is reeds zevenmaal van aard veranderd; zal nog zevenmaal veranderen".