Borneo van Zuid naar Noord

Part 46

Chapter 463,626 wordsPublic domain

Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing aan dien blik, het was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht, naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.

Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen, wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit; maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren. Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde plekken van den lijder.

Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten der flotille medegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was, gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken. Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg naar het bosch in.

De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich. Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken, in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn toestand eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam, waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik; zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die, evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting afgesleten was, prevelde hij:

„Olo bapoeti!” (een blank mensch).

Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden, hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:

„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder) lispelde hij bijna onhoorbaar.

„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.

„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder afzonderlijk de hand schudde.

Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.

De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd, waarop zijn aanvaller uitroepende: olo bapoeti, zich op hem geworpen en hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om door de redding van een withuid weer op een meer vredelievenden voet met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het „toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à drie m.m. indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van twee rijen gaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou. Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met citroensap, hetgeen den patiënt woest deed huilen en tieren van pijn. Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door de onverdraaglijke pijnen, die hij te verduren had, had hij zijn bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich omringd door zijn makkers.

„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier. Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”

De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld, dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar geteekend.

Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en kinderen, dat niets bijzonders aanbood, maakte een ieder zich tot vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende de flotille de Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede, om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag gezworen; maar.... de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt. Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als dat nu geschied was.

XXXI.

Triomftocht.—La Cueille’s neus opgewreven.—Tweestrijd van het Poenanhoofd en Hamadoe’s beslissing.—Souvent femme varie.—Ruilhandel.—Goudzoeken.—La Cueille in vervoering.—Hoe de schatten mede te nemen.—Een nieuwe wijze van handeldrijven.

Twee maal vier en twintig uur later lag de flotille onzer vluchtelingen voor kotta Rangan Hanoengoh vastgemeerd en waren de reizigers aan wal gestapt. De reis had veel vlugger kunnen volvoerd worden, maar de vaart op de soengei Miri was een ware triomftocht geweest. Onze vrienden hadden te kotta Ohas en te kotta Behio moeten overnachten. Overal waren zij met geestdrift ingehaald en het aantal Otdanom’s en Poenans, dat zich om La Cueille verdrong, om den man te bewonderen, die bergen kon doen vuurspuwen, was soms zoo groot, dat de zedigheid van den Waal gevaar liep te gronde te gaan. Alle meisjes, die verloofd waren, alle maagden, die hoopten verloofd te worden, alle getrouwde vrouwtjes, die in de blijde verwachting waren, en alle, die daarin hoopten te geraken, dus alle vrouwelijke wezens op de oudjes en de kinderen na, verdrongen zich om den grooten man met het doel hem te kunnen aanraken, opdat iets van zijn heldhaftigheid in haar mocht varen, hetgeen volgens aller overtuiging op haar nakomelingen zou overgaan. De Waal was wonderwel in zijn schik in dien bekoorlijken kring en stak zijn beide handen uit, om aan de vriendelijke uitnoodiging tot aanraking te voldoen. Zijn ijver werd evenwel aanmerkelijk getemperd toen een der oudste en leelijkste vrouwen van den geheelen troep hem bij de ooren greep en haar mopneus tegen den zijnen op en neer wreef met een kracht en een ijver alsof zij een ouden schoen poetste. Nu begon hij te begrijpen, dat de lasten van zoo’n heldenbaantje wel eens de baten konden overtreffen. Hij wrong zich dan ook los uit de omhelzing en ontvluchtte een kring, waarin zijn ijdelheid zich zoo gestreeld gevoeld had.

Al spoedig na aankomst had Wienersdorf een onderhoud met Harimaoung Boekit gehad, waarin hij zijn levensloop aan den Poenan medegedeeld en hem ook in kennis gesteld had van de beweegredenen, waarom hij en zijn makkers van Kwala Kapoeas waren weggeloopen, voor zoover dat natuurkind die zou kunnen begrijpen. Men kwam overeen dat de vier blanken hun landaard steeds stipt geheim zouden blijven houden. Die geheimhouding was noodzakelijk, want, beweerde het Poenanhoofd, tegenover de waarde, welke Europeesche schedels in die streken hadden, was niemand te vertrouwen. Maar nu de huwelijkskwestie? Harimaoung Boekit verlangde, dat die in de eerste plaats zou besproken worden. Zoolang hij den aanstaande van zijn geliefde zuster voor een Dajak had aangezien, had hij met innig welgevallen ontwaard, hoe Hamadoe zich aan den man harer keuze gehecht had; maar met nog meer belangstelling had hij de kleine attenties gadegeslagen, waarmede Dohong zijn uitverkorene bij iedere gelegenheid als overstelpt had, waaruit de innigste liefde en de volkomenste waardeering van het beminnelijke kind te bespeuren waren. Maar nu hij wist, dat die man een blanke was!? Sedert had hij somwijlen behoefte om een vreeselijke gedachte te verjagen en moest hij zich geweld aandoen, om zich te herinneren, dat hij het bloed van dien man gedronken had, dat zij broeders waren en dat hij hem meermalen de redding zijns levens te danken had. Eindelijk riep hij zijn zuster, zij moest uitspraak doen. En toen zij verklaarde, dat zij dien blanke liefhad, dat zij gereed was heinde en ver met hem te trekken, om lief en leed met hem te deelen, toen sloot de Poenan haar in de armen en was de moordduivel in hem verwonnen.

Alsnu werd bepaald, dat het huwelijk tusschen de beide jongelieden zoo spoedig mogelijk zou voltrokken worden, waarna de Europeanen onmiddellijk de reis zouden vervolgen, om de noordkust van het eiland te bereiken. Maar met dat reizen en trekken was alweer de dag van volle maan verstreken en, hoewel Hamadoe zich met een christen ging verbinden en er minder aan hechtte op welk tijdstip de vereeniging plaats zou hebben, zoo moest zij zich toch aan den wensch haars broeders onderwerpen, die gaarne zoude zien, dat het huwelijk geheel volgens de gebruiken zijns volks voltrokken werd. Er moesten dus nog vijf en twintig dagen verloopen, alvorens de plechtigheid voltrokken zou worden. Middelerwijl zou alles daartoe in gereedheid gebracht worden.

Van het andere voorgenomen huwelijk, dat namelijk tusschen La Cueille en Moendoet, zou niets komen. Sedert die geschiedenis met den pediculus capitis, waarvan de Waal beweerde nog het gekrieuwel op zijn tong te voelen, was een merkelijke verkoeling tusschen die twee ontstaan, die in een volslagene breuk overging, toen het meisje vernam, dat zij eenmaal gehuwd zijnde, haar echtgenoot verweg zoude moeten volgen en haar stam- en bloedverwanten vaarwel zeggen. Dat was te veel van haar gevergd. Zij had ook de oorveeg niet vergeten, die de Waal haar zoo goedsmoeds toegediend had; zoodat beiden zonder veel hartzeer van elkander afzagen. Het duurde niet lang of de wufte schoone had het aanzoek aangenomen van een befaamden koppensneller, die haar een risje bekkeneelen kon aanbieden, die haar hart streelde en dan ook met een bekoorlijken glimlach aangenomen werd.

„Souvent femme varie, bien fou qui s’y fie,” pruttelde de Waal, toen hij die verloving vernam, onbewust de woorden herhalende van een Fransch koning, die beweerde veel vrouwenkennis opgedaan te hebben.

Johannes had middelerwijl die gebeurtenissen met een aandachtig oog gadegeslagen, en hoewel hij het uitstel van ruim drie weken om de reis te vervolgen betreurde, nam hij er toch genoegen mede. En te eerder, wijl hij zich dien tijd hoopte ten nutte te maken, ten einde oude plannen te verwezenlijken om de financiëele positie van de maatschap, welker hoofd hij nog steeds was, te verbeteren. Hij herinnerde den Poenan zijn beloften met betrekking tot de bezoarsteenen en verkreeg van hem na eenig onbeduidend dingen in ruil voor de zes kanonstukjes, door de deserteurs medegevoerd tweehonderd van die ingewandsteenen, die hij te Singapore te gelde hoopte te maken. Harimaoung Boekit stelde evenwel als voorwaarde, dat de Europeanen dat geschut op zijn kotta op de doelmatigste wijze in batterij zouden stellen en zij zijn Poenans in de bediening daarvan zouden onderwijzen. Allen hielpen daaraan volijverig en La Cueille werd opgedragen een artilleriecursus te openen, hetgeen deze volgaarne op zich nam.

Het waren fraaie bezoarsteenen, welke in ruil voor die kanonnetjes geleverd werden. Er waren er bij van buitengewone grootte. Toen de Europeanen dan ook hun schat monsterden, kwamen zij volmondig tot de erkenning, dat Johannes hun zaken wonderwel bestuurde. Die groengrauwe erwten, die daar in een klapperdop voor hen lagen, en waarin zij met de hand wroetten, vertegenwoordigden een som van veel meer dan 20,000 gulden. Johannes vertelde hun, dat hij ook een overeenkomst met den Poenan getroffen had omtrent de te Kwala Hiang buitgemaakte geweren en dat hij daarvoor honderd thaëls stofgoud zou ontvangen.

„Cré matin!” schreeuwde de Waal, „dat is 6000 gulden of 150 gulden per stuk! Ik wou hier wel een geweerfabriek oprichten. Maar... die honderd thaëls gevoegd bij de batoe boehies geeft een totaal van ruim 26,000 gulden. Wij komen aardig in onze nopjes.”

„Maar dat is nog niet alles,” lachte Johannes. „Ik heb èn met Harimaoung Boekit èn met Amai Kotong afgesproken, om morgen goud te gaan zoeken. Wij zullen ons daarmede onledig houden, zoolang wij hier vertoeven, en zooals mij verzekerd is, zal dat bedrijf ons geen windeieren leggen. Dan hebben wij nog onze koopmanschappen, die van de hand moeten gezet worden. Laat mij maar begaan en gij zult zien, dat ik ook daarmede naar wensch slagen zal.”

Zoo als gezegd is, zouden onze avonturiers den volgenden morgen het goudzoekersambacht beginnen. Maar van het oogenblik af, dat zij tot die afspraak gekomen waren, vergde Harimaoung Boekit van hen, dat zij alle formaliteiten zouden in acht nemen, om de wraak van de sarok boelau onschadelijk te maken. Hij wenschte niet andermaal de koorts op het lijf gejaagd te krijgen. Zoo mochten de goudzoekers gedurende het tijdperk, dat zij zich met dat bedrijf bezig hielden, nimmer een vuur, vooral een steenkolenvuur naderen, nimmer gaan zitten met afhangende beenen, b.v. op een boomstam of op den rand eener prauw; gingen zij zitten, dan moesten zij steeds de beenen kruiselings onder het lichaam gevouwen hebben; zij mochten geen staal of ijzer aanraken; bij het baden nooit het gelaat stroomopwaarts keeren, enz. enz. Onze vrienden beloofden, dat alles stipt te zullen betrachten.