Bogoriana: Roman uit Indië

Part 4

Chapter 44,034 wordsPublic domain

Een flauwe herinnering aan steentjes, die met een haarspeld uit hun schuilplaats werden opgedolven, speelt de arme Wies door het hoofd. Maar neen, beter dadelijk ingespannen! den dokter halen!

Onmogelijk! De vossen zijn met de coupé naar het paleis, een van de Sydneyers is ziek.

Een haarspeld dàn!

Ha, hier komt er reeds een te voorschijn, een steentje namelijk! en hier nog een... ’t blijkt nu, dat er ook enkelen in den neus verdwaalden.

De Bruining rijdt het erf op.

»Man, laat niet uitspannen! De koetsier moet dadelijk naar den dokter.«

De gehoorzame echtgenoot brengt de orders aan den koetsier over, zonder ook maar te vragen wat er gebeurd is; hij is er aan gewoon bij zijn thuiskomst een gebroken arm, verstuikt been of plotseling opgekomen koorts te vinden.

»Daan, verbeeld je!« roept Wies, als hij terugkeert in de achtergalerij, meest het tooneel hunner huiselijke rampen; »Daan, verbeeld je, daar hebben de kinderen zich volgepropt met steenen!«

»Kom, Wies!« roept hij ontsteld, maar niet verbaasd, daar van die kinderen hem niets meer verbazen kan, »’t is waarachtig of het casuarissen zijn. Geef ze castor-olie!«

»Neen lieve, dat is de kwestie niet. Ze zitten in hun neus, in hun ooren.«

»Groote God! En de baboes dan? En de juffrouw!«

»Die ligt in haar kamer te lezen.«

De algemeene secretaris grijpt met beide handen naar zijn achterhoofd en laat een zucht hooren, die veel op pijnlijk kermen gelijkt. Mevrouw ziet die beweging met bekommerd gelaat en zegt: »Als je weer wat ijs op je hoofd wilt leggen, ik heb reeds laten halen.«

»Straks graag. Dat moest er nog bij komen. De kinderen misschien voor hun leven ongelukkig!«

»Waar bij?« herhaalt de heer De Bruining opgewonden. »Wel... maar, ’t is waar! Je weet het nog niet. Daar is me Verschuere benoemd...«

»Benoemd? Tot... tot eersten gouvernements-secretaris?«

»Ja. En dat terwijl Van Heuvel er het volste recht op had, terwijl het hem beloofd was; hij is resident van Krawang gemaakt, de arme drommel!«

»Mijn hemel, Daan! Verschuere...«

»Ja, je moogt wel schrikken.«

»Het verwondert me van den gouverneur.«

»Mij niet. Ik ben voor niets geen twintig jaar lang in Indië geweest. Herinner je je nog dien tijd, toen de grootste ezels de mooiste betrekkingen kregen, alleen omdat er schot moest komen, alleen omdat de schoonzoon van den minister op moest klimmen?«

»Ja, ’t is erg. Dus van referendaris op eens eerste gouvernements-secretaris? Maar trek het je niet aan. Wind je niet zoo op, Daan, denk aan je hoofdpijn!«

»O Wies!« roept hij, terwijl hij haar handen grijpt en het pijnlijk gloeiend voorhoofd daarop laat neerzinken. »O Wies! eisch niet van me, dat ik me kalm houd...«

»Je vreesde het wel een weinig, niet waar? Het komt niet geheel onverwacht?«

»Neen, ik heb het zien aankomen. Ik heb het verwacht. Ik weet wie Verschuere is... hij werkt vlugger, beter, gemakkelijker... hij kan meer dan iemand anders! Maar ik ken hem van vroeger, hij ontziet niets; hij ontziet niemand... wat hem in den weg staat loopt hij omver... en ik sta hem in den weg, Wies.«

»Komaan,« spreekt ze vertroostend, »je moet zoo gauw den moed niet laten zinken. De gouverneur is je genegen.«

»Maar Verschuere is de neef van den minister.«

»Beste man! Denk om onze kinderen! We moeten den strijd volhouden zoolang we kunnen—dat heb je tot nu toe altijd gedaan.«

»Ja, als ik die zenuwhoofdpijnen niet had! Als ik niet zoo vreeselijk was afgebeuld, nu drie jaar lang... Goddank, daar is de dokter.«

V

DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS.

De woning, waarin de nieuwbenoemde zijn vrouw binnenleidde, was niet zulk een bescheiden nestje als waarin jonge indische paartjes meestal de eerste huwelijksjaren doorbrengen en och, zoo naamloos gelukkig zijn kunnen dat ze later, in hun marmeren paleis, nog met zoet verlangen terugdenken aan dat nederig stulpje. Het was een ruim huis, vol licht en lucht, gelegen op den besten stand van Buitenzorg, met het uitzicht in den Plantentuin.

»Nu kind, ben je tevreden?« vraagt hij, als hij haar heeft rondgeleid.

»Of ik tevreden ben?... Ik heb dikwerf gedroomd van zoo’n huis en zoo’n uitzicht, maar dat het ooit werkelijkheid zou worden, neen, dat had ik niet durven denken.«

»Je zult mettertijd in een nog veel mooier, nog veel grooter huis wonen, dat beloof ik je!«

»Nog grooter? En ik vind dit al te groot voor twee menschen, voor twee menschen die elkaar liefhebben, ten minste....«

»Dwaas kind! Een huis met vijf kamers!«

»En twee beneden. Dat maakt zeven.«

»Ja, maar die moet je niet meêrekenen. Die hebben we noodig voor de logées.«

»Zouden we veel logées krijgen, denk je?«

»Natuurlijk. Als je op Buitenzorg woont, heb je altijd logées. In den oostmousson komen de kennissen van Batavia, omdat ze het er niet kunnen uithouden van de warmte; in den westmousson komen de kennissen uit de Preanger, omdat ze het er niet kunnen uithouden van verveling.«

»Niet zoo heel prettig altijd vreemden over den vloer te hebben, vind je wel?« vraagt mevrouw Verschuere.

»Och, daar merk je hier zoo weinig van, vooral als er een logeergebouw is. Maar om op die vijf kamers terug te komen. Een daarvan—deze rechts—is bestemd voor mijn bureau; deze had ik gekozen voor een boudoirtje.«

»Een boudoir? Voor mij?«

»Ja, je begrijpt, je moet zoo’n vertrekje hebben, waarin je je amuseeren kunt met je piano en je boeken, of je handwerkjes, terwijl ik in mijn bureau zit.«

»Moet je veel in je bureau zitten?«

»Ja.«

»Maar zouden we niet in dezelfde kamer kunnen werken? Ik zou je niet hinderen; ik kan zoo stil zijn als een muis, en het zou veel gezelliger wezen.«

»Onmogelijk, kind. Jullie vrouwen hebt altijd een zeker frou frou, en als ik werk kan ik niet het minste gerucht verdragen. Dan rest er een voor slaapsalet en verder deze voor de kleedkamer van mevrouw, en dit kleintje voor de kleedkamer van mijnheer.«

»Hoe deftig!«

»We moeten een beetje deftig zijn, dat behoort er zoo bij... Neen, lach me nu niet uit, Nita! Ik meen het.«

Ze wandelen het huis nog eens samen door, tot eensklaps mevrouw Verschuere stilstaat met de vraag: »Maar wat moeten we eigenlijk met die groote galerijen beginnen?«

»Wel, ze zijn niets te groot. Integendeel, bij de eerste de beste partij, die we geven, zul je zien dat de binnengalerij eigenlijk te klein is. Voor een dineetje van twaalf personen is de achtergalerij goed, maar meer zou je er ook niet kunnen plaatsen, terwijl vóór... ja, dat gaat. Laat zien: een dertig menschen...«

»Dertig menschen? Waarom zoo veel? Zei je me laatst niet, dat je een hekel hadt aan groote partijen?«

»O ja, wat dat betreft... maar men moet nu eenmaal soms iets doen waaraan men een hekel heeft.«

»Je bent toch vrij?«

»Vrij? Op Buitenzorg vrij? Zie je daar het paleis en praat je dan nog van vrij? Ah zoo, daar komen de meubeltjes te voorschijn! Ik dacht dat ze die emballage nooit los zouden krijgen. Kijk eens, wat is dat keurig overgekomen. In ’t geheel niet beschadigd. Nu, Nita...«

»Wat? Waarom zeg je »nu Nita?««

»Omdat ik weg moet.«

»Weg? Ga je weg? En moet ik hier alleen blijven? Met al die menschen?«

»Mingo is hier en je meid en je naaister. Wat kijk je me verwijtend aan, kind? Dacht je dan dat ik tijd had om een geheelen dag te verknoeien met meubels uitpakken?«

»Noem je dat verknoeien? Ik had er me juist zooveel van voorgesteld het samen te doen; alles samen uit te pakken, te bewonderen, te schikken en te plaatsen.«

»O, wat een idée! Ik heb er niet het minste verstand van en ook geen geduld toe. Geloof me, al had ik niet zoo’n massa werk, dáár zou ik toch niet toe te vinden zijn. Kom, Nita, je moet je eens aangrijpen. We hebben hier nu eenmaal geen menschen die je huis voor je meubeleeren, anders had ik ze je lang bezorgd. Je weet, wat een vrouw in Indië noodig heeft, is flinkheid; ze moet ferm zijn, zelfstandig handelend optreden. Nu lieve, ’t wordt mijn tijd.«

»Hoe laat kom je terug?«

»Tegen twaalf uur, denk ik. Ik krijg daareven bericht dat De Bruining met zenuwhoofdpijn te bed ligt. Nu, dan is hij nog verwarder dan gewoonlijk en dus zal het wel etenstijd worden vóór we klaar zijn. Tot straks!« en hij kust haar hartelijk.

»Dag Gustaaf!«

Hij keert nog eens terug op zijn schreden en vraagt lachend: »Wat is het eerste vereischte voor een vrouw in Indië?«

»Flinkheid,« antwoordt ze met een stemmetje dat alles behalve flink klinkt.

Nog een vluchtige groet en mevrouw Verschuere is alleen; alleen, met een veertigtal koelies, een dertigtal kisten en zulk een helsch leven als het wezen kan in een ledig huis, gevuld met werkvolk.

Ze ziet rondom zich dien chaos van touwen, breekijzers, hooi, stroo, pakpapier; ze ziet die halfnaakte mannen, de dierlijke bruine gezichten, nog misvormd door den pruim tabak, dien ze vóór in den mond houden; ze hoort de ruwe klanken, welke, vooral als men de taal niet verstaat, meer aan beestengeluiden dan aan menschenstemmen doet denken en—ze wordt bang!

»Mingo! Mingo!«

Maar Mingo is juist naar den trein om den nieuwen voorraad kisten, daareven van Batavia aangekomen, in ontvangst te nemen. »Jeit! Sarinah!«

Maar lijfmeid en naaister hadden een rustig oogenblikje aangegrepen om koffie te drinken.

Ze voelt een onweerstaanbaren lust om in een der ledige kamers te vluchten en zich daar op te sluiten, maar ze zegt tot zichzelf dat dit kinderachtig zijn zou, en ze weet reeds bij ervaring, dat Verschuere geen kinderachtigheid verdragen kan. Dus grijpt ze zich aan, loopt met een fermen stap naar voren en... staat tegenover mevrouw De Bruining.

Zooals deze verrijst van achter een berg kisten, met haar hoekige figuur gestoken in sarong en kabaia; met haar toch niet overdadige lokkenpracht, nog vochtig van het bad, in dunne pijpestelen afhangend op den rug; met haar bleek gezichtje haastig en daardoor niet zeer gelijkmatig gepoederd, is ze geenszins een bekoorlijke verschijning. Maar als mevrouw Verschuere haar aanziet, leest ze in de zachte oogen iets dat haar aan »mama in Holland« herinnert en ze valt haar in de armen met een kreet van vreugde, die in een snik eindigt.

»Dacht ik het niet?« roept mevrouw de Bruining, terwijl ze vol moederlijke teederheid het tengere figuurtje omsluit. »Dacht ik het niet? Zei ik ’t niet dadelijk aan uw man, toen hij me vertelde, dat u hier alleen in huis waart?« En dan, met de trotsche vreugde van een vrouw die gelijk krijgt: »dat kon hij op zijn vingers natellen! Om u de waarheid te zeggen, heb ik hem eens flink beknord.«

»O mevrouw! Verschuere had zooveel...«

»Zooveel werk. Och ja, kindlief, dat is ook zoo, daar kunnen ze nu eenmaal niets aan veranderen. De stukken wachten niet. Ook is er me tegenwoordig zoo iets af te doen... En waart u daar nu een beetje zenuwachtig gaan worden? Wel, wel! Mijn lieve, wat ben ik blij dat ik maar zoo dadelijk in den wagen gesprongen ben! Vooral wanneer ik bedenk, dat ik, als ik er langer over had nagedacht, bepaald thuis zou zijn gebleven. U moet weten dat de juffrouw een weekje verlof heeft—naar Soekaboemie, daar woont haar zuster—dat kun je zoo’n mensch ook al moeilijk weigeren, niet waar? en dat het kleintje juist een hoektand doorkrijgt. Daarbij komt dat de min—maar daar hebt u nog zoo geen verstand van. Toch, als ik u een raad mag geven, begin daar nooit mee! Met minnen bedoel ik: hoektanden kunt u moeilijk buiten blijven... Komaan, wat is er te doen? Koffers en kisten uitpakken? Wel, dat is het prettigste werk van de wereld! Als er wat moois in zit ten minste. En als je maar weet hoe je het moet aanpakken... Waar is uw jongen? Ah zoo, ben jij dat? Hoe heet je? Mingo? Nu, Mingo, loop jij dan eens gauw hiernaast en vraag aan mevrouw een paar wipstoelen en wat ijswater.«

»Maar,« brengt Nita in het midden, »ik ken die mevrouw hiernaast niet.«

»Dan is dit een uitmuntend middel om kennis te maken. Zie zoo, nu beginnen we! Ajo koelies! Maakt open den boel! Gauw wat! Voorzichtig! Gauw, zeg ik je! Nu, wat voorzichtig, asjeblieft!« En zonder te bedenken dat het eene onmogelijkheid is die twee bevelen tegelijk uit te voeren, herhaalt zij ze onophoudelijk, terwijl de koelies er zich natuurlijk in het minst niet om bekommeren.

Nu komt Mingo terug met stoelen, glazen, een ijskan en de vriendelijke boodschap, dat mevrouw verzocht wordt, alles wat ze mocht noodig hebben gerust te laten halen. De eene kist na de andere wordt ontpakt; en als tal van voorwerpen, met smaak gekozen in de beste magazijnen van Parijs, te voorschijn komen, dan vergeet mevrouw Verschuere haar teleurstelling, mevrouw De Bruining minnen, hoektanden en juffrouwen.

Mingo blijkt een echte bataviasche jongen, vlug, net, handig—misschien brutaal en verliefd en diefachtig van natuur, maar een jongen waarmee men vooruit kan komen.

Jeit en Sarinah, blijkbaar verfrischt door de koffie en het daarop volgende sirihpruimpje, maken zich zeer verdienstelijk; mevrouw De Bruining vliegt links en rechts; Nita doet wat ze kan—hetgeen zeer weinig is, daar niemand haar verstaat—tafels, ledikanten, kasten en divans komen op hun plaats; er verspreidt zich door het huis de eigenaardige lucht, die bewijst dat er flink gewerkt wordt door inlanders. De vriendelijke buurvrouw zendt tegen twaalf uur vruchten en portwijn. De dames hebben een verfrissching zoowel als een opwekking noodig, en met een zegenbede aan het adres van de geefster, zinken ze naast elkander op de eerste canapé de beste neer.

»Wit u gelooven, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan?« hijgt mevrouw De Bruining.

»O mevrouw, wat spijt me dat! U had u niet zoo moeten vermoeien... ik hoor, dat het niet goed is in dit klimaat.«

»Gekheid, kind! Laat je dat nooit wijs maken. Flinke beweging is hier even noodig als in Holland. Trouwens, uw bedienden zorgen wel dat—wáár u gebrek aan moogt hebben—het niet aan beweging is. Doen de baboes haar werk, dan moet men de naaisters weer narijden; is kokkie goed, dan laat de waschman... hemelsche goedheid! de waschman! hij zou om tien uur komen. Koetsier! Gauw! Vóór! Dag mevrouw! Neen, bedank me niet. Gauw, koetsier! Naar huis! Ik heb den waschman vergeten! ik moet nog voor de rijsttafel het goed ontvangen.«

VI

PEIGNOIR CONTRA SARONG.

Niets vriendelijker, niets stralender dan Buitenzorg in het ochtenduur; niets verrukkender dan de atmosfeer, die daar heerscht wanneer de regen, des nachts in stroomen neergevallen, tegen den morgen ophoudt.

’t Is hier niet, als in Europa’s groote steden, een ure somber en droef of de hemel den ganschen nacht had geweend over de aarde; hier zijn de regendruppels als de tranen eener bruid: ze worden des avonds geweend, om des morgens te zijn weggekust.

Voor de in dauwdrup en bloesemgeur gedrenkte natuur is de eerste zonnestraal een groet, waarmede de moeder het slaapvertrek harer kleinen binnentreedt; glimlachend doet ze alles ontwaken. Het gebogen grassprietje verheft zich, het hangend kelkje tilt het hoofd omhoog, vochtige stammen tooien zich met vlammenden gloed, goudgevleugelde insecten stijgen opwaarts uit de bloem, die hen tot nachtverblijf diende. De morgenkoelte komt aangezweefd. En weldra ruischt het rondom van het eigenaardig geruisch, dat slechts in een tropische natuur vernomen wordt: in het dichte loofdak vallen met zacht geklater de regendruppels uiteen, en van zijn parelenlast bevrijd, nog getooid met vochtigen glans, nog geurend van nachtelijke frischheid, begint het gebladert dat suizelen en fluisteren, dat voor wie het verneemt zoo oneindig liefelijk zijn kan als de laatste toon van de symphonie van een tropischen nacht, maar ook als het teeder voorspel van het morgenconcert, dat straks een aanvang gaat nemen.

Die muziek der ontwakende natuur is in volle harmonie met de beelden, die Agnita’s geest vervullen, wanneer ze, nog min of meer vertoevend in de droomenwereld, aan den arm van haar echtgenoot de dreven doorwandelt.

Zij was al spoedig tot de ontdekking gekomen van het geheim—’t welk helaas voor tal van Europeanen in Indië een geheim blijft—dat het beste uur van den dag het morgenuurtje is, en weldra liet de zon, als zij verrees boven Bogor’s lanen, daar een van haar gouden stralen achter in de reine ziel, die, alsof het een bloem geweest ware, zich elken dag opende voor ochtenddauw en hemelglans.

Eerst als de vogelen losbarsten in hun jubelzang, begon ook zij het vroolijk gepraat, dat, mengeling van kinderlijken eenvoud en dichterlijke verheffing, een bekoring uitoefende, groot genoeg om Verschuere te doen vergeten wat anders al zijn denken innam.

Soms ontmoetten zij op hun wandeling freule Van Waliënhove. Voor haar was de morgen de vrijheid. Had eenmaal de bel voor het ontbijt geluid, dan was het gedaan met haar genoegen, dan had ze recht tegenover zich de gevreesde zwarte oogen, die haar aanstaarden, niet met dat teedere, dat liefkoozende, waarmee moederoogen zouden gerust hebben op die heerlijke verschijning, tintelend van levenslust, maar met den kritischen blik der vreemde, die niets liever wenscht dan een fout te ontdekken, op een tekortkoming te wijzen.

En dat was niet moeielijk!

Heden droeg het kleedje, waarmee ze aan het dejeuner kwam, de onmiskenbare sporen van een wilden tocht door de bosschen; morgen verscheen ze met een hoofd dat er uitzag alsof het slechts de koelte tot kapper had; nu getuigde haar gelaat dat het met de indische zon had kennis gemaakt, dan weer was ze te opgewonden bij het verhaal harer avonturen; soms ook lachte ze zoo luid, zoo lang, zoo blij, dat niet slechts de hooge vertrekken er van weergalmden, maar allen die het hoorden er zacht of luid mee moesten instemmen. Wie echter van al de paleisbewoners het hartelijkst meêlachten, dat waren mevrouw Van Waliënhove’s beide zonen. De nieuwe zus, die ze niet zonder vooroordeel hadden ontvangen, was tot hun onuitsprekelijke verrassing een speelmakker gebleken.

Vóór dag en dauw, als alles nog in diepe rust lag, kwam reeds het gekrulde kopje bij hen om de deur kijken. Ze hield den vinger op den mond en kuchte; trouwens, meer was niet noodig om hen in één sprong uit het bed te krijgen: als ze daar zoo stond met het korte kleed, met den grooten stroohoed en de stevige hollandsche laarzen, dan wisten ze dat hun een pretje wachtte en ze volgden gewillig.

»Neen, kijk nu niet op dat vervelende horloge, Gustaaf! we zitten hier zoo heerlijk... zie eens die blauwe lucht...«

»Maar kind, het wordt mijn tijd; er is eene moeielijke kwestie aanhangig en de gouverneur schijnt haar zoo spoedig mogelijk te willen oplossen. Hij werkt hard; ik wil doen wat ik kan om hem te helpen...«

»Wel, mijnheer Verschuere, dat vind ik lief van u!« roept een heldere stem vlak bij hen.

Verbaasd zien beiden rondom zich en—van achter den reusachtigen stam eener waringin komt freule Clotilde te voorschijn, in het rose kleedje, den grooten stroohoed vol pas geplukte bloemen, frisch en jong als de morgenstond.

»Gaat u maar gauw naar huis, mijnheer, en werk als het u belieft zoo hard als u kunt, want die arme papa heeft erge hoofdpijn. Ik zal mevrouw wel gezelschap houden. U moet weten, mevrouw Verschuere, ik verkeer in hetzelfde geval als u, ik word door mijn cavaliers verlaten, als ik dolgraag nog een uurtje in den tuin zou blijven. De arme jongens moeten om acht uur binnen zijn voor hun lessen. Heerlijk, vindt u niet, om, zooals wij, geen lessen meer te hebben? Bent u al lang van school?«

»Ja, al vier jaar,« antwoordt Nita lachend.

»Al vier jaar? Dan zult u niet meer, zooals ik, altijd hongerig zijn. Mama zegt dat het een gevolg is van ’t kostschoolleven. Maar—wilt u een stukje? Kijk, heerlijk bruin brood met kaas! We nemen dit mandje altijd mee, propvol; en het komt nooit anders dan leeg terug. U moet weten, dit is voor ons het lekkerste maal van den dag, wij houden niet van die getruffeerde kostjes en fransche sauzen. Wilt u nog een sneêtje? Niet? Wel, wat dunkt u er van, als we dan nog eens een eindje opliepen? We kunnen toch niet als twee verlaten Genoveva’s in het bosch blijven zitten treuren!«

Ze waren nagenoeg de eenige wandelaarsters.

Rozen geurden bij duizend- en nogmaals duizendtallen, zonder dat iemand van haar geur genoot; orchydeeën lieten haar bloesems nederhangen in wonderschoone trossen, zonder dat één oog zich vermeide in haar teere lieflijkheid; varens welfden een doorzichtigen eereboog tusschen de groene aarde en den blauwen hemel—geen wandelaar scheen te wenschen onder dien eereboog door te gaan; de koelte kwam over bosschen en heuvelen aanzweven, om woorden van jonge liefde op te vangen,—ze keerde ledig terug; beekjes kabbelden, waringinloover suizelde vrede voor gloeiende hoofden en strijdende harten; slanke palmen wezen naar hooger... de tuin bleef ledig!

En dat alles omdat mevrouw Van Waliënhove sarong en kabaia een indécente kleeding vond!

De landvoogdes had zich op dit punt vrij sterk uitgelaten; ze noemde de nationale dracht nooit anders dan »het indisch nachtkostuum«; eens zelfs, boos geworden door het beweren van den heer Hagen, dat hij ’s morgens ging wandelen om de nonnaatjes te zien in wat hij »de mooiste kleeding voor een mooie vrouw« noemde, verklaarde ze, dat het haar onaangenaam was op hare ochtendwandeling dames te ontmoeten in dit »even smakeloos als ongepast toilet«, ja, ze was verder gegaan; ze had, toen ze eens mevrouw Hausz in die kleeding ontmoette, haar niet gegroet, waarop mevrouw Hausz, die geenszins op haar mondje gevallen was, haar had doen weten, dat wanneer mevrouw haar toilet groette en niet haar persoon, ze voortaan de baboe met haar japon vooruit zou zenden, daar het haar, als moeder van vijf kinderen, niet gelegen kwam zich reeds ’s morgens te kleeden.

Sedert dit voorval bekend was geworden, werden peignoirs en matinées meer algemeen, vooral onder de echtgenooten der adjudanten—waartoe ongelukkig ook mevrouw Hausz behoorde. Maar dit was niet genoeg!

Toen eens twee niets kwaads vermoedende oude juffrouwen zich in den tuin waagden met sarong en kabaia, bleken twee daar toevallig rondwandelende heeren bezield met zoo vurigen ijver voor het toegeven aan de luimen hunner gebiedster, dat ze tot doodelijke onsteltenis der beide oudjes dezen den toegang weigerden.

Ook dit werd bekend en de mannen onder de Buitenzorgers vroegen zich knorrig af, of niet de adjudanten hun boekje waren te buiten gegaan, toen zij de rol van den engel met het vlammend zwaard op zich namen; immers voor den gouverneur-generaal was wel een gedeelte van het park gereserveerd, maar het overige was publieke wandelplaats. Doch terwijl zij zich nog in die vraag verdiepten, hadden reeds hunne egâs het hoofd in den schoot gelegd, en kort nadat de beide zondaressen uit het paradijs waren verdreven, zag men het slechts door »gekleede« Eva’s betreden. Het getal dier Eva’s werd echter steeds geringer, want niet iedere huisvrouw kan het volhouden, om zich des morgens nog voor het ontbijt te kleeden; met haar verging ook den Adams de lust, en menige verrukkelijke ochtend werd nu doorgeschommeld in den luierstoel, een kop koffie in de hand. Dan werd er gezucht: »Wat zou ik graag een eindje wandelen! Wat zal het nu heerlijk zijn in den tuin! Maar als ik vóór half acht de kinderen naar school expedieeren en me dan nog kleeden zal, dan wordt het te laat, te zonnig, te warm...«

Het duurde niet lang of men begon zich in Indië’s residentie zoo te schamen over de dracht, die toch door het klimaat als het ware wordt noodzakelijk gemaakt, dat niemand er zich meer in durfde vertoonen, en dit had ten gevolge dat de gouverneur-generaal op den dagelijkschen morgenrit het grappig schouwspel genoot van een burgerij, die verstoppertje speelde.

Geen indisch echtpaar dat des morgens vóór het aan den arbeid gaat—en die arbeid is dikwerf zwaarder dan menig hollandsch echtpaar droomt—niet een oogenblik genieten wil van de frissche lucht; ja, voor de meesten is dit oogenblik het beste van den ganschen dag.

Dit genieten in gezelschap van vrouw en kinderen was onmogelijk, sinds het vonnis werd geveld over de morgendracht; immers, ’t is meest bij de bloemen dat het kalm, vredig uurtje gesleten wordt, en de tuin ligt vóór het huis aan den grooten weg.