Camera Obscura

Chapter 10

Chapter 103,784 wordsPublic domain

Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf werelddeelen, die in staat was aan mejuffrouw _Debora Stastok_, en in 't algemeen aan alle teederhartige moeders in geheel D., een grooter schrik aan te jagen, dan diezelfde naam _Dolf_, die den niets kwaads vermoedenden lezer onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan de volkomener vormen: _Adolf_, _Rudolf_, of des noods _Ludolf_; maar welke naam aan mejuffrouw _Debora Stastok_ en, zoo als ik zeg, aan alle teederhartige moeders in geheel D. niet anders voorkwam dan als een kort begrip der eeretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap, deugniet en leeglooper; immers hij behoorde aan den persoon, met wien ik reeds in het koffiehuis de "Noordstar" de eer had gehad kennis te maken, in één woord aan den heer _Rudolf van Brammen_, die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugenden kwâjongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle avonden puisje vong en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren te Leiden, op naam van Jur. Stud., in dien toestand had verkeerd, die men aldaar _sjouwen_ noemt, zonder dat zijn vader destijds recht begreep wat hij er eigenlijk deed dan veel geld verteren, terwijl hem echter naderhand bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de liefhebberij van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij, nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede te Leiden) den vereerenden naam van _dweilen_ geven zou, tot groote ergenis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens van hem worden zou dan de heer _Rudolf van Brammen_ zelf. Hij deed evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel, woonde alle publieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen na, wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen, en was zeer populair.

Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het hooren van den enkelen naam van dezen onmensch een koude rilling over haar rug gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder de kornet te berge rezen.

"Wat is er nu weer met hem gebeurd?"

"Gebeurd!" riep _Pieter_ mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden, onder zijn bril: "niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien."

En hij zag mij stijf in 't gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze Jobstijding te doen beseffen.

"Als hij maar een dame meebrengt," zei ik--"dan is 't mij wel."

"Ja, daar komt het door aan. 't Is zijn zuster; die malle meid! _Christientje_ heeft haar verteld dat ze met _Koosje_, en mij, en een Leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld ook mee. Als _ik_ ook reis wat doen wil!..."

"_Koosje_, en mij en een Leidsch student!" _Pieter_ zou in ieder ander geval gezegd hebben: _Koosje_, een Leidsch student, en mij; maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de plaatsen aldus te schikken.

"Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meegaan van de zuster, die bij de bevolking van D. eene verontschuldiging was voor de tegenwoordigheid van den broer: "_Meeltje_ is een heel ordentelijk meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal. Daar moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee."

"Och, mijn plezier is er nu alweer af," bromde _Pieter_, en verliet de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te gaan knutselen.

Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende heeren _Dolf_ en _Pieter_ wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-student van zijn zuster _Amelie_ in last had, niet om op een dadelijke wijze haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar "als hij _Pieter_ zoo reis tegenkwam", zoo eens zijdelings te hooren of het niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets 't welk zij zonder twijfel reeds aan _Christientje_ beloofd had _in allen gevalle_ te zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat _Dolf_ evenzeer overtuigd was _Pieter_ _in allen gevalle_ tegen te zullen komen, indien namelijk _Pieter_ zich maar een oogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was ettelijke uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden, bij welke gelegenheid hij in 't geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf en bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat hij _Pieter_ net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel van _Van Drommelen_, een paar prachtige puimsteenkleurige glacé handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde _Van Drommelen_ reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde, en 't welk hij _Pieter_, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel mij voor dat zijn gesprek met een "Je gaat zoo uit varen?" begonnen, en dat daarop heel gauw gevolgd is: "Jongens, je hadt mij en me zuster ook wel eens mee kunnen vragen"; waarop _Pieter_, zonder aan eenige mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld onmiddellijk had gezegd: "dat 's goed!"

"Hoe laat _ga_ jelui?"

"Half vier."

"Dat is wel wat vroeg; maar 'k zal er wezen. _Amelie_ brengt haar gitaar mee. Tot van middag!"

Er gebeurde dien dag iets in 't huishouden van mijn oom, dat nog nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van neef _Hildebrand_, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten voet bij oom kreeg; en toen wij verzadigd waren, ging _Pieter_, onder vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, _Koosje_, en ik _Christientje_ afhalen.

Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden kunnen of willen wonen, was _Christientje_, of laat ik liever zeggen _Christien_, want zoo werd zij altijd genoemd door die haar kenden, wel de ongeschiktste. Zij was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zoo fikschen greep aan, en lachte zoo glunder over 't mooie weer en 't prettige plan en 't frissche van 't water, dat ik mij heel veel van haar voorstelde, en alleen maar vreesde dat _zij_ zich te veel voorstelde van de pret.

Wij hadden het schuitje in den singel laten brengen en derwaarts had _Keesje_ den rijnschen wijn getorst. Ik kwam juist met _Christien_ ter bepaalder plaatse, als _Pieter_ er ook verscheen; _Koosje_ ging nevens hem; hij had haar geen arm durven aanbieden, en zij had werk zijn groote stappen bij te houden.

De knorrigheid van _Pieter_ scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij den jeugdigen _Van Brammen_ met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een grooten huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaardoos droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. _Dolf_ had voor deze gelegenheid een gelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond, droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtgeknoopten rok met glimmende knoopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegenheid minder te pas komende, had thuis gelaten, en hij had een gelen degenstok in de hand, die hij om dezelfde reden thuis had _kunnen_ laten. _Amelie_ wier peettante eigenlijk _Meeltje_ geheeten had, was zeer bijzonder gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde, waar een groene rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde kleur en stoffe als haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met een breeden rand van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten staken in nanking slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine voet en fijne enkel maakten, benevens hare handjes, de voornaamste schoonheden van de magere _Amelie_ uit, die een lang bleek gezicht had, met groote groenachtige zwemmerige oogen, welke zij evenwel, of omdat zij bijziende was, of omdat zij het schijnen wilde, zoo dicht toekneep dat men wedden zou dat zij niets zag. Zoo als zij nu naast haar buikigen broeder voortschreed, maakte zij in mij de gedachte aan den eersten droom van koning _Farao_ zeer levendig.

De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lieftallig; die van _Van Brammen_ zeer vroolijk.

"Bonjour, heeren!" heette het.--"Ik heb ongemakkelijk veel gegeten hoor! Jongens, dat is een knap schuitje; waar haalje dat van daan, _Piet_? _Hildebrand_, ik heb je nog gezien toen je groen was; je hadt een kaneelkleur jasje aan, allemachtig leelijk. Kijk hier; een haakje ook!" En het haakje opnemende velde hij het als een speer, en maakte de handgrepen van _Pieter_ te willen doorsteken.

"Heiwat!" zei _Pieter_, die alweer zoo kwaad was als een spin.

"Hoor reis!" zei _Dolf_, in het schuitje springende: "Ik ben de dikste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand ook wel reis roeien, dat spreekt; maar jijlui moet beginnen; vindje 't goed, _Hildebrand_?"

"Best," zei ik.

Ik nam de taak van ceremoniemeester op mij, en plaatste mij op de achterste roeibank. _Pieter_ zou vóór mij gaan zitten, en dan op de zijbankjes, bij zijn rechter knie, het mooie lieve _Koosje_, zijn eerste liefde, en bij zijn linker de "magere ende zeer leelijke van gedaante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet gezien was in den ganschen Egyptenlande", met de gitaar onder de bank. Daarnaast, of naast _Koosje_, naar verkiezing, de vroolijke _Christien_, die met alles tevreden was; _Dolf_ aan 't roer.

"Maak 'em nou maar los, vrind!" riep _Dolf_ tegen _Keesje_: "braaf man! dat mag je reis weer doen"; en het haakje opnemende stiet hij van wal en stuurde met veel handigheid naar het midden.

_Pieter_ en ik vielen aan 't roeien; maar het bleek duidelijk dat de eerstgenoemde het of nooit meer, of in lang niet gedaan had.

"Je hoeft den singel niet uit te diepen," riep _Dolf_ hem al heel gauw toe, daar hij de riemen met een hoek van bijna negentig graden in 't water plantte. "Je moet over 't water scheren als een meeuw, man."

"Ik weet het heel wel," zei _Pieter_, en hief den rechtschen riem hoog op, om te _toonen_ dat hij 't heel wel wist, maar vergat den linker, dien hij zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte, met dat gevolg, dat de rechterriem bijna geen water raakte, maar wel met hevigheid tegen mijn dito aansloeg, en hij zoo groot een kracht deed met den linker, dat de schuit ronddraaide.

"Ho wat, _Pietje_!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl _Koosje_ lachte, _Christien_ proestte, _Amelie_ een klein gilletje gaf. "Ho wat, _Pietje_! je moet er den gek niet mee gaan steken, man; we zouen zoo wel reis naar den grond kunnen tollen."

_Pieter_ wenschte van harte, dat _Dolf_ onmiddellijk in 't water gevallen en naar den grond getold ware.

Het roeien is zulk een heksewerk niet; het kwaad was spoedig hersteld en, met hem een weinig te gemoet te komen, kon ik maken dat _Pieter_ binnenkort al vrij wel slag met mij hield. Wij roeiden den singel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien nog veel makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water, _Koosje_ was allerliefst, _Christien_ alleruitgelatenst, _Amelie_ allersentimenteelst. _Pieter_ zelf kwam bij. Maar wat hem zeer hinderen moest, was dat de beide eersten als aan den mond van _Dolf_ hingen, die allerlei grappen vertelde, en voor dezen, die toch een _mauvais sujet_ was, veel meer aandacht overhadden dan voor hem zelven, die eerstdaags een candidaatsexamen dacht te doen, _summâ cum laude_; een leed, door menig eerzaam jong mensch onder dergelijke omstandigheden diep gevoeld. De dames zullen beter weten dan ik, hoe het komt dat zij er reden toe geven. Maar zelfs het zedige _Koosje_ luisterde met alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer _Dolf_ nu eens een liedje zong, dan eens den voorzanger uit de Groote Kerk nabootste, dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooide, dan weder een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrijmoedigheid en oprechtheid haar een complimentje maakte; en ik zelf vond hem werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig.

Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet zeggen vleeschelijke, maar toch eigene) zuster van _Dolf_ met vele van 's mans grappen bekend was, en ook wegens de nadere bloedsbetrekking niet zoo zeer van ZEd. gecharmeerd wezen kon als de beide andere dames, zoo gebeurde het dat zij _Pieter_ in een zeer druk en zeer poëtisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht, en het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zij verklaarde veel sympathie met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet afkeerig te zijn van het denkbeeld van in een nonnenklooster te gaan, of op zijn minst een Zuster van Barmhartigheid te worden, een soort van dreigement van meisjes van de jaren en de bloedsmenging van de magere _Amelie_; en zij overstroomde den goeden _Pieter_, die zich inmiddels van jaloezie verbeet, met een regen van edele, teedere, heilige, en smelterige gevoelens; bij welke gelegenheid zij hare oogen op eene bijzondere wijze wist op te slaan, net precies alsof zij een goede kennis had in de maan, die alreede als een wit vlekje aan den hemel stond; dan zuchtte zij ook weer eens, als personen die een verborgen verdriet hebben; en dan zag zij, bij een of ander zeer boekachtig gezegde, over _Pieters_ schouder naar mij, die van het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had, van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren.

"Maar wil ik je nou niet reis aflossen, men lieve galeiboeven?" vroeg _Dolf_ ons met hartelijkheid nadat we een goed half uur geroeid hadden. "Ik zit hier maar sigaartjes te rooken aan 't roer."

"Hoor," riep ik hem toe, "ik zal je zeggen wat het plan is. _Pieter_ heeft me gesproken van een boerderij, waar we aan kunnen leggen om iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen."

"Ja wel, bij _Teeuwis_," viel _Dolf_ in, met al de snelheid van iemand die alle dergelijke inrichtingen van buiten kende.

"En zoo lang moeten _wij_ nog maar aan de riemen blijven. Dan zullen we wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom terug, die we daar zoo pas zijn voorbijgegaan. Daar zullen we dan wat in gaan drijven."

"O ja," riep _Amelie_, "dat is lief; ik ken niets aangenamers dan drijven."

"Ja!" zei ik, "en dan zullen we alle weelden vereenigen; wij zullen zien wat er in ons mandje overbleef, en wat er in uw gitaardoos is."

"Dat is heerlijk!" riepen de dames. "Ja, _Amelie_, je moet zingen en spelen."

"Ja maar, weet je wat," zei _Dolf_, "ik zal ook zingen, hoorje! Ik ken heerlijke liedjes.--_Amelie_! je moet het niet te veel op de maan gooien, hoor!"

_Amelie_ zuchtte over haar broeders ongevoelig hart.

Nog een slag of vijftig en wij waren aan de boerderij.

Wij stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van _Pieter_, die van de riemen en van _Amelie_ verlost was. Het eerste deed hem evenwel bijna nog meer genoegen dan het laatste. Hij had het onverstand gehad, met zijn puimsteenkleurige glacéhandschoenen te willen roeien, die nu als vellen om zijn vingers hingen en, daar hij de riemen veel te stijf had vastgehouden, had hij vrij aanzienlijke blaren in de handen. _Dolf_ hielp de dames uit de boot, bij welke gelegenheid hij iets heel streelends van _Christiens_ voetje zei, en een aardig drukje in _Koosjes_ handje gaf, dat zij beiden wel heel ondeugend, maar toch niet heel onaangenaam vonden. Hij liet de zorg voor zijne zuster aan den ongelukkigen _Pieter_ over.

De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buitenloopen om ons welkom te heeten en te zeggen dat we binnen moesten komen. Maar wij verkozen een tafeltje op de werf te hebben, om immers zoo veel mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten! Dit geschiedde; en hoewel er 's winters, als er schaatsen gereden werd, van alles te krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die dan ook in groote glazen overdadig vloeide. Want de wijn werd, op de schikking der dames, epicuristisch geheel voor de drijvende zaligheid bewaard. _Dolf_ vroeg onder veel grappen om een beetje jenever met suiker; en _Pieter_ maakte zijn zakdoek in een kopje melk nat, en hield het verzachtend vocht tegen de blaren in zijn hand.

Er was een schommel aan den anderen kant van het huis, en _Dolf_ noodigde de dames tot zijne genoegens. _Christien_ had er een dollen zin in, en _Koosje_ ging ook mede, en _Pieter_ volgde natuurlijk. _Amelie_ hield er volstrekt niet van, en kreeg er "zoo'n ijselijken steek in de zij" van. Ik bleef dus om haar gezelschap te houden met haar aan ons tafeltje zitten, dat mij wonder wel beviel, daar ik moe van 't roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag.

Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veel te zien. Wij zaten aan een vrij verveloos tafeltje, waarvan maar drie pooten den grond raakten, op eenen door kippen en hanen omgewoelden grond, van een aarden dijkje aan drie kanten omgeven, en hadden het uitzicht op een vrij groote kroosgroene eendekom, een loods, en een zeker ander klein gebouwtje. Het duurde een heele poos, eer een kleine leelijke bastaard van een mop en een fikshond geheel ophield uitvallen van vijandigheid te plegen; maar wat het tooneel eenige schilderachtigheid bijzette, waren drie kinderen, waarvan het oudste, een meisje van een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden, op schoot had, terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren met spierwit haar, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond zich aan den rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar ons en dan weer vertrouwelijk naar de eenden

Het waren deze lieve kinderen, die _Amelie_ in staat stelden al de liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te toonen; zij trok dus den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken.

"Wel liefjes! kijk jelui zoo naar de eendjes?"

De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen antwoord.

"Hoeveel van die lieve diertjes zijn er wel?"

Geen antwoord; maar eenige verwondering in 't oog van 't zesjarig meisje; want op 't boerenland noemt men een eend geen diertje.

"Hou je veel van de eendjes?"

Zelfde stilte.

"Is dat je jongste zusje?"

Stilte als des grafs.

_Amelie_ zag dat zij met deze Arkadische kleinen niet vorderde, haalde de schouders op, en zweeg.

"Onze zeug het ebigd," zei het meisje opeens, uit zichzelve.

"Wat _zegt_ het schepseltje?" vroeg _Amelie_, voor wie deze inlichting volkomen onverstaanbaar was.

"Zij zegt iets dat haar zeker hoog op 't hart ligt, juffrouw _Van Brammen_," zei ik, "ze vertelt dat het wijfjesvarken.....in de kraam is gekomen."

_Amelie_ kreeg een kleur, voor zoover haar vel daartoe in staat was.

"Ze zijn in de boet [11]", zei de kleine jongen, zich oprichtende en een paardebloem plukkende, waarmee hij herhaalde malen op den grond tikte. "Veertien."

Ik stelde _Amelie_ voor, de kraamvrouw te gaan zien; want ik vond het pikant een sentimenteel meisje in een boerenloods bij een zeug met veertien biggen te brengen.

Maar zij had er geen zin in, en scheen eenigszins gebelgd over het voorstel.

De schommelaars kwamen weerom, met kleuren als boeien.

"Hè!" zei _Christien_, haar voorhoofd afvegende, "dat 's prettig geweest; maar _Dolf_ had ons bijna laten vallen. Het ging dol hoog."

_Pieter_ had niet mee geschommeld, zijne beblaarde handen hadden hem niet toegelaten de touwen vast te houden; _Dolf_ en _Koosje_ hadden neus aan neus op het plankje gestaan, en hij had het genoegen gehad ze op te geven.

Toen de dames een weinigje waren uitgerust, stelde ik voor weer aan boord te gaan, om zoo spoedig mogelijk naar de kom te roeien, waar wij zouden drijven, drinken, en dwepen. _Dolf_ moest op de achterste roeibank, ik op de voorste, en _Pieter_, met zijn beblaarde handen, aan 't roer.

_Christien_, die door 't schommelen door 't dolle heen geraakt was, had een razenden lust om te gaan wiegelen; maar de gebeden van _Koosje_ en de zenuwachtige gillen van _Amelie_ weerhielden haar; en daar _Dolf_ een goed roeier was en ferm slag hield, waren wij al heel spoedig nabij de kom der genoeglijkheden. Reeds haalde ik de riemen in, en liet _Dolf_ alleen nog maar met de zijne spelen; reeds gaf ik mijne aanwijzingen aan _Pieter_, hoe hij het roer moest wenden om de kom in te draaien, toen de liefderijke _Amelie_ eensklaps aan den rechter-oever een plantje of zes nog laat bloeiende vergeetmijnieten in 't oog kreeg en uitriep:

"Och, mijn lieve mijnheer _Stastok_, wilje me een groot plezier doen, stuur dan reis even naar die vergeetmijnietjes; ik ben dol op vergeetmijnietjes!"

Haar wensch geschiedde, en wij waren in een oogenblik bij de hemelsblauwe bloemekens, waarvan de vraag was. _Amelie_ plukte ze allen op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap uit, zoodat wij in een oogenblik ieder met zulk een levend albumblaadje in ceintuur of knoopsgat pronkten.

Toen wij nu zoo mooi waren, wilden wij weer heen; maar de schuit scheen nog veel grooter liefhebster van vergeetmijnietjes dan _Amelie_ zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot de struik waarvan zij waren geplukt, tot het stuk grond waarop zij gebloeid hadden. Met andere woorden: wij zaten op land.

Te vergeefs, zoo wij poogden los te raken: de schuit zat vast en bleef vastzitten; er scheen geen verwikken aan; het speet _Amelie_ "verschrikkelijk" dat zij de oorzaak van dit oponthoud was; _Christien_ vond het daarentegen "ijselijk aardig"; wij manspersonen werkten ons half dood, en zaten dan weer een oogenblikje neder om krachten te herkrijgen. In een van die tusschenpoozen begon _Dolf_ ons bij den Zwitserschen Robinson te vergelijken.

"Hoor eens," zei hij, "_Koosje_! als we hier voor eeuwig blijven, moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" En hij maakte een beweging; om haar de hand te kussen.

Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige _Petrus Stastokius_ Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele verontwaardiging opnam, tegen den wal zette, en er met zooveel geweld en zoo groote inspanning van krachten op neerviel, dat de schuit plotseling losraakte en achteruitstoof, terwijl de edele bewerker van dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hij; alleen zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasje zweefden boven de golven, en de merkwaardige _Petrus Stastokius_ Junior, zich op zijne handen op den bodem des waters ophoudende, hield het beslikte, maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite boven. Zijn hoed dobberde op de ongewisse baren. Het was verschrikkelijk.

Een ieder, die ooit in de zaligheden van een roeischuitje met de schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de plotselinge indompeling van _Petrus_ op onze dames maken moest. Hij hoort ze allen gillen, hij ziet ze allen opstaan, elkander, en ook zelfs ons, in de armen knijpen, en zeggen: "O G..!" Zijne verbeelding slaat alle pogingen gade, die zij gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hij heeft een denkbeeld van onzen toestand.

"Zitten!" riepen _Dolf_ en ik tegelijk; "in 's hemels naam, blijft zitten!" en in een oogenblik staken wij de riemen aan bakboordzij in den grond, om het verder afdrijven van het schuitje te beletten. "_Pieter_, jongen! je bent nou toch nat; we zullen je met het schuitje volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen; kruip maar op je handen naar wal."

Hij deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hij op het terrein der gezegende vergeetmijnietjes.