Borneo van Zuid naar Noord

Part 30

Chapter 303,760 wordsPublic domain

Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken, sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas was.

„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van mij.”

„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden. Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u toegezegd hebben.”

De Poenan lachte verachtelijk.

De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:

„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader Tomonggong! wat komt gij hier doen?).

Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen. Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:

„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen maakte hij beenen. De beide Europeanen gaven hem nog een paar schoten met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.

„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”

De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:

„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is er.)

Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:

„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”

„Hoe dat zoo, Tomonggong?”

„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”

„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”

„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden, maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians gehoord.”

„Nu, Tomonggong,” viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”

De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.

„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar.... maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen te dringen.”

„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen buitengewoon warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden avond betrokken lucht hadden. En... zeg eens Andingkoe! zou dan de kans niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot dankbaarheid te geven?”

Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken, over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.

Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?

Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde, verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe Naning [95] verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen, toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der herinneringen kon de officier niet uit het hoofd bannen, dat hij zich, op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon, Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar Borneo terug te keeren.

Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.

Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd met een zucht:

„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”

„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen, te kunnen benutten.”

„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”

„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.

„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.

„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai Kotong maar te spreken krijgen.”

„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”

„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit ontwaard.”

„Wie heeft er op u geschoten?”

„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”

De luitenant glimlachte.

„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u niet willen dooden.”

„Dat Hatallah hen dan zegene!”

„Amen,” lachte de officier.

Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.

Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den anderen kant beveiligde datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te zijn hem te vangen.

Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker, daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande, in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander leggen.

Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik makende, had de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der vrouw schoten eenigen der bezetting toe. Een tweede, een derde, een vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker weinig bespeurden.

Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de vlammen hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten; hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond loopen.

„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende stem.

Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen. Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de halstronken, zoo lekker was het.

Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af. Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de versterking om op het riviertalud post te vatten. Het vormlooze geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk, waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een monstertol ronddraaide.

Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.

Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil voor den stroom afdrijven.

Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht. Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem over de watervlakte weerklonk.

XXI.

Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.

„Ohoi! Amai Kotong!”

„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.

„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat). „Ik breng tijding van de bevolking van daar.”

Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.

Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen. Hij kon nog slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.

Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies den laatsten adem uit.

Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den „talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig geluid den geheelen nacht door.

Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn voorhoofd zeven stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd het lijk in de raoeng (voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.