Borneo van Zuid naar Noord

Part 45

Chapter 453,673 wordsPublic domain

Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking, gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen, werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt. Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een verachtelijk scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.

Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan den rand en.... werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden, hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten, wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal vijanden steeds grooter en begonnen zij zich reeds om het plateau te verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort..... daar weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd, bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd. De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.

Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek, werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had. Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen La Cueille op, tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het baantje van held niet onaangenaam.

Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden [141]. De gekwetste Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke tooneelen, die daarmede gepaard gingen.

Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes met een paar Dajaks langs de boomen naar beneden, waarlangs zij straks naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.

XXX.

Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.

Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer, verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en kokenden stroom, die, van boven af gezien, zich als een band van glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was, daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel meer te halen dan het onverschillige:

„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te doen.)

Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar.... de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers, waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende rotsblokken in den grond geploegd hadden, waren allerwege verpletterde menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren. En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die woudloopers den blik af en haastten zich voort.

Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.

Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan, overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat bosch, aanboden. Op sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast lieten.

„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”

Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd. Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden, terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen. Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen. Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.

„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”

„En.... wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem gedood?”

„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is besloten hem bij Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”

„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de ongeduldige vraag des Zwitsers.

De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag, bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.

Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze schutters naar omstandigheden zouden kunnen handelen. Alvorens evenwel op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten, verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken, terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had moeten neerschieten.

„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de moins.”

Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der gevallenen in de mandjes der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.

Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan, maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden. Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven, totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.

Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er niet aan te denken, het vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil: „eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!

Maar.... wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf getroffen te worden bloot.