Part 27
Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen. [82]
Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.
Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel. Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.
Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje, hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw ontplooide.
En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een, twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den wal.
Wat was er gebeurd?
La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had, bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken. Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot van achter den hoek te voorschijn schieten. Nog hield hij zich stil en liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten....
Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!! de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring bij de flotille veroorzaakte.
Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.
De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie vierde gedeelten van de overwinning verzekert.
En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een levendig geweervuur los, gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar, terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn, omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne repeteergeweren aan den schouder en... pang! pang! lagen twee der sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang! andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in, losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het genoegen smaken, den strik door te snijden, die het Poenanhoofd den adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.
Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe Dohong!” (mijne dappere broeders).
Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles stil.
De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.
Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten, en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.
Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort van heilige onverschilligheid, zag hij de varkenskluifjes voor en na in onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes, spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield. Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch, maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield. Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks, wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de heilige man zijn portie kreeg.
Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang” (lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de hersenen uit de twee schedels gehaald en geschud waren en de schotel behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.
In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op, en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven, hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel, laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren, om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken [83]. Eindelijk werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de frissche lucht. Daar kwam de bewustelooze ras bij en herstelden zich de anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen tot bedaren te brengen.
Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.
Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang, maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik, want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan die vrouw, terwijl hij zich verbond dat menschelijk offer later ter geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was, vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende, om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan, en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn oog een meer edele richting te geven.
Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht [84] deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.
Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje, dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds, zou geworden zijn.
Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was. Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.
Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de boodschap:
„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih” (vrouwenonderrok) aantrekke.”
Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling, legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware Dohong was.
Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel oogenblik van beraad, maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant, dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen. Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij den Radja balawang boelau [85] alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude afgesmeekt worden.
Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns makkers bijna deed benijden.
Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog „palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het „palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar de geringste ontrouw, dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.
Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle uitgaven het hoofd te bieden.
„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”
Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri [86] gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka [87], den beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes, zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.
„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”
XIX.
Discussie.—Wienersdorf onbillijk.—Een pleidooi voor een Dajaksch huwelijk.—Wienersdorf laat zich overreden Hamadoe te trouwen.—Een afgezant met een brief.—De kunst om officieele stukken voor te lezen.—Antwoord aan den afgezant.—Onverdiend verwijt.—Het pakje aan zijn adres.
Toen Johannes zijn makkers weer opgezocht had, kreeg hij het dadelijk te kwaad met Wienersdorf, die van een Dajaksch huwelijk niets weten wilde.
„Ik heb je voor een oogenblik voor krankzinnig aangezien;” beet de Zwitser hem toe, „mij te willen laten trouwen, zou gelijk staan met mij in dit mooie land te willen houden.”
„Laten we van het land geen kwaad spreken,” hernam de toegesprokene, die altijd ietwat korzelig werd, wanneer hij een verdachte loftuiting op Indië of op een der onderdeden daarvan vernam. „Maar wat ben je nog onnoozel, je spreekt alsof de echtscheiding uiterst moeielijk bij de Dajaks zou zijn. Het scheiden gaat nog makkelijker dan het trouwen, althans de formaliteiten zijn oneindig minder. Ieder gaat zijns weegs en daarmee uit.”
„En daarmee uit! ha, ha!” grinnikte de Zwitser bitter. „En dan zoo’n ongelukkige verstooten, ’t is zeer gemakkelijk, niet waar? Maar ’t is fraai, dat moet ik zeggen. Ik heb nimmer gedacht, dat jij zoo’n gewetenlooze knaap waart.”
„Nu nog mooier!” barstte Johannes hevig verontwaardigd los. „Ik span alle krachten in, om ons aller gebeente ongeschonden en kompleet ter gewilder plaatse te brengen; ik beijver mij om alle gepleegde domheden goed te maken, om alle noodlottige gevolgen weg te nemen van een dwaze en ziekelijke philanthropie—dwaas en ziekelijk althans in de gegeven omstandigheden.—Mijnheer wordt als bij tooverslag een engel van een meisje in de armen geworpen, en..... omdat ik dat lieftallig wezen voor hem aangenomen heb, niet—hij weet zulks zeer goed—om mijnheers verliefde grillen te dienen, maar om een bloedbad te voorkomen en de sporen van vroegere domme streken uit te wisschen, weet zijn dankbaarheid niets beters te verzinnen dan mij voor een gewetenloozen knaap uit te schelden. Laat het je van een Sienjo gezegd zijn,” zoo ging hij met klimmenden hartstocht voort, „jullie Europeanen van het tegenwoordige geslacht zijt in het algemeen niet alleen de ondankbaarste honden, maar ook door je zoo hoog opgevijzelde beginselen de meest onpraktische tweevoeters, die op aarde loopen. Ik ben overtuigd, dat de Schepper zich soms over het getob, gewriemel, gezanik en gezeur van dat blanke ras hartelijk schaamt.”
Johannes was verrukkelijk schoon in zijn verontwaardiging. Zijn oogen schitterden van onbedwongen vuur, zijn neusvleugels trilden, de aderen lagen strak en gezwollen op zijn voorhoofd.
Schlickeisen trad bemiddelend op.
„Je neemt het woord, straks onzen makker ontvallen, te hoog op. Hij heeft dat zóó niet gemeend. Is dat niet zoo?”
„Voorzeker is mij dat woord ontvallen,” beaamde Wienersdorf ernstig, „en gaarne neem ik het terug. Ik heb mij driftig gemaakt, toen ik onzen vriend zoo kalm over trouwen en scheiden hoorde redeneeren, alsof hij het over de wufste zaak der wereld had.”