Camera Obscura

Chapter 11

Chapter 113,365 wordsPublic domain

_Pieter_ was kopje-onder geweest en tot het midden doornat. Hij zag er hartverscheurend uit; zijn druipend haar, zijn bleek en verwilderd gezicht, zijn zwarte, beslijkte handen!--Er was een algemeen medelijden; zelfs _Dolf_ deelde er in. De drenkeling werd in de schuit opgenomen, en er werd besloten naar de boerderij terug te varen om hem te drogen. Het zou dan wel te laat worden om in de kom te drijven, maar wij zouden nu in de boerderij onze ververschingen gebruiken en daarna, stevig door, naar huis roeien. Eerst nog werd de hoed van _Pieter_ achterhaald, en weldra zag de glundere boerin ons terug.

"Ze had wel docht," zei ze, "dat dat heerschop een ongeluk krijgen zou; want hij had er al-an dat ie bij de schoppel staan hadde zoo kniezerig en zoo triesterig uitzien, dat ze al in haar aigen zeid hadde: nou! dat komt nooit goed of met dat heerschop! Maar ze zou maar flussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gauw weer hielkendal op-eknapt zain; as meheer een hemd van haar man an wou hebben; meheer had maar te spreken," enz. enz.

Wij lieten _Pieter_ aan hare zorgen over en begaven ons naar de werf.

Het was ondertusschen halfzes geworden en, schoon 't nog zeer licht was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in den kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het eigenlijk was, in de maand October na den middag een watertochtje te beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden 't beter binnen te gaan. Wij werden alzoo in het beste vertrek van 't huis gelaten, waar het pronkbed was, een friesche klok en een dambord hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes, welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende's in den bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten stoelen neder en begonnen, nadat _Amelie_, die het op haar zenuwen zeide te hebben, een weinig bedaard was, rijnschen wijn te drinken en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli geweest ware.

Daarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een heele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven, zoo moet men ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige bijeenkomst of mislukte partij aan den gang te houden, dan juist diezelfde muziek en zang.

_Amelie_ zong verscheidene Duitsche romances, en zong ze waarlijk vrij goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed staan, maar die een leelijk meisje als _Amelie_ nog leelijker en metterdaad belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zoo teergevoelig een liedje geklonken, als de bleeke _Amelie_, met de vergeetmijnietjes aan haar boezem en den gitaar met het lichtblauwe lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in deze bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer teedere liefdeklacht met de dubbele herhaling van den laatsten regel besloot, die gedurig lager en doffer werd:

Zum kühlen Grab, Zum kühlen Grab, Zum kühlen Grab,

totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde woorden:

Zum kühlen Grab,

toen het lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vroolijke boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje:

Klompertjen en zijn wijfje, Die zouwen vroeg opstaan, Om eiertjes te verkoopen En na de markt te gaan.

Ze waren halverwege, Halverwege den dijk, Daar braken al der eiertjes, En 't bottertje viel in 't slijk.

Het speet er niet om de eiertjes, Maar om er mooien doek, Die ze gisteren nog gemaakt had Van Klompertjes beste broek.

"Dat's een weergaasch aardig liedje," zei _Dolf_, het venster openstootende en de dikke boeremeid aansprekende, die hare "purperen armen", als _Rotgans_ het uitdrukt, in de rookende waschtobbe stak, en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had; "dat's een weergaasch mooi liedje, _Trijntje_!"

"Ik hiet geen _Trijntje_!" zei de meid, schalk omkijkende.

"Hoe hietje dan?" riep _Dolf_, wien 't maar te doen was om een naam.

"Dat weet me moeder wel, hoor!" zei de meid, lachende en eene rij van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond versierd hebben.

"Kenje meer zulke liedjes, zoete?" vroeg _Dolf_.

"Loop," zei de boeremeid, wier naam haar moeder wel wist--"ik heb niet zongen; wat verbeel jij je wel?"

"Dat raam tocht vreeselijk," merkte _Amelie_ aan, die deze samenspraak om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het raam toe, en had _Dolf_ nog eens ingeschonken, of er klonk een nog vroolijker liedje uit den mond der frissche deerne; en wij luisterden allen:

Dans, nonneke dans! Dan zei ik je geven een muts. Neen, zei dat aardig nonneke, Ik heb er een van me zus. 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen, Dansen is men order niet; Nonnen, paters, paters, nonnen, Nonnen, paters dansen niet.

Dans, nonneke, dans! Dan zel ik je geven een huis. Neen, zei dat aardig nonneke, Daar ben ik niet van thuis. 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen, Dansen is men order niet; Nonnen, paters, paters, nonnen, Nonnen, paters dansen niet.

Dans, nonneke, dans! Dan zel ik je geven een zoen. Neen, zei dat aardig nonneke, Daar wil ik 'et niet voor doen. 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen, Dansen is men order niet; Nonnen, paters, paters, nonnen, Nonnen, paters dansen niet.

Dans, nonneke, dans! Dan zel ik je geven een man. Toen zei dat aardig nonneke, 'k Zel dansen al wat ik kan. 'k Wil wel dansen, 'k zel wel dansen, Dansen is men order wel; Nonnen, paters, paters, nonnen, Nonnen, paters dansen wel.

En nauwelijks was het liedje uit, of _Rudolf van Brammen_ gaf een fikschen klap op zijn stroohoed, zoodat hij in plaats van boven op zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en, zijn weemoedige zuster om haar paarsen spencer grijpende, tilde hij haar van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met haar door de kamer, onder het herhalen van het refrein:

Nonnen, paters, paters, nonnen, Nonnen, paters dansen wel.

De levenslustige _Christien_ stiet _Koosje_ aan, en de beide meisjes lachten achter haar zakdoek.

_Amelie_ zeeg "doodaf", en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in haar zij, op een stoel neder, maar op dit oogenblik ging de deur open, en de vroolijke _Dolf van Brammen_ schoot met dezelfde uitgelatenheid op den persoon van _Pieter_ af, die met een wijd duffelsch buis aan, een roode bouffante van _Teeuwis_ om den hals, en een pakje nat goed, in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm, binnentrad; en denzelven _Pieter_ oogenblikkelijk bij de linkerhand grijpende en zijn eigen rechter om _Pieters_ midden slaande, die vruchteloos zich poogde los te worstelen, galoppeerde hij met hem door de kamer, onder het juichen van die zelfde regels, die hem zoo bijzonder schenen te bevallen.

"Laat me los, _Van Brammen_!" riep _Pieter_, voor de eerste maal sedert ik hem kende zijne manlijkheid toonende; en met een fikschen zwaai wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een krachtsbetooning niet verdachten _Dolf_ van zich af en bijna tegen den muur. Deze evenwel, zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op, stak den van zichzelven verbaasden _Stastok_ den knop toe:

"Wil je vechten, kereltje? Ook goed. Trek reis aan dien stok! Zie zoo; jij den degen, en ik de schee: kom aan, _en garde, droit au fond_, asjeblieft!" En, zich in de positie stellende van iemand die schermen gaat, begon hij eenige parades te maken.

De dames waren zeer onthutst; maar _Christien_ kon haar lachen toch niet laten, en _Amelie_ was half in haar schik dat zij een zoo romanesk geval bijwoonde.

Ondertusschen leverde _Pieter_, met zijn fijnen stalen bril, zijne bouffante, zijn duffelsch wambuis, en het opgedrongen rapier vrij onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspel op, de teekenpen van een _Cruikshank_ overwaardig. Maar de pose duurde niet lang; hij wierp het staal verachtelijk weg.

"Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige _Pieter_.

"Daar hebje wèl gelijk in," antwoordde _Dolf_.

Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid alsof er een flesch werd opengetrokken, en daarna een ander alsof er een glas werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en _Hildebrand_ bood den beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan en de eervolle vrede werd gedronken.

Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór boomsluiten thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen geval noodig, daar wij verlof hadden het schuitje buiten den boom te laten, en er een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar toch moesten wij ons wegens den vallenden avond haasten. _Christien_ wilde dolgraag ook zelf eens roeien, en _Amelie_ gaf voor, gaarne eens aan 't roer te willen zitten. _Dolf_ ging op de achterste bank. Op de voorste kwam de vroolijke _Christien_ mij helpen en nam een der riemen zeer handig op. Zij kon tot dit werk haar mantel niet gebruiken, en stond er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan uit medelijden) op, dat de gemelde drenkeling dien nog over zijn duffel zou aandoen. Het was een schotschbonte. _Pieter_ liet zich bewegen; en in dat gewaad zette hij zich aan _Koosjes_ zijde in het schuitje.

_Amelie_ keek naar de lieve maan en de lieve sterren. _Dolf_ roeide en rookte om 't zeerst. _Christien_ had allerlei vroolijke invallen en plagerijen met mij. _Pieter_ was dus met het voorwerp zijner genegenheid zoo goed als alleen. _Koosje_ scheen zeer lief voor hem. Verscheidene malen hielp zij hem zich te beter in de plooien van den mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zij hem met een innig medelijden aankeek. Hij schoof dan ook inderdaad gedurig dichter en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op, en hij scheen werkelijk een teeder en aandoenlijk gesprek met haar te hebben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden, die ik tusschenbeiden op kon vangen, als daar zijn: "weetje nog wel van"--"blijde dagen"--"nooit zoo gelukkig meer worden"--"veel aan denken", en wat dies meer zij.

Dit duurde zoo voort totdat het ongeluk wilde, dat de heer _Rudolf Van Brammen_ zijn laatste sigaar had uitgerookt, en dus een ander tijdverdrijf behoefde.

"Kijk reis aan!" riep hij, het overschot in 't water gooiende, "kijk reis aan! _Pieter_ zit waarlijk te vrijen."

_Pieter_ bloosde en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den spreker, volmaakt als een schichtig paard, dat op den straatweg een hondewagen tegenkomt.--_Koosje_ bloosde, keerde zich om, en vroeg onmiddellijk aan _Christien_: "of ze niet moe werd van het roeien?"

Het was gedaan met _Petri Stastokii_ Junioris zaligheid; en daar ik naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en _Koosje van Naslaan_ heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat _Koosje van Naslaan_, in den laatst verleden herfst op haar vaders zilveren bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijnkooper uit een naburige stad, zoo houd ik het er voor, dat hier de droevige geschiedenis der eerste en teedere liefde van _Petrus Stastok_ Junior, student in de rechten aan de hoogeschool te Utrecht, en tegelijk die van 's mans eerste minnekoozerij, een einde neemt.

Wij waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf uren op de gele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik voor lang afscheid genomen van mijn oom en tante _Stastok_, en van al de kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst evenwel van _Keesje_, die mijn koffertje gekrooien, en van _Pieter_, die mij naar "de Rustende Moor" vergezeld had; terwijl ik, buiten de poort komende, nog gelegenheid had om uit het portier een groet toe te werpen aan den heer _Rudolf van Brammen_, die reeds dáár was om naar de oefening van een paar pelotons recruten te zien, die met bevende handen eene gezwinde lading ondernamen, waar zij ruim zooveel tijd aan besteedden, als hunne nijdige sergeanten tot die in vier tempo's noodig hadden, en waarover de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield.

VAREN EN RIJDEN.

Men is bezig in mijn vaderland spoorwegen aan te leggen. Het heeft lang geduurd eer men er toe komen kon. De plannen varen bij ons te lande altijd nog met de trekschuit; de lijn breekt wel zesmaal eer zij hunne bestemming bereiken: eindelijk komen zij er toch; maar hemel! wat duurt het lang eer de bagage aan wal en te huis is; eer de koperen stoof en de schanslooper en de parapluie aan den kruier zijn terhandgesteld. Wat mij betreft, ik ben een Hollander van ouder tot ouder, maar ik heb, bij andere onvaderlandsche ondeugden een recht onhollandsch ongeduld; schoon ik mijzelven het recht moet doen te verklaren dat er niemand zijn kan, die met meer kalmte dan ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt uit de war maken. Trouwens, dat is ook geheel iets anders. Voor al wat doen is heb ik het meestmogelijke geduld; voor langzaamdoen heb ik eerbied; maar nietdoen verveelt mij verschrikkelijk; ik kan niet wachten; geen lijdelijkheid! Het leven is er te kort en mijn bloed te gauw voor. "Festina lente!" Recte, sed festina!--Wat in 't bijzonder de spoorwegen aangaat: ik zit er sedert jaren pal op te wachten; niet omdat ik er een commercieel of financiëel belang bij heb; niet, omdat ik er een weddenschap over heb aangegaan; maar alleen omdat er tot nog toe geen middel van vervoer bestaat, dat mij bevalt, zoo met eigen rijtuig en postpaarden, waar ik, om voor mij zeer gewichtige redenen, slechts zelden gebruik van kan maken.

Voor zoover de trekschuit aanbelangt, heb ik mijn gevoelen reeds, half verraden. 't Is waar, men kan er in lezen, domino spelen, dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs schrijven; ofschoon op te merken valt dat het tafeltje in de roef daartoe wat te ver van de zitplaats verwijderd is. Maar met dat al: zoo gij beweert dat gij er op uw gemak zijt, houd ik u (met uw verlof) voor een mismaakt schepsel, voor een kleinen krates, niet hooger dan mijn knie; althans zeker niet voor een kerel van vijf voet zeven duim, als uw onderdanigen dienaar. Dan is er iets weeheidaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet,--maar vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en vallen eenstemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: "hoe ver zijn we al, schippertje?" en het eeuwige: "dat betalen moest je afschaffen", als de man om zijn geld komt!--Veroordeel de passagiers niet te lichtvaardig, zoo zij tot zulk eene laagte van geest afdalen. Neem zelf een "plaats in 't roefje", en gij zult zien dat gij onwillekeurig even diep kunt zinken. Zoodra men de trekschuit binnenstapt en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet, en zijn hoekje gekozen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van bekrompenheid, van kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over ons sluit, schaamt men zich geene enkele flauwheid meer. Men gevoelt lust om met belangstelling te spreken over het schelen der klokken, den prijs der levensmiddelen, of al weder het gewichtig vraagpunt te behandelen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen of wel een dutje te doen. Men heeft behoefte om te zeuren en te talmen over nietigheden. Ja, zoozeer beheerscht u de demon der plaats, dat hij u maar al te dikwijls verleidt, de afgezaagde voordeelen van een trekschuit op te sommen! Ook zult gij uwe reisgenooten altijd belang hooren stellen in het getal schuiten en diligences, die op een zelfden dag dien weg maken.--De treurige benauwde indruk, waaraan gij lijdt, wordt nog verergerd door de lectuur van het tarief, door het zien van het koperen blakertje, het driekante blikken kwispedoortje en alle verder klein huisraadje, en van de gewichtige voorzichtigheid waarmee de schipper eerst een sleutel uit zijn zak haalt; ten tweede het laatje van de tafel opensluit; en eindelijk ten derde, er een lange pijp uitkrijgt. Ik geloof niet dat iemand ooit ééne geestige gedachte gehad heeft in een trekschuit. Integendeel: de roef is de ware atmosfeer voor alle mogelijke vooroordeelen, de geschikte bewaarplaats van alle verouderde begrippen, de kweekschool van allerlei leelijke, lage gebreken. Daar zijn voorbeelden van menschen, die door te veel in trekschuiten te varen, lafhartig, kruipend, gierig, koppig, en kwelgeesten zijn geworden.

Over het algemeen is de roef alleen geschikt voor de lieden, die er voornamelijk het personeel van uitmaken, als daar zijn "fatsoendelijke" handwerkslieden die een teutig bedrijf hebben, zooals ivoordraaiers en horlogemakers; goede luidjes die een erfenis gaan halen, de vrouw met een broodje in den breizak, de man met een snuifdoos met speelwerk; jeugdige koekebakkers, die niet weten willen dat zij 't zijn, met een soort van constellatie op de borst, bestaande uit drie gewerkte koperen overhemdsknoopen en een schitterende doekspeld met een gelen steen à facettes geslepen, veel te groot om echt te wezen; kleine renteniertjes van vijftig tot zestig jaar, die zilveren pijpedoppen in palmhouten akertjes bij zich hebben; eerlijke boekhouders, die vijf en twintig jaar op een zelfde kantoor hebben gediend, en ten bewijze van dien, een zilveren tabaksdoos toonen met inscriptie; moeders met slapende kinderen, en die er "eentje t'huis gelaten hebben, dat nog maar acht jaar oud is, en al Fransch kan"; breiende huishoudsters, die "uwé" en "ik heeft" zeggen; kameniers, die voor hare mevrouwen door willen gaan en van _ons_ Buiten spreken, waaraan zij bij een of andere brug moeten worden afgezet, en waar, tot haar groote beschaming, een tuinmansknecht ze met een zoen ontvangt; halve zieken, die een "_profester_" gaan raadplegen; juffrouwen, die de vracht met een dertiend'half en een pietje passen; grappenmakers, die de geestigheid hebben over de verschrikkelijke gevaren te spreken, die de reis in trekschuiten inheeft; en ongelukkigen, die niet onder dak kunnen komen, tenzij ze aan een volgend veer "de schuit van achten nog halen kunnen"; om niet te spreken van de "groenen", een soort van schuwe insecten, die in de maand September alle de vaarten, die op akademiesteden uitloopen, vergiftigt.

Het personeel der diligence heeft een geheel ander karakter; over 't algemeen staat het meer op de hoogte van zijn eeuw. Il a plus d'actualité. Maar tevens is er meer verscheidenheid. Op de diligence reist gij met officieren in politiek; met studenten; met heeren die naar een audiëntie gaan; met schoolopzieners en leden van provinciale commissiën; met mannen van de beurs; met paardekoopers en aannemers in wijde blauwlakensche cloaks; met handelreizigers, schitterende door een breeden ring aan den voorsten vinger (meestal met een amethist); zij rijden achteruit, zijn zeer familiaar met de conducteurs, kennen de paarden bij naam en vergelijken voor u de betrekkelijke verdiensten der verschillende postwagenondernemingen; met dichters, die _een lezing_ gaan doen; met fiere dames, die 't half beneden haar stand rekenen in diligences te reizen en zich door stuurschheid van dien hoon wreken; met jonge meisjes, die verlegen worden en 't half kwalijk nemen als een vreemd heer beleefd jegens haar is; met weldadige tantes, die aan de plaats harer bestemming door een half dozijn kinderen, die zij sinds jaren bederven, worden opgewacht; met koopvaardij-kapiteins met lange Curaçaosche sigaren; met jagers, die meer bezorgdheid voor hun geweer dan voor uwe teenen koesteren; met woelwaters, die eeuwig tusschen de wielen zitten en u opsommen hoeveel land zij in ééne week gezien hebben; met een nauwgezetten heer, die uit gehoorzaamheid aan zijn lootje op nummer 1 _Moet_ zitten; met een dikken, aanborstigen heer, die alles open wil hebben, en met een dunnen, spichtigen heer, die den kraag van zijn jas opslaat, diep in een bouffante kruipt, van 't "méchante weer" spreekt, en u wil laten stikken; met individu's, die zichzelven voor bemind vleesch houden en overal kennissen aantreffen; met ontevredenen, die over alles knorren; dikwijls met een kind, dat een halve plaats beslaat, of een hond waarvoor gij bang zijt, te veel, en dikwijls, o! zeer dikwijls! met een beleefd mensch te weinig.--Ziedaar den gewonen inhoud eener diligence!

Onder deze lieden zijn er zeker vele, die tot de ongerieven van deze manier van reizen moeten gerekend worden, en ik stel voor, hen in drie klassen te verdeelen, en alzoo te brengen tot:

Slapers, Rookers, en Praters.