Part 16
Maar, terwijl de noodige bevelen uitgedeeld werden, werd eenig geschreeuw van een der rondom zwervende prauwen vernomen en brachten de opvarenden daarvan een kist op sleeptouw naderbij, die aan boord van de kruisboot geopend, het lijk vertoonde van den Dajakschen choleralijder, die des avonds te voren begraven zou zijn. Ja, daar viel niet aan te twijfelen, hij was het en niemand anders, dat werd door al de aanwezige Dajaks erkend. Zelfs drong er een vooruit, die beweerde de maker der kist te zijn, hij had haar, volgens den adat, van handjolotong-hout [44] vervaardigd en daarin was de oorzaak te zoeken, dat die kist nog drijvende gevonden was. De luitenant keek den Tomonggong en deze weer den officier aan. Beiden schatten den afstand van de vluchtende prauw tot de riviermonding en daar nu de kist nagenoeg in de lijn, tusschen die beide punten getrokken, opgevischt was, verdween ieders twijfel, zelfs bij het Dajaksche hoofd. Er viel niet te aarzelen, die kist was door de opvarenden van die prauw daar ginds over boord gezet.
Het lijk werd nu spoedig in een djoekoeng overgeladen, om aan den wal begraven te worden. Aan splitsing van de aanwezige zeemacht werd niet meer gedacht. Men waande zich op het rechte spoor; de deserteurs waren dáár en dus:
„Madjoe! madjoe!!” (vooruit, vooruit) klonk het bevel.
Maar achterna jagen en inhalen zijn volstrekt geen synoniemen; dat zou onze kommandant al ras ondervinden. Gedurende den geheelen dag bleef de gejaagd wordende prauw haren afstand bewaren. Soms scheen zij veld te verliezen, maar wanneer men aan boord der kruisbooten reeds meende de kanonstukken in de richting te kunnen brengen, dan hernam zij weer vaart en bleek het, dat hare roeiers slechts een wijl rust genoten hadden. Tegen den avond begon de zuidoost-mousson te verzwakken en te kenteren. Het gewone verschijnsel van het intreden van den landwind in die streken deed zich voor. Van zuidoost liep de wind door het oosten naar het noorden en voerde toen een dikke wolkenmassa aan, die het zwerk allerwege bedekte en bij het invallen van den nacht den gezichtskring zeer beperkte. De beide kruisbooten voerden de voorschriftmatige lichten en om botsing te voorkomen, was ook ieder vaartuig der Dajaksche flotille van een lampje voorzien. Het was wezenlijk een illuminatie op zee. Maar aan boord van het vervolgd wordende vaartuig liet men heel verstandig geen licht zien. Het gevolg daarvan was, dat men in den blinde den koers westzuidwest vervolgde en men bij het aanbreken van den dag de prauw vooruit niet meer, maar wel nog in het zuiden bij den gezichteinder een zwarte stip ontwaarde. Eenvoudig was de prauw in den stikdonkeren nacht van koers veranderd en had om de zuid gehouden, om met het doorkomen van den zuidoosten wind niet door Tandjoeng Salatan [45] gedekt te zijn en dadelijk voor den wind te kunnen houden.
Waren de Nederlandsche kruisbootvaartuigen voor hunne taak berekend, dan ware de kans nog lang niet als verloren te beschouwen geweest, want bij de windstilte, die in de morgenuren gewoonlijk tusschen de keerkringen in die binnenzeeën heerscht, had men met de roeiriemen vooruit kunnen komen. Maar zijn die booten middelmatige zeilers, het zijn logge onhebbelijke dingen, wanneer zij geroeid moeten worden. De poging werd evenwel niet opgegeven, men roeide wat men kon; en toen eindelijk tegen acht uur de mousson doorkwam, werden alle zeilen bijgezet; maar met hetzelfde gevolg als daags te voren.
Ten twee ure des namiddags daagde een groote schoener aan den horizon op, die bij den wind kruisende was. Zoodra die de vervolgd wordende prauw in het gezicht kreeg, heesch hij een omgekeerde Nederlandsche vlag [46], loste een kanonschot en manoeuvreerde om de prauw op te nemen. Zoodra dit volvoerd was en deze op sleep in zijn kielwater danste, braste de schoener vol, hield voor den wind af en loste een kanonschot, waarvan de kogel over de eene kruisboot heenvloog, maar van de andere den mast trof en dien op een manshoogte boven het dek verbrijzelde en over boord sloeg. Naar den afstand te oordeelen, moest die schoener ongetwijfeld met getrokken geschut bewapend zijn.
Tandenknarsend dacht de luitenant er nog een oogenblik over om de vervolging voort te zetten, maar de schoener was een goed bezeild vaartuig; binnen den tijd van een uur was hij aan de kim verdwenen. Ja, het was zoo; en of onze officier al door zijn kijker keek, er was niets meer te ontwaren.
Nu moest aan den terugkeer gedacht worden. Tomonggong Djaja Nagara wees naar den horizon, alwaar in het noorden de flauwe omtrekken van land te zien waren, en verklaarde, dat die ver uitstekende kaap Tandjoeng Poeding was en die daar iets verderop Westelijk Tandjoeng Kramat. De luitenant keek op de eenige beschikbare kaart aan boord en zijn gezicht betrok.
„De Kleine Dajakmonding ligt op 114° 5′ en deze kaap op 111° 54′ oosterlengte van Greenwich,” mompelde hij, „dat is van het standpunt hier ruim zes en dertig geographische mijlen af te leggen in den wind. Een beroerde geschiedenis! Verd.... kerels!”
Maar van den nood een deugd makende, regelde hij het zoo, dat de beide kruisbooten bij elkander zouden blijven. De vleugellam geschotene zou evenwel door een zestal Dajaksche prauwen geboegseerd worden tot binnen de kleine Dajakrivier. Eenmaal daar, zou zij met behulp van den vloed en hare roeiriemen zich wel zelve kunnen redden. Toen dat geregeld was, stapte de officier met den Tomonggong op het snelst varende vaartuig der flotille over, na dat met een zestigtal uitgelezen roeiers van de overige prauwen bemand te hebben en spoedde vooruit, om in den kortst mogelijken tijd zijn post te bereiken.
Maar welke spoed ook gemaakt werd en tot welke inspanningen de roeiers ook aangezet werden, toch waren volle twee dagen en nachten voor den overtocht noodig. En daarbij moest men zich nog gelukkig achten, dat de mousson slechts flauw doorkwam en het des nachts bladstil was. Het was dus eerst laat in den namiddag van den vierden dag na zijn vertrek, dat de kommandant te Kwala Kapoeas terug was.
Bij zijn terugkomst heette hem de dokter welkom, die evenwel verwonderd uitkeek, dat de vluchtelingen niet in de prauw waren. Op zijn vragenden blik, antwoordde de luitenant:
„Weg! en voor goed. Ik heb ze aan boord van een gewapenden schoener zien verdwijnen. Maar hoe hebben die kerels daarmee connexiën kunnen aanknoopen? Hoe meer ik er over nadenk, hoe minder begrijpelijk komt het me voor.”
Toen hij gezeten was, vertelde hij zijn wedervaren, het bespeuren der prauw, het vinden van het lijk, de jacht, het noodlottige schot van den schoener met omgekeerde Nederlandsche vlag, in een woord alles en besloot zijn verhaal met de verzuchting:
„’t Is me een raadsel!”
„Wat was die schoener voor een vaartuig?” vroeg de dokter.
„Weet ik het? ’t Was een Europeesch getuigde bodem. En dat hij getrokken geschut voerde, daarvan houd ik mij overtuigd. Wellicht een van die Engelsche smokkelaars, die in straat Malakka thuis hooren, en soms op zeer brutale wijze smokkelhandel in opium en oorlogsbehoeften drijven. Komaan, ik ga mijn verslag opmaken. Maar a propos, hebt ge na mijn vertrek het u overhandigde rapport verzonden?”
„Ge waart met uw flotille nog in ’t gezicht, toen de postprauw vertrok.”
„Goed zoo, dan kunnen we heden nog antwoord hebben.”
De dokter was in zijn hart verblijd over het ontkomen der vluchtelingen. Och! als hij eens had kunnen weten, waar zij zich op dat oogenblik bevonden, zijn blijdschap zou aanmerkelijk getemperd zijn geweest.
Daags na de terugkomst van den kommandant, verbreidde zich het gerucht in den kampong te Kwala Kapoeas, dat Dalim en de beide andere Dajaks, die met hem onder opzicht der politie stonden, te soengei Naning gezien waren. Dat die gediend hadden tot roeiers van de begrafenisprauw was geheel onbekend. Toen de luitenant het districtshoofd over die afwezigheid sprak, bevestigde die, dat de drie Dajaks uit den kampong verdwenen waren; hij verhaalde ook de geheele kaaimansjacht bij Poeloe Kanamit en betuigde, dat hij reeds vertrouwelingen uitgezonden had, om de weerspannigen terug te halen. Op de vraag van den luitenant, of er eenig verband kon bestaan tusschen het verdwijnen van die schavuiten en het deserteeren der vier Europeanen, lachte de Tomonggong goedig:
„Hoe zou dat kunnen, Heer! Gij hebt uwe blanken om zoo te zeggen met eigen oogen aan boord van dien schoener zien stappen. Hoe zou nu eenig verband te vinden zijn tusschen hen en die Dajaks, die slechts een uitstapje zijn maken naar soengei Naning. Gij weet immers dat Dalim daar een broeder heeft?”
De luitenant schudde het hoofd; maar antwoordde niet.
Toen evenwel twee dagen later die gekwetsten uit soengei Mantangei aangebracht werden, die met Oostersche beeldspraak veel te vertellen hadden van een aanhoudend geweervuur, alsof wel honderd man aan het schieten waren geweest; toen ook de dokter zich onvoorzichtig had laten ontvallen, niet met zekerheid te kunnen bepalen, dat de wonden slechts door ronde kogels veroorzaakt waren, en zelfs de meening uitsprak, dat zij door puntkogels uitgescheurd waren, toen werd de kommandant tot nadenken gestemd. Hij liet dan ook het districtshoofd ontbieden, overlegde met dien en gelastte hem een dertigtal Dajaks zich gereed te doen houden en het kamponghoofd Damboeng Papoendeh naar het fort te zenden, ten einde zijne instructiën te ontvangen.
Toen de oude Tomonggong het fort verliet, ontmoette hij den dokter.
„Thans gaat het er op los”, zuchtte hij, „thans is hun spoor duidelijk.”
„Maar Tomonggong, hoe is het mogelijk, dat die Europeanen daar in soengei Mantangei dat gevecht geleverd hebben?”
„Hoe het mogelijk is, weet ik niet te verklaren Heer; maar dat het zoo is, daar kan ik een eed op doen.”
„Pas op,” lachte de dokter, „de blanken straffen een valschen eed zeer zwaar.”
„Ik heb die straf niet te duchten. In de geheele Dajaklanden bestaan zulke halve duivels niet. Eerst die kaaimansjacht, toen dat gevecht met den boa, later dat hevige geweervuur op de aankomende kampongbewoners. Niemand hier heeft zulke wapenen. Ik durf alles verwedden wat mijnheer maar wil, dat de „bedil banjakh pelor” (repeteergeweren) van den toean kommandant daar een woordje medegesproken hebben.”
„Hebt ge dat den kommandant gezegd?”
„Nog niet; die is nog te veel vervuld met de meening, dat de blanken aan boord van dien schoener zijn terecht gekomen. Het vinden van die doodkist is voor hem een onomstootelijk bewijs, dat zij dien weg gekozen hebben.”
„En hebt gij die overtuiging niet, Tomonggong?”
„Ik heb die gehad, Heer, maar ik heb ze opgegeven. De vluchtelingen zijn volgens mij naar boven. Als de kommandant naar mij hoorde, dan waren we reeds op weg.”
„Wat wil hij dan?”
„Eerst door Damboeng Papoendeh laten uitvorschen, wat die bende daar in soengei Mantangei te beduiden heeft gehad. Dat is alles mooi en wel; maar wanneer hij stellige berichten zal hebben, zullen die kerels te veel vooruit zijn.”
„Laat ze gaan, Tomonggong! laat ze gaan.”
„Mijnheer heeft goed praten; maar als we hen niet op den voet volgen, zullen zij òf door de koppensnellers in de bovenlanden geveld worden, òf zij zullen zich daar te midden der Ot Danoms trachten te nestelen en dan zal de taak voor mijn bevolking moeielijk worden. In beide gevallen zal noodeloos bloed vergoten worden. Ik kom heden avond nog terug, en hoop dan den Heer kommandant in een meer gunstige stemming aan te treffen, om naar mijne redenen te luisteren.”
„Maar zoudt gij daarmee nog niet een dag of wat kunnen wachten? Bij voorbeeld tot er nadere tijdingen zullen zijn ingekomen?”
„Heer! mijn dankbaarheid jegens u begint me zwaar te wegen. Ik ben u het leven van mijn kind verschuldigd; nu echter gaan vele menschenlevens op het spel staan.”
„Heb nog slechts wat geduld, ik bid er u om.”
„Het zij zoo! maar ge kunt er op rekenen, dat dit de laatste maal is, dat ik mij vinden laat, om iets voor de vluchtelingen te doen. Ik voel dat ik verkeerd handel. Had ik den eersten keer niet aan uwe beden gehoor gegeven, dan hadden we nu al die moeielijkheden niet.”
Weinige uren later stevenden drie goed gewapende prauwen de Kapoeas op onder aanvoering van Damboeng Papoendeh, een jeugdig Dajaksch hoofd, die volijverig was, om onder de plooien van de Nederlandsche vlag zijn eerste sporen te verdienen. Toen de kommandant hem medegedeeld had, dat die prauw, welke met de bevolking te soengei Mantangei slaags was geweest, naar de Doesson gestevend was, lachte hij fijntjes en verklaarde wel te zullen weten hoe te handelen. Een oogenblik had de dokter getracht hem alleen te spreken, maar bij de eerste woorden had de Dajak zich volijverig afgewend, zijn verleider toegeworpen, dat hij met Tomonggong Djaja Nagara ernstig gesproken had en wijders verzekerd dat, wanneer de blanke deserteurs in de Dajaklanden aanwezig waren, hij ze, zoo niet levend, dan toch hunne koppen zou aanbrengen. En hij was er de man wel naar om, als het niet te zeer tegenliep, die belofte te volbrengen.
Maar behalve zijn dienstijver had Damboeng Papoendeh nog een ander motief om den dokter niet ten gevalle te zijn. Ons jeugdig Dajaksch hoofd had eens het oog geslagen op de dochter van een Nagaraasch handelaar, die haren vader op zijne omzwervingen vergezelde. Met geld is op Borneo veel te verkrijgen, en zoo had hij den koopman al ras ingepalmd en was de koop gesloten, die de gunsten der dochter golden. Maar deze, een fiere Mahomedaansche maagd, zag met verachting op haren heidenschen aanbidder neder en was door geen liefdesgekweel te verlokken. Welke gelegenheden de Maleier den verliefden en al stouter wordenden Dajak ook schonk, het hielp niets, het meisje hield hem op een afstand en wist steeds aan zijne omhelzingen te ontkomen. Ten einde raad had de smoorlijk verliefde zich tot den dokter gewend. Hij had zoo veel gehoord van de voortreffelijkheid der Europeesche medicijnen, hij twijfelde er niet aan of de Heer dokter zou hem wel helpen. Toen onze aesculaap eindelijk begreep, wat van hem verlangd werd, voelde hij zich eerst verontwaardigd; maar spoedig besefte hij, dat al zijn redeneeringen om het ongepaste van dat verzoek te doen uitkomen doelloos zouden zijn, omdat zij niet begrepen zouden worden. Hij gaf dan ook die poging op, maar stelde den verliefde een fleschje met oleum Ricini ter hand, met aanbeveling, dat beide partijen de helft er van moesten drinken. Zoo gezegd, zoo gedaan. Door bemiddeling van den vader dronk het meisje hare portie; ook Damboeng dronk vol vertrouwen en ik laat het aan de verbeelding der lezers over, zich het tooneel voor den geest te halen, welke de gevolgen van dat middel waren. De les had doel getroffen, nimmer heeft later eenige Dajak des dokters bijstand weer verzocht bij zijne liefdesgeschiedenissen. [47]
Daags daarna kwam des avonds de post van Bandjermasin te Kwala Kapoeas aan en bracht voor den kommandant de aanbeveling in algemeene trekken mede, om geen middel onbeproefd te laten, ten doel hebbende, de deserteurs in handen te krijgen, zonder evenwel eenige aanleiding te geven tot verwikkelingen, waaraan bij het hoofdbestuur hooge afkeuring ten deel zoude vallen. Toen de luitenant die opdracht gelezen had, barstte hij in een luid gelach uit:
„Zie zoo!” riep hij, „nu weet ik precies, hoe ik te handelen heb. Dat noem ik eerst slag hebben om instructies te geven. Worden mijne pogingen met goeden uitslag bekroond, dan zal ik slechts volgens de mij gegeven voorschriften gehandeld hebben. Komt er integendeel een kink in den kabel, sta dan vast, want dan heeft het mij aan de noodige waarschuwingen voor verwikkelingen niet ontbroken en te zwaarder zal de afkeuring uit den hooge op mij nederdalen, daar men mij ernstig met die afkeuring bedreigd heeft. ’t Is echte Hollandsche zelfdekkerij, geënt op Indische lorrendraaierij!”
„Maar wat valt nu te doen?” vroeg de dokter, die zijn avondje bij den kommandant naar gewoonte was komen doorbrengen en van de opening der postpakketten getuige was.
„Wat er nu te doen valt? Zij kunnen voor mijn part ophoepelen! Er valt niets meer te doen. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik heb de kerels nagezeten, veel verder buiten de grenzen, dan mij als militaire kommandant veroorloofd was. Zij zijn ontsnapt, daarmee is het uit. ’t Is mijn schuld niet, dat die kruisbooten zulke ellendige lompe en logge dingen zijn, waarmee niet vooruit te komen is. Enfin, ’k heb niets anders meer te doen dan te rapporteeren, dat ze weg zijn; gelukkig dat ik er bij kan voegen, dat ik geen verwikkelingen heb in ’t leven geroepen. Ah! als een officier in Nederland maar de helft deed, van wat ik uitgevoerd heb, dan werd hij behangen met Nederlandsche en Nassausche leeuwen, met eiken- en oranje kronen, de vent zou een stevige ruggegraat moeten hebben, om met die onderscheidingen ongebukt rond te loopen. Ik zal al heel blij zijn, wanneer die geschiedenis zonder standjes zal afloopen. Maar.... wat is dat?”
Gedurende dien uitval, die niet van misanthropie was vrij te pleiten, maar die toch den precairen toestand der meeste officieren op de buitenbezittingen in Indië vrij wel schetste, had de luitenant de overige correspondentie als werktuigelijk verder opengemaakt en vluchtig ingezien. De meesten dier stukken waren slechts van administratieven aard en konden door het langdradige en vezelachtige van dien diensttak in Indië, niet anders dan een nauwelijks te onderdrukken geeuwlust opwekken. Maar het stuk, dat de luitenant thans in de hand hield en zijn laatsten uitroep ontlokt had, scheen zijn geheele aandacht te boeien. Het was een mededeeling van den Resident, dat op de hoogte van Poeloe Mangkop, ten zuiden van Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, door het oorlogsstoomschip Montrado na een scherp gevecht genomen was een schoener, die een omgekeerde Nederlandsche vlag vertoonde en grootendeels beladen was met opium, zout, buskruit en looden en ijzeren kogels. Bij het gevecht waren de meesten der opvarenden gesneuveld. Er scheen evenwel slechts één Europeaan, waarschijnlijk een Engelschman, aan boord te zijn geweest. De gezaghebbers der kustposten werden bij dat officieele schrijven aangemaand zeer op hunne hoede te zijn, daar verondersteld kon worden, dat het niet bij die poging om oorlogscontrabande in te voeren, blijven zoude.
Die aanmaning was waarachtig mosterd na den maaltijd.
„Sakkerloot! dat is die verwenschte schoener!” barstte de luitenant los. „En mijn deserteurs zijn niet aan boord!.... waar zijn ze dan?.... We zijn dus op een valsch spoor geweest! Maar.... die doodkist dan in de Javazee?.... ’t Gaat mijn verstand te boven... Zou dan toch de oude Tomonggong gelijk hebben, dat zij het waren, die dat opstootje in soengei Mantangei te weeg gebracht hebben?.... Er valt bijna niet meer aan te twijfelen? Hoe zijn ze evenwel daar gekomen?”
Onze officier was zeer opgewonden. Hij liet onmiddellijk het districtshoofd ontbieden, en gaf hem den last den volgenden morgen met vijftig roeiers bij het fort tegenwoordig te zijn om hem naar soengei Mantangei te vergezellen.
XII.
Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.
Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker grenzen toch bereikt werden.
Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.
De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel al lang niet meer waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.
Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag), toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken. Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid. Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.
Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin wat te kunnen vertreden; want voor hem, die er de gewoonte niet van heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.
Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.
„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde hij.
Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat te petak bapoeti des nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende omstandigheid te danken zijn: