Part 26
„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de menschenslachting, waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen nutteloos zijn.”
„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de handen wrong en als vernietigd daar neer zat.
„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort. „Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid, niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.... kunnen we ons niet tegen afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden, laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit, gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden; over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend toonen, dat poseerde; maar om aan de menschonteerende wandaden, die in dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”
De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel vervulde.
„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking zichtbaar is.”
Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:
„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”
En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:
„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En nu goeden nacht!”
„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich zelven, terwijl hij gedwee medeging.
Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.
Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian [74] bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon[74] genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.
De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast. Alles, alles te vergeefs! Johannes vond hem daar in volle vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn; terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood zoude gevolgd worden.
Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak, waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken, moest opgegeven worden.
De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door signalen aan de kotta mededeelen.
XVIII.
Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.
Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde doel werden ook op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat zich tot een naaldenspits aanpunten.
Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na, verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden, maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.
Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een buitengewone plechtigheid betaamde.
De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi” [75] opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord, iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.
Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen. Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen. De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van een zestal jongelingen, die met sawangtakken [76] in de hand een soort van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en Schlickeisen volgden onmiddellijk.
Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een „taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken, bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere helft door de vrouwen, met de Balians in de voorste rij, werd ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s begeleidden.
Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.
Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan” genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die aanstaande waren. De Antang [77] is een valk, wiens vlucht door de Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens afgeleid worden.
Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos scheen hij bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan, toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste voorteekens, die gegeven konden worden.
Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te zijn.
Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.
Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe, bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken. Hij riep Mahatara, al de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz. [78] tot getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.
Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam het Poenanhoofd andermaal het woord:
„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons. Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.... bloed eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer tusschen ons staan.”
Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:
„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong, [79] die van zijn jongste jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”
Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein van Kotta Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de geheele zaak niets begreep.
„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”
Met innige verachting vervolgde hij:
„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen! Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera [80] de wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen, omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen. Hèla harap olo bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!” [81] ging hij met klimmende drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij koelbloedig honderden slaven en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer dan menschen dooden!”
Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:
„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt. Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben; tenzij..... mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”
Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.
Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen. Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer krampachtig omklemd. Neen, uitkomst was er niet. Een seconde aarzelens nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik. Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de lippen en boog het hoofd.