Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
CAMERA OBSCURA
Van
Hildebrand.
Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum. Horatius.
Negen en twintigste druk.
Haarlem De Erven F. Bohn.
1917.
De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en, met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt.
_Anonymus_ _in libro non edito._
VOORBERICHT, ZESDE DRUK; 1864.
Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar van 1839, de _Camera Obscura_ hare intrede in de wereld deed. De pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud, ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen, zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen 't halfjaar een _tweeden_ druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in 't voorjaar van 1840 het licht zag. Toen, elf jaren later, een _derde_ druk noodig werd, had hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu (1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een _vierde_ wettige uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook de tot nog toe hier en daar _Verspreide Stukken van_ _Hildebrand_ aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858 uitgeput en maakte plaats voor eene _vijfde,_--en zie hier nu de _zesde_, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk- en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze _zesde_ uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.
Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in deze _zesde_ uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks of niet geboren, toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen, meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem, zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende; maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en op menige plaats onverstaanbaar te doen worden?
De mannen, die met den Schrijver het jaar van den "Volksgeest" beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken zien pralen, dat--eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest oprijzen die nationale "_tunica's_", waarop de eerste nommers van het nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van "nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen een Nederland _zonder_ spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas _met_ verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der periodieke pers, als in "_Gerrit Witse_" beproefd is! Wat weet het van baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar van de Industriëlles van Bertolotto, _De Avondbode_, de _woestijn_ van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine aanteekening wel overbodig zijn?
Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij de tegenwoordige uitgave reeds in deze "dringende behoefte" te voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als de behoefte nog dringender, de _notennood_ nog hooger gestegen zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij in geen opzicht hebben verdiend.
De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: _Een Beestenspel_, dat reeds in den _Studenten-Almanak_ voor 1837 een plaats vond, en _Vooruitgang_, opgenomen in het October-nommer van _De Gids_ van dat zelfde jaar.
Wat _Een Beestenspel_ betreft, ik hoop dat het _Nederlandsch Woordenboek_ zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke instelling, welke het groot publiek zich verhardt _Apentuin_ te noemen, en die door beschaafde lieden _Artis_, door niemand _Diergaarde_ geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels uitgediend. Het "hybridisch" stukje _Vooruitgang_ dankt aan dit zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef en--ter zijde legde... "De Heer G. schijnt te hechten aan den steller, wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een regter"--vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen. [1] Dit was en olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de _Camera Obscura_ misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.
Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft; terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd.
Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve vertalingen van enkele episoden (die van _Keesje_ en van de _Verguldpartij_) in het Bngelsch in _Fraser's_ en in _Chamber's Magazine_ (1854), en in het Fransch in de _Revue des Deux Mondes_ (1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van _Gerrit Witse_, in het Hoogduitsch in _Die Niederlande_ door _Dr. Alb. Wild_ (1862), zag eene volledige overzetting van de _Camera Obscura_, gedeeltelijk onder den titel van: _Scènes de la Vie Hollandaise_ (1856), gedeeltelijk onder dien van _Chambre Obscure_ (1860), te Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk, in _deze_ vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht tot _deze_ vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met de "leerwijze van Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting met "la doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen, dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: _nooit_ voorzeker zal hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije vertaling: "Le nom de la garde (_Baker_) est une preuve évidente--qu'il ne faut pas avoir d'accès aux étoiles (_ster_) pour faire connaitre le titulaire d'un emploi féminin par excellence". Ik ben benieuwd te weten wat de Fransche _gardes_ er van gemaakt hebben [2].
1 October, 1864.
H.
BIJVOEGSEL, VEERTIENDE DRUK; 1883.
Ziedaar het voorbericht der _zesde_ uitgave, in deze _veertiende_ wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel afgedrukt. In de _zevende_ (1871), met den _Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel_, en met het _Laatst_ en weemoedig _Bijvoegsel tot de Narede en Opdracht aan_ den in datzelfde jaar ontvallen _Vriend_ vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening toe van den volgenden inhoud: "Deze opgave kon, bij gelegenheid van den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden, daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk, Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne _reisherinnerinqen_ uit de _Camera Obscura_ te putten. (Zie _Im Neuen Reich_ 1871, N°. 18)" [3]. Wat echter, volgens deze aanteekening, voor de _achtste_ uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende, teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans aldus zou kunnen luiden: "Wat er ook streelends moge zijn in de eer zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in 't Deensch en Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan: voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van eigen land- en taalgenoot" [4].
Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent het nog niet bereikt zijn van het _noodpeil_ voor ophelderende aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde, en "zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen." In den laatsten tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan begint te denken, in de meer en meer "dringende behoefte" eenigszins, in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.
Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu _veertiende_ uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend _Johannes Dyserinck_.
Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot, heeft onder hare duizenden de _Camera Obscura_ niet gevonden. Hare _dertiende_ uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier voortreffelijke monographie, welke, eerst in _De Gids_ verschenen, later in "vermeerderden herdruk" afzonderlijk uitgegeven is [5]. In dit keurig opstel worden het leven en de lotgevallen, zoo in den Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en door den Schrijver der _Camera Obscura_ hooggewaardeerde uitdrukking gevonden.
Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste oplettendheid door den heer _Dyserinck_ aan de onderlinge vergelijking der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan, waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen, door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht zijnden, thans in 't licht verschijnenden, _veertienden_ druk, en zich daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend _Dyserinck_ te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te hebben, meende hij dan ook ditmaal het "_met zorg_ herziene" op den titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van (niet slechts _druk_-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.
Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen, die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen _deze_ uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt, niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring niet onthouden.
1 November, 1883. H.
Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de, 18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20_ste_ uitgave, aan het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering, dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de gevoelde en sedert steeds "dringender" gebleken "behoefte", in het najaar van 1887, door zijn "_na vijftig jaar_, _Noodige en overbodige Opheldering van de Camera Obscura_", naar vermogen voldaan is. Een _tweede, geheel herziene druk_ zag daarvan in het voorjaar van 1888 het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.)
1 Juli, 1900.
INHOUD.
Jongens. 1 Kinderrampen. 5 Een Beestenspel. 13 Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. 19 Humoristen. 33 Familie Stastok. 36 De Aankomst. 36 De Ontvangst. 38 Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen. 42 Het Diakenhuismannetje vertelt zijn historie. 49 Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te passeeren. 57 Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan. 71 Varen en Rijden. 88 Genoegens smaken. 98 Een Oude Kennis. 103 Hoe warm het was, en hoe ver. 108 Hoe aardig het was. 110 Hoe voortreffelijk zij was. 115 Verre vrienden. 120 Narede, en Opdracht aan een vriend. 129 Eerste uitgave. 129 Tweede uitgave. 131 De Familie Kegge. 135 Een treurige inleiding. 135 Kennismaking met menschen en dieren. 139 Een juffertje en een mijnheer. 150 Vaderangsten en kinderliefde. 156 Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn, en voorts iets droevigs. 165 De Grootmoeder. 173 Een Concert. 177 Ochtendbezoek en Avondwandeling. 188 Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij voor ditmaal niet helpen kan. 195 Het Hofje. De heer van der Hoogen af. 201 Een groote Hans en Adellijke Heer. Besluit. 209 's Winters buiten. 214 Gerrit Witse. 227 Studentenangst. 227 Oudervreugd. 233 Meisjeskwelling. 237 Vrienden-hartelijkheid. 244 Dokters lief en leed. 260 Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan een Vriend. 267 Laatste Bijvoegsel. 269
_Verspreide stukken van Hildebrand_.
_De Gids_, Jaargang 1837, 1838. _Proza en Poezy, Verspr. Opstellen en Verzen._ Haarl. 1840.
Vooruitgang. 273 Het Water. 279 Begraven. 284 Eene Tentoonstelling van Schilderijen. 292 De Wind. 302
_Souvenirs d'un Voyage à Paris_, par _J. Kneppelhout_. Leyde, 1139.
Antwoord op een brief uit Parijs. 305
_Leeskabinet_, Jaarg. 1811 (_De Patrijzen._)
Teun de Jager. 308
_De Nederlanden. Karakterschetsen enz._, 's Gravenhage, Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841-1842.
De Veerschipper. 320 De Schippersknecht. 323 De Barbier. 326 De Huurkoetsier. 329 Het Noordbrabantsche Meisje. 332 De Limburgsche Voerman. 335 De Markensche Visscher. 338 De Jager en de Polsdrager. 341 De Leidsche Peuëraar. 344 De Noordhollandsche Boerin. 347 De Noordhollandsche Boer. 350
_Ook het volgende stukje was voor _De Nederlanden_ bestemd en reeds in handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijnt dus te dezer plaatse_ (1854) _voor het eerst in druk, om het dozijn schetsjes vol te maken._
De Baker. 353
_Hollandsche Illustratie 1865/1866._
Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel. 356
JONGENS.
Hoe zalig, als de jongenskiel Nog om de schouders glijdt! Dan is het hemel in de ziel, En alles even blijd.
Een hout geweer, een blikken zwaard Verrukken 's knapen borst, Een hoepel en een hobbelpaard, Dat draagt hem als een vorst.
Voor u de geur van 't rozenbed En Filomele's zang! Hij speelt kastie, dat 's andre pret! Met rozen op de wang.
Niets, niets ter wereld doet hem aan Of baart hem ongemak, Dan stuiters die te water gaan, Of ballen over 't dak.
Frisch op maar, jongen! vroeg en spa, Den lieven langen dag! Loop over 't veld kapellen na, Zoo lang het duren mag
Haast zult ge op school gekortwiekt zijn; Uw vreugd loopt snel naar 't end; Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn, En Weytingh tot torment.
Het oorspronkelijke is een lief versje van _Hölty_, die er wel meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder een Neurenburger legprent "Knabenspiele" zou passen, dan onder de voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk, de Hollandsche jongens _zijn_ een aardig slag. Ik zeg dit niet met achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche, of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat _Potgieter_, in zijn tweede deel van "het Noorden", over de Zweedsche, en wat _Wap_ in het tweede deel van zijne "Reis naar Rome", over de Italiaansche in 't midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde _spes patriae_.
De Hollandsche jongen;--maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van krijgertje,--twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen, om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in 't ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een _schoffel_ en een _klap_ leeren berekenen?--ik verzeker u dat hij nagelt, mevrouw! een _nagelaar_ is hij, en een _nagelaar_ zal hij blijven:--wat kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?--Ook draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet UEd. wat UEd. van uw lief _Fransje_ maakt? 1°. een gluiper; 2°. een klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken, en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen zonder een buil of een schram,--hij zal een groot man worden.