Borneo van Zuid naar Noord

Part 29

Chapter 293,854 wordsPublic domain

Maar Nikodemus greep hem bij de hand en dwong hem weer te gaan zitten, terwijl hij hem door het gezag zijner grijze haren het zwijgen oplegde. Eenigszins verbaasd had de luitenant dat tooneel, hetwelk slechts weinige seconden duurde, aangestaard. Hij gevoelde, dat hij in zijn toespraak te ver was gegaan. Een pijnlijk stilzwijgen, een stilzwegen dat bij Oostersche volken welsprekender is dan de vurigste ontboezeming, heerschte gedurende een paar minuten tusschen die drie mannen. Eindelijk vatte Tomonggong Nikodemus het woord:

„Deze woorden van straks deden pijn,” sprak hij met diep bewogen stem, „maar zij zijn niet uit het hart voortgekomen; daarvan ben ik overtuigd. Mijnheer is nog jong en heeft zich nog niet gewend zijn gedachten te overdenken, alvorens ze van zijn mond te laten ontglippen. Hij vergeve een oud man, dat hij hem dat zegt. Die woorden waren ondoordacht, want zelfs die randjoe’s, die wolfskuilen zijn nog geen bewijzen voor het geuite vermoeden. Ik heb ze ook waargenomen, niet door een kijker, maar met mijn oude oogen. Door het hooge gras en achter struiken verborgen, ben ik voortgeslopen en heb bevonden, dat de bamboe der randjoe’s nog groen, de omgewerkte grond nog vochtig en het gras, dat de kuilen nog slechts gedeeltelijk overdekt, onverlept is. Die randjoe’s zijn gisteren of hoogstens voorgisteren geplant en de wolfskuilen zijn niet vroeger gestoken. Dat alles is het werk van de laatste vier en twintig uren.”

„Ge verliest geheel de geaardheid uwer landslieden uit het oog, Tomonggong,” sprak de luitenant eenigszins heftig, hoewel hij de weerlegging met blijkbaar welgevallen aangehoord had. „Zoudt ge mij willen doen gelooven, dat de lieden van kotta Djankang zooveel geestkracht en arbeidzaamheid aan den dag gelegd zouden hebben, om in betrekkelijk weinige uren hunne versterking zoo in staat van verdediging te stellen?”

„Ik heb in mijn leven sterker stukken gezien. Als de nood aan den man is, dan kunnen mijn stamgenooten veel; dat weet Mijnheer.”

„Maar waar is die nood?”

„Weet ik het? Heer.”

„Onmogelijk konden de menschen van kotta Djankang weten, dat wij komen zouden. Ge weet het, Tomonggong Nikodemus, hoe spoedig die reis is opgekomen.”

„Neen, daarvan konden ze niets weten. Maar Mijnheer vergeet de deserteurs. Dat die te kotta Djankang een toevlucht gevonden hebben, is voor mij boven allen twijfel verheven. Hoe zij zich daar ingenesteld en de bevolking naar hun hand gezet hebben, is mij een raadsel, dat beken ik. Maar onder hun invloed is alles tot stand gekomen, wat thans Mijnheer’s verwondering wekt. Zij hebben dien arbeid geleid.”

De luitenant dacht een oogenblik na:

„Ja, ’t zijn stoutmoedige kerels,” mompelde hij onhoorbaar, „die tot alles in staat zijn. O, ik heb ze nog niet.”

En zich tot de beide hoofden wendende, sprak hij, terwijl hij hun gul en vertrouwvol de hand toestak:

„Andingkoe! (mijn jongere broeders) ge kunt gelijk hebben. Vergeeft mij mijn woorden van straks; maar mijn hart was bitter; ik dacht toen aan de arme kampongbewoners, die ik tegen die versterking zal moeten aanvoeren; ik dacht aan het bloed, dat reeds gevloeid heeft, en nog vloeien zal, tengevolge van die verwikkeling met kotta Djankang.”

Beide Tomonggongs bogen het hoofd en drukten de aangeboden hand met warmte. De Dajak is niet haatdragend. Hij vergeeft en vergeet zeer spoedig, wanneer men hem slechts één schrede te gemoet komt.

Het drietal zat daar nog te beraadslagen, te wikken en te wegen, toen eindelijk, eindelijk de afgezant voor hen trad. Alle drie sprongen op. Op aller gelaat was de grootste spanning te lezen. De bode reikte eerbiedig het pakje, in het pisangblad gewikkeld en waarvan hij drager was, aan den luitenant over, met de woorden:

„Djetoh Toean” (dat is voor Mijnheer).

De officier greep driftig dat pakje, ontknoopte zenuwachtig het touwtje, ontwikkelde het pisangblad en verbleekte, toen daaruit de papiersnippers, die hij heel goed herkende, ontsnapten en vroolijk in den wind dwarrelden.

„En welke boodschap brengt ge mede?” vroeg hij hijgend.

„Geen andere dan deze: wanneer ik weer zoo’n brief durf te brengen, ik in kleine stukjes gehakt zal worden. Toen ik dat hoorde, ben ik gauw weggeloopen.”

„Wie sprak zoo tegen u?”

„Een groote lange Dajak, dien ik niet ken.”

„Hebt ge blanken gezien?”

„Neen, Heer.”

„Hebt ge Amai Kotong gesproken?” vroeg Tomonggong Nikodemus.

„Neen, men heeft me niet in de kotta toegelaten.”

„Aan wien hebt ge dan den brief afgegeven?”

„Aan Dalim, die met dien langen Dajak naar buiten kwam, om te vernemen, wat ik wilde.”

De Tomonggongs en de luitenant wisselden een langen blik.

„Zoo, hebt ge Dalim gezien?” vroeg de officier.

„Ja, heer.”

„Ook gesproken?”

„Ja heer.”

„Waarom hebt ge dien brief aan hem afgegeven,” vroeg Nikodemus, „ik had u zoo aanbevolen dat geschrift aan niemand anders dan aan Amai Kotong te overhandigen?”

„Ik wilde ook eerst niet anders, dan de Tomonggong mij bevolen had; maar toen zei Dalim, dat ik weer kon gaan van waar ik gekomen was, dat ik niet in de kotta zou toegelaten worden en dat ik Amai Kotong niet te zien zou krijgen. Toen eerst heb ik den brief overhandigd in de hoop, dat, wanneer het kottahoofd bekend zou wezen met den inhoud, hij tot mij zou komen. In plaats van Amai is die leelijke lange slungel gekomen en heeft mij zeer bang gemaakt.”

„Dus, ge hebt niets gezien?”

„Neen, Heer, niets; maar, nadat ik den brief had afgegeven, heb ik iemand iets als uit een boek hooren voorlezen, daarop is een vreeselijk geschreeuw in de kotta losgebarsten. Ook bedreigingen werden uitgegild tegen Mijnheer, tegen den Heer Resident, tegen het Gouvernement, ook tegen mij en wel zoo, dat ik bijna van angst ben weggeloopen. Toen dat geschreeuw wat bedaarde, kwam die lange mij dat pakje overhandigen, om het aan Mijnheer te geven.”

Blikken van teleurstelling werden tusschen den officier en de Tomonggongs gewisseld. Op een wenk van zijn hoofd verwijderde zich de afgezant.

„De zaak is er niet beter op geworden,” sprak de luitenant. „Is dat ook niet uw gevoelen?”

Beide Tomonggongs knikten zwijgend.

„Kan Dalim lezen?”

„Neen Heer,” antwoordde Nikodemus.

„’t Is duidelijk dat de inhoud van den brief aan Amai Kotong niet is bekend gemaakt, dat men hem en de overige bezetting der kotta wat anders heeft voorgelezen. Hoe het nu ook zij, er mag niet langer gedraald worden. Met ieder oogenblik wordt de toestand neteliger. Zijt ge dat ook niet van oordeel?”

„Ja, Heer,” bevestigden beide Tomonggongs.

„Dan ben ik van plan, nog heden nacht een poging te wagen om de kotta te overrompelen. Laat me nu een oogenblik alleen, dat ik over de uitvoering kan nadenken. Straks zal ik u mededeelen, waartoe ik besloten heb.”

„Dat Mijnheer me nog een wijl aanhoore!” sprak Tomonggong Nikodemus zacht. „Na het gevecht van heden namiddag valt er niet aan te denken onze Dajaks tegen de kotta aan te voeren. Er zullen verscheidene dagen noodig zijn om den indruk daarvan uit te wisschen. Ik smeek mijnheer dan ook om van een overrompeling voorloopig af te zien. Bij het heldere maanlicht zal die daarenboven al heel weinig kans van slagen hebben, daarentegen noodeloos veel bloed doen vergieten.”

„Maar wat dan, Tomonggong?” vroeg de luitenant niet zonder opgewondenheid.

De oude Nikodemus antwoordde niet dadelijk. Hij dacht na, zuchtte en legde eindelijk zijn hand op den schouder van den officier.

„Luister,” sprak hij.

XX.

Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.

„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te spreken.”

„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw leven zal niet veilig zijn.”

„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend. Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig alle misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde zijn.”

Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier, ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te moeten brengen.

„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”

„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken, die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering, daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo vroegtijdig in den regel niet ter been.”

„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat in de bestaande omstandigheden te doen is.”

De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.

De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.

In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren, een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om van den Radja balawang boelau [91] geluk af te smeeken over het aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen levendig blijven.

Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de „saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat beiden gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden. Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten. Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans; beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare bezweringsgezangen begonnen.

De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen, de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta, tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een leven als een oordeel.

Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet. Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en twintig anderen te zamen. De Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich, onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd was, zag hij spoedig in.

Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.

Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn heiligheid was op het punt een vromen vloek over de lachers uit te spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief, naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had kunnen drukken.

De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de offergaven uit, die den Radja balawang boelan zouden aangeboden worden, namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang” [92] te noodzaken de „gana” [93] (zielen) van die offeranden bij den Radja ontong te brengen.

Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren) [94] vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.

Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo maar uit het vuistje verorberden.

Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.

De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top. Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste vroolijkheid bleven. Zij zelven hadden de verloofden van harte toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog aan te raken.

Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam, hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam, zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.

Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.

„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.

„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.

Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen? Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien hij in een teug ledigde.

Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd, die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk wenschten.

„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken hebben in plaats van een.”

Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.

„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”

„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”

La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch bruidmeisje stond voor hem.

„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus bezegelde.

Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd, ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan, waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.

Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene aan.

De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar geweerschoten gestoord, die aan het feest een einde maakten en de mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.

Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.