Part 15
Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind, dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest zijn, maar daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen, legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht, besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een stuk der huid aan den romp verbonden, en nu uitte zich de wegstervende levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar neer lag.
Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij en frank weer in het leven konden terugtreden.
Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong, dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen kon worden. Het raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een „Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden [43]. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat. Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger gehad te hebben.
Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren, was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra knetterde een geweervuur, alsof het gold een geheele legermacht te verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den luitenant, die zulk een leven maakten.
Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?
„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim. „Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”
Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren, vroeg hij die, wat zij er van dachten?
„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).
En hare stem verheffende riep zij:
„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het bosch met een dergelijken kreet antwoordde.
Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien ook, dat een bende koppensnellers van de Doesson de Mantangei waren afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een vreeselijke wijze huis te houden.
De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap” (oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op het geroep zijner vrouw.
De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in, en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts gewend.
De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt, die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de pagaai hanteeren.
Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets meer deerde.
Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden. Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en konden zij in het water de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef. Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen” nog achterna zat.
„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.
„Ja”, was het antwoord.
„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen. Is voor den duivel de werkelijkheid nog niet erg genoeg, dat er nog altijd nagebreeuwd moet worden?”
„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”, lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”
„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”
„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa achtergelaten hebben.”
„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te over in de prauw.”
„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats innemen.”
„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille ongeduldig.
„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.
„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”
„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik er mee deed.”
„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.
„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes, „sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”
„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal. „We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare bescherming neme!”
„Amen.”
XI.
De gekwetsten naar Kwala Kapoeas.—De Mantangei en de Mengkatip.—Op onze schreden terug.—De kommandant op jacht.—In zee.—De raoeng.—De vervolging.—De schoener.—Een noodlottig schot.—De terugkeer.—De postcorrespondentie.—Eindelijk op het spoor.—
De vluchtelingen waren nu wel onderweg, maar daarmede was het gebeurde te soengei Mantangei niet uit. Er waren verscheidene gekwetsten gevallen en daar de Dajaks op heelkundig gebied al heel weinig kennis bezitten, werd al ras besloten die gekwetsten naar Kwala Kapoeas te vervoeren en daar van de blanken hulp te erlangen.
Te midden der algemeene ontsteltenis, waren de vreemdelingen vertrokken, zonder dat men wist waarheen en het hoofd van den kampong, nog steeds een uitbarsting van bloedwraak bij zijne onderhoorigen vreezende, waardoor hij in eindelooze moeielijkheden met het Nederlandsch bestuur zou gewikkeld worden, had den kampongbewoners verteld, dat de prauw, die onze vluchtelingen wegvoerde, de soengei Mantangei opgestevend was om zoo de Doesson te bereiken.
De soengei Mantangei is werkelijk een afleidingskanaal van dien laatstgenoemden hoofdstroom. Op ongeveer 2° zuiderbreedte scheidt zich van de Doesson een arm af onder den naam van soengei Mengkatip, die aanvankelijk naar het zuid-westen stroomt en zich op ongeveer twintig minuten afstand van haren oorsprong in twee takken verdeelt, waarvan de eene en voornaamste in zuidelijke richting onder denzelfden naam voortspoedt om op ongeveer 2° 48′ z.br. in de kleine Dajakrivier uit te monden, terwijl de tweede tak onder den naam van soengei Mantangei haren loop in zuid-westelijke richting blijft behouden totdat zij de Kapoeas op ongeveer 2° 32′ z.br. ontmoet.
Toen de gekwetsten te Kwala Kapoeas aankwamen, werden zij onmiddellijk door den officier van gezondheid verbonden; evenwel baarde hunne verwonding, door geweerschoten veroorzaakt, de grootste verwondering. Dat gewonden hulp kwamen inroepen, was zoo heel zeldzaam niet, maar steeds waren het verwondingen geweest, door mandauwhouwen of lanssteken te weeg gebracht, die te behandelen geweest waren. Thans waren het kogelwonden en dat verschijnsel deed de hoofden bij elkander steken. Moest de geneesheer zijne oogen gelooven, dan waren die wonden veroorzaakt door projectielen met uitgescheurde randstukken en was het niet onmogelijk dat dit kogels waren, zooals die bij het Nederlandsch-Indisch tirailleurgeweer in gebruik, met ogiefvormige punt, welker hol cylindervormig achterstuk, door de uitzetting in de trekken van den geweerloop geperst wordt, maar bij het verlaten van dezen veelal uitscheurt. Al de wonden hadden evenwel een ingangs- en eene uitgangsopening, zoodat het noodeloos was naar de projectielen te zoeken, daar die de zachte deelen, na ze belangrijk gescheurd te hebben, geheel doorboord hadden en in de ruimte verdwenen waren.
Het verhaal der gekwetsten leverde ook veel stof tot overpeinzingen. Zij vertelden het gevecht met de boaslang; ook hoe de mannen van kampong Mantangei de bevrijders hunner vrouwen voor koppensnellers hadden aangezien, hoe uit die misvatting zich een noodlottig gevecht ontsponnen had, waarbij zij door een oorverdoovend geweervuur op de vlucht gejaagd en waardoor zij ook gekwetst waren geworden. De mededeeling dat hunne verwonders Dajaksche kooplieden waren, die langs de Mantangei hunne reis naar de boven-Doesson vervolgd hadden, miste hare uitwerking niet. De kommandant schudde het hoofd en wist er niets van te maken, dan dat men met een goedgewapende stroopende bende te doen had gehad. Hij was daags te voren teruggekeerd van zijn tocht op de Javazee tot opsporing der deserteurs en was nu verre van de gedachte af, dat hij, om zoo te zeggen, den draad van hun spoor in handen had.
Den morgen volgende op de desertie, was onze officier al vroeg in de weer geweest en had zich, voordat nog de dageraad de kim kleurde, naar de woning van het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara begeven. Daar had hij zich na eenige voorbereidende maatregelen bij het aanbreken van den dag aan het hoofd gesteld van een groot aantal Dajaks, in vele prauwen ingedeeld en had daarmede, in gezelschap van den Tomonggong koers naar de zeemonding gezet.
Even voorbij Poeloe Mangboelau, een eilandje in de kleine Dajak rivier, tegenover de Kapoeas-monding, kwam men de Baliansprauw tegen, die des nachts door het geweervuur van het fort zoo mishandeld was. Daar evenwel geen der opvarenden in het geheim der deserteurs genomen waren, kon niemand iets mededeelen. Zij konden alleen hunne dooden en gekwetsten toonen en aanduiden, dat de prauw, met het choleralijk aan boord stroomafwaarts in het donker verdwenen was. Die arme drommels waren zeer benauwd geweest en nog was alle vrees niet bij hen verdwenen. Het kostte dan ook veel moeite hen te overreden hunne gewonden naar het fort te brengen, om daar geneeskundige hulp te erlangen. Zij vreesden bij het naderen andermaal de volle laag te ontvangen.
De jachtflotille onderzocht iederen inham, iedere kreek, iedere soengei, voer de eilandjes Koepang en Brangas om, maar trof nergens iets verdachts aan. Toen de kleine vloot de Troessan-monding genaderd was, wilde de luitenant een gedeelte zijner macht door dat kanaal zenden, om zich later weder met hem aan de Kahajan-monding te vereenigen. Ware dat geschied, dan zouden de vluchtelingen, zoo als de lezer terstond begrijpen zal, in de fuik geloopen zijn. Maar nog voordat de indeeling der macht behoorlijk geschied was, kwam een prauw de Troessan-monding uitgevaren waarin het districtshoofd van de beneden-Kahajan, Radhen Singa Patti gezeten was. Deze, een volkomen vertrouwd persoon, verzekerde, dat hij geen enkele prauw in de Troessan ontmoet had. Bij gevolg was het zeker, dat de vluchtelingen dien weg niet genomen hadden. De reis werd nu gezamenlijk voortgezet, tot aan de soengei Lopak, welk riviertje door een klein gedeelte der flotille onderzocht werd, terwijl de hoofdafdeeling de reis naar de monding der kleine Dajak vervolgde. Dat onderzoek in kreken en inhammen was nog al tijdroovend geweest, zoodat het middaguur al lang verstreken was, toen de Javazee zichtbaar werd.
Nauwelijks buiten gekomen, liet de luitenant het gewapend oog over de oppervlakte der zee glijden en zag toen de twee kruisbooten voor anker in de zware deining wiegelen en in het zuidwesten een prauw, die in den wind oproeide, maar afhield, zoodra zij de flotille in het oog kreeg, de zeilen bijzette en alle krachten inspanden, om uit de voeten te geraken. Die verdachte beweging moest er toe leiden om het geloof te doen veld winnen, dat de deserteurs daar aan boord waren. Zelfs de Tomonggong verklaarde, dat de prauw veel overeenkomst had met die welke voor het choleralijk was ingericht; evenwel kon hij geen inlichting geven op de vraag des luitenants, wie aan boord als roeiers zouden dienen. Hij kende den angst zijner stamgenooten voor de vreeselijke ziekte en dat vermeerderde zijn onzekerheid.
Zoodra de luitenant die inlichtingen ingewonnen had, liet hij eenige schoten doen, om de aandacht der kruisbooten te trekken, en daarna de nationale vlag boven den achtersteven zijner prauw hijschen. Nu zijn aan boord van de Nederlandsche kruisbooten in de Indische wateren geen bijzonder slimme „djoeragan’s” (gezagvoerders); men betaalt die lui met zulk een verregaande schrielheid, dat men op geene normale denkvermogens mag aanspraak maken. Maar was het intuïtie of iets anders? nu schenen de kommandanten dier booten spoedig begrepen te hebben, wat van hen verlangd werd. Zij haalden spoedig de ankers in, heschen de zeilen en liepen bij den wind, om de flotille te bereiken. Gelukkig dat zij geen dier vaartuigen overzeilden, hoewel het niet veel scheelde.
Toen de luitenant aan boord van een hunner was overgestapt, liet hij onmiddellijk voor den wind afhouden en alle zeilen bijzetten. Tegelijkertijd liet hij met het scheepskanon drie schoten met los kruit doen, als bevel aan de vluchtende prauw om bij te draaien. Maar deze, in stede van te gehoorzamen, bracht, niettegenstaande zij al hare zeilen voerde, zooveel roeispanen te water als maar mogelijk was. Er scheen thans zeer veel volk aan boord te zijn, hoewel men des morgens op de kruisbooten de bemanning dier prauw op een viertal koppen geschat had.
Nu liet de luitenant met scherp vuren, als om aan de jacht meer klem bij te zetten en te toonen dat het ernst was, maar de afstand was te groot. De gladde driepondskogels dansten over de toppen der golven, wierpen prachtige waterzuilen in de hoogte, maar bereikten de prauw niet. Dat vele volk aan boord maakte den argwaan van den Tomonggong gaande, die als zijn gevoelen te kennen gaf, dat het onmogelijk de prauw der vluchtelingen kon zijn en dat men op een valsch spoor was. Als die prauw te Kwala Kapoeas met zooveel roeiers bemand was, zou dat voor hem als districtshoofd niet geheim gebleven zijn, meende hij.
Op die taal was de luitenant in het onzekere wat te doen. Waren de deserteurs niet aan boord, dan toch had die prauw zeer waarschijnlijk misdadige bedoelingen; want waarom vluchtte zij anders? Het was wellicht van veel gewicht die bedoelingen te kennen. Maar jaagde men die prauw, dan liet men de deserteurs vrij baan. Eindelijk besloot de officier de vluchtende prauw met één der kruisbooten achterna te zetten, terwijl de andere met de Dajaksche flotille de kust observeeren en al de inhammen en kreken onderzoeken zou.