Part 3
Wanneer hij zich terugdenkt in den tijd, die volgde op haar dood, toen de lasten des levens hem zoo zwaar drukten, dat ze zijn rug kromden voor de jaren, toen een hulpeloos kind, onverzorgde zusters, zwakke ouders, allen zijn bijstand vroegen, toen hij werkte en zwoegde als de minste en toch niet vond wat de minste vinden kan, genoeg! als hij zich wegdenkt in dien nacht, dubbel zwart omdat hij volgde op zoo schitterend een lentedag, dan vraagt hij zich af hoe hij dien heeft kunnen doorworstelen... Maar ook dan—en dan alleen begrijpt hij, hoe hij er toe gekomen is om zich te verkoopen!
Zich te verkoopen!
Honderde malen heeft hij het gefluisterd, dat vreeselijk woord, honderde malen! Al de hoon, al de schande er in vervat, is gegrift in de diepste diepten zijner ziel, maar nog terwijl hij het uitspreekt in de stilte van zijn binnenkamer, nog doet het hem pijnlijk blozen, alsof hij een slag kreeg in het aangezicht; nog krult zich zijn lip, zooals ze doen zou bij het vernemen eener laagheid, nog wendt hij het hoofd af van het gelaat omkranst met veldviolen...
Want—bloost hij voor zichzelf, hij doet het meer nog voor haar. Immers door zijn tweede huwelijk heeft hij zijn eerste verloochend.
De vrouw, die hem kocht, kan hem niets verwijten: zij wist dat hij geen hart te geven had en ze vroeg ook geen hart, ze zou niet geweten hebben wat er mee aan te vangen; maar Clotilde’s moeder!...
Ja, wèl heeft de vloek zijns levens zwaar op hem gerust!
Want, na jaren lang den aangebonden strijd te hebben volgehouden, buigt hij ten laatste het hoofd en onderwerpt zich aan het noodlot, dat hem dwingt zijn oud verveloos wapenschild te vergulden door een rijk huwelijk, en dan wordt hem, die zoo dikwerf en zoo dringend had gevraagd om een meer winstgevende betrekking, hem die gaarne al zijn krachten zou gewijd hebben aan zijn land, als hij daardoor zijn verarmde familie had kunnen steunen, hem wordt—o bittere spotternij der fortuin, nu op eens als het ware thuis gebracht wat hij zoo lang te vergeefs najaagde.
En al hooger en hooger stijgend, nu hij behalve door bekwaamheid ook door geld gesteund wordt, ziet hij zich eindelijk benoemd tot gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië!
Gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië! Ja... maar geketend aan eene vrouw, die hij haat.
Haat? Hij schrikt op van het woord, nu het hem daar als van zelf op de lippen komt; hij herhaalt het fluisterend, als woog hij de beteekenis er van, als wilde hij nog ontkennen wat daar zoo luide wordt uitgesproken in het diepst van zijn hart.
Haten? Neen immers! Dat kan, dat mag niet!
Toen ze huwden, heeft hij toen niet geloofd in de mogelijkheid van haar te beminnen? Scheen die vorstelijke gestalte, die weelderig schoone vrouw hem niet begeerenswaard; bewonderde hij niet dat regelmatig fraai gelaat; meende hij geen liefde te lezen in de oogen, die toen nog niet zoo onheilspellend fonkelen, zoo toornig lichten konden?
En later, toen ze hem zijn zonen schonk, toen ze aan de wieg van haar kind meer tot teederheid geneigd scheen, waren er toen niet oogenblikken geweest, waarin ze te zamen genoten van de weelden die kinderen onbewust hun ouders verschaffen, oogenblikken, waarin hij de moeder zijner heerlijke jongens dankbaar was voor dien schat?
Haten? Neen! ’t Is waar, hij heeft een vrouw gehuwd om haar fortuin, maar hij deed het niet als een gewetenlooze. Hij gaf haar zijn naam, in het vast geloof dat ze waardig was dien te dragen, met het voornemen haar gelukkig te maken, de hoop bij haar datgene te vinden, wat hij nog vroeg van het leven: een kalm tevreden lot.
Ach, als ze hem maar een weinig had begrepen!
Als ze maar had kunnen beseffen hoe pijnlijk ze hem wondde met dien kouden blik, met dien wreeden lach; als ze maar had gevoeld hoe het blootleggen van een hart als het hare, een hart als het zijne voor altijd sluiten moest! Of anders, als ze maar had willen veinzen, hij zou niets liever gewenscht hebben dan te leven in een gelukkige dwaling.
Maar helaas, er zijn naturen zoo laag, dat ze zelfs het begrip niet hebben hun laagheid te verbergen: hoe weinig had ze hem kunnen geven, hoeveel had ze van hem gevraagd! Wanneer de man offers brengt op het altaar der liefde, wanneer hij eigen zin en wil onderdrukt, eigen wensch verloochent voor de vrouw die hij bemint, dan wordt ze hem dierbaarder naarmate de offers die hij bracht, zwaarder waren. Maar wee de vrouw die offers eischt waar ze niet bemind wordt, wee den man die ze brengt zonder liefde; haat, toornige, machtelooze haat komt zich legeren tusschen hem en haar.
Nu drie jaar geleden, toen hij geroepen werd tot zijn hoogen post, heeft ze van hem geëischt, wat hem moeielijk te volbrengen viel: de scheiding van Clotilde.
Hij weigerde. Zij sprak over vaderlijk egoïsme, dat de toekomst der dochter bedierf, over een half voltooide opvoeding, over een nadeeligen invloed van het indisch klimaat... hij bleef weigeren: toen toonde zij zich zoozeer stiefmoeder, dat het kind zelve vroeg om te mogen achterblijven; immers de strengste kostschool was beter dan zulk een thuis... en hij weigerde niet langer.
En zoo beroofde ze hem van het genot, dat hij zich lang had gedroomd; de plant die hij kweekte, waarvan hij elk blaadje bespied, elk knopje welkom geheeten had, moest hij verlaten op het oogenblik dat ze zich ontplooide tot vollen, heerlijken bloei. En als hij nu, nu zijn ontloken roos is teruggekeerd, den zonneschijn zijner liefde slechts over haar had mogen uitstorten! Doch—treurig raadsel—de vrouw, die niet heeft kunnen beminnen, kan ijverzuchtig zijn, ijverzuchtig op de doode, voortlevend in haar kind.
Thans staat hij op het punt een ander offer te brengen.
Niet dat ze het vraagt, niet dat ze, nu het haar eigen kinderen geldt, een opvoeding in Holland noodzakelijk vindt! Och neen, ze roept ach en wee over zijn hardvochtigheid, ze noemt hem een vader zonder gevoel, ze toornt, ze dreigt, zoodra hij maar een woord durft spreken, doelend op de mogelijkheid eener naderende scheiding.
Toch kan hij het zich niet langer ontveinzen; die scheiding wordt noodzakelijk. Dagelijks is hij getuige van tooneelen, die hem de waarheid in het aangezicht slingeren: er moet een einde komen aan den bestaanden toestand; dagelijks ziet hij het, hoe de goede aanleg der beide jongens wordt bedorven door het onverstand der moeder, hoe hun trotsche aard, het erfdeel der Van Waliënhove’s, dreigt te ontaarden in den dommen hoogmoed, die de landvoogdes bezielde van het oogenblik af dat ze onder het bulderen der kanonnen voet aan wal zette te Batavia.
Ziet hij niet hoe alles samenwerkt om de kinderen een veel te hoog denkbeeld te geven van de grootheid huns vaders, die, alles welbeschouwd, toch slechts een tijdelijke grootheid is? Werkt die troep hovelingen niet nadeelig op het karakter, zijn die kruipende Javanen niet juist geschikt om den kleinen tiran, die in Felix sluimert, te doen ontwaken? Wordt de toomelooze drift van Oscar ooit naar behooren gestraft? Wordt niet met al zijn luimen en nukken genoegen genomen? Ja, zijn insolenties en ruwe grappen, worden zij niet toegejuicht door de vleiers, wier eigen kinderen wellicht verbaasd zouden staan, als ze hier eens zagen hoeveel papa verdragen kan? Hij mag niet, als gelukkiger vaders uit nederiger stand, zich de weelde veroorloven zelf de opvoeder zijner zonen te zijn; hij behoort niet aan zijn huisgezin, maar aan den staat.
De dagen, die het land doorleeft, waarover hij gesteld is, zijn donker: de toekomst, die het tegengaat, is ver van rooskleurig; er wordt gevreesd voor steeds grooter achteruitgang, zoo niet ondergang dreigt; en hij spant al zijn krachten in om in dat donker licht te scheppen, om dien ondergang te voorkomen; hij strijdt tegen den afmattenden invloed van klimaat en omgeving, tegen de moeielijkheden aan de positie van landvoogd verbonden. De strijd is niet licht en legt zoodanig beslag op al zijn gedachten, al zijn vermogens, dat hij gaarne van de zorg voor de opvoeding zijner zonen zou ontheven zijn geworden.
Maar dit mocht niet zijn, en tusschen de regeeringszaken door, peinst hij op middelen om die opvoeding te doen slagen.
Hij heeft gewenscht—en tegen den bepaald uitgesproken wil zijner vrouw doorgezet—dat Felix en Oscar naar school gingen, dat ze daar leerden en speelden, stoeiden en vochten, overwinnaar bleven of onder lagen, juist als andere knapen; maar dat is onmogelijk gebleken.
Hij mocht nog zoo duidelijk verklaren, dat hij geen onderscheid wenschte, hij mocht zijn jongens naar school zenden, te voet, in weer en wind, in het traditioneele blauwe pak, de tasch op den rug gebonden, de onderwijzer kan toch niet vergeten dat het de kinderen van Zijne Excellentie zijn.
Als het ongeluk wil dat in een vechtpartij Felix een blauw oog heeft opgeloopen, komt het hoofd der school, bleek van schrik, zijn verontschuldiging aanbieden; kort daarna wordt hij om deze onhandigheid overgeplaatst; zijn opvolger houdt zich overtuigd dat die overplaatsing het natuurlijk gevolg is van het blauwe oog en straft den eersten den besten, die het waagt een Van Waliënhove aan te raken, zoo voorbeeldig, dat geen knaap zich meer schuldig maakt aan die majesteitsschennis.
Het schoolgaan op deze wijs moest nog veel nadeeliger werken dan het leeren aan huis, en mevrouw Van Waliënhove—had ze misschien de hand gehad in de geheele zaak?—kreeg haar wensch: een gouverneur.
Het mocht geen gewone schoolmeester zijn, de gouverneur van mevrouws zonen! Dus werd een buitengewone gezocht, iemand die akten had voor alle mogelijke en onmogelijke vakken. Hij bleef drie maanden.
Och neen, ’t moest heel iets anders wezen, niet zoo’n pedant heer van het middelbaar, maar iemand van het lager onderwijs, zoo’n manneke dat men niet behoefde te ontzien. Hij hield het een half jaar uit. Er was een Franschman geprobeerd, een Duitscher, een candidaat in de letteren, een dokter in de wijsbegeerte... nu kort geleden is voor de zesde maal de gouverneur tot Zijne Excellentie gekomen, met beleefd maar dringend verzoek om ontslag—en Zijne Excellentie de onderkoning van Indië heeft beschaamd gestaan voor dien nederigen man: hij heeft niet durven vragen wat de reden was van zijn verzoek, hij wist het. En hij weet ook, dat degeen die in ’s mans plaats komt... ah ja, de mail ligt daar nog ongeopend vóór hem, misschien is er bericht; misschien dat de laatste poging door hem aangewend, alvorens tot het uiterste over te gaan, gelukt is.
Hij leest haastig de adressen zijner brieven, opent een daarvan, vliegt den inhoud door en op het gelaat, dat daar straks zoo somber stond, komt nu een trek van blijde verrassing.
Een paar malen loopt hij met den geopenden brief de kamer op en neer, dan schelt hij en beveelt den intendant te roepen.
»Herinnert u zich nog, kolonel,« vraagt hij, zoodra deze gezeten is, »herinnert u zich nog den kolonel Van Beevelant?«
»Die gewond werd op Atjeh, en kort daarna gepensioneerd? Zeker herinner ik mij dien, Excellentie! Hij is, meen ik, reeds als tweede luitenant ridder geworden, en...«
»Juist. U moet weten, kolonel Van Beevelant en ik zijn schoolkameraden geweest.«
»Ah zoo?« vraagt d’Hannecour, dadelijk op zijn qui vive.
»En we zijn altijd vrienden gebleven«.
Met de vlugheid van den hoveling heeft de intendant begrepen welk antwoord hier dienstig zijn kan.
»Ik ben zeker dat hij die onderscheiding waardig was. Toevallig heb ik het voorrecht gehad onder hem te dienen. Onze dames vooral sympathiseerden erg; we zagen elkaar veel en zijn altijd min of meer gelieerd gebleven.«
»Wel zoo, dat doet me genoegen. U weet, hij had een zoon, zijn eenige.«
»Ja, Frans. Hij was de speelkameraad van mijn kinderen, een aardige, veelbelovende jongen. Weet Uwe Excellentie misschien wat er van hem geworden is?«
»We zullen het, denk ik, spoedig vernemen. De fransche mail is aan: welnu, dan is hij gisteravond afgestapt te Batavia en nu waarschijnlijk op reis naar hier.—A propos, zoudt u den adjudant van dienst willen vragen hem te gaan halen van ’t station?«
»Met genoegen. Hè, wat vind ik dat aardig, Frans Beevelant weer eens terug te zien! En wat een verrassing zullen ze het thuis vinden!«
»Ik hoop zeer dat uwe familie haar oude betrekking op hem niet zal vergeten. De dames geven in zulke zaken meest den toon aan, en het zou hem zeker veel waard zijn door mevrouw d’Hannecour te worden gepousseerd.«
De kolonel buigt, zichtbaar gevleid.
»Heb daarover geen zorg, Excellentie! Hij zal met open armen worden ontvangen. Zulk een aardig jongmensch en daarenboven de zoon van een goed, oud vriend.«
»En daarenboven de gouverneur mijner jongens.«
De intendant ziet den landvoogd aan alsof hij denkt aan een grap.
»U zegt?« vraagt hij met een pijnlijk glimlachje.
»De gouverneur mijner jongens,« antwoordt baron Van Waliënhove droog.
»De gouverneur?« herhaalt d’Hannecour, en op zijn daareven zoo glanzend gelaat is de grootste verlegenheid te lezen. »De gouverneur?«
»Wat ik u bidden mag, kolonel, blijf niet zoo stilstaan bij dat woord gouverneur. Het mocht u eens doen vergeten dat de gouverneur uw bijzondere gunsteling, de speelkameraad uwer dochters en de zoon van ons beider ouden vriend is.«
IV
EEN INDISCHE HUISHOUDING.
»Mama, ik wil koek!«
»Ma, Wim knijpt me... Adoe! adoe!« [1]
»Maatje heef hort aan Jantje!«
»Mama, toetie minta boeboer.« [2]
Ziedaar de kreten, die, vergezeld van het geraas, dat lepels en vorken in kinderhanden maken, worden geslaakt door het zevental dat om de ontbijttafel der Bruinings gelegerd is in houdingen, welke slechts darwinistische denkbeelden vermogen te wekken.
Die ontbijttafel is bedekt met tal van gerechten.
»Want, niet waar,«—aldus mevrouw De Bruining—»wanneer men zooveel kinderen heeft, dan moet er van alles zijn? Daar hebt u Jantje, die wil altijd gort hebben en voor Non moet er koek wezen; dan eet Toetie boeboer en het kleintje«—er is altijd een kleintje!—»het kleintje kan nog niet veel anders verdragen dan nassie tim, terwijl Bruining op zijn kop chocolade gesteld is en juf graag kip of vleesch heeft bij de boterham.«
»Stil toch, kinderen,« spreekt mevrouw, met een stem, veel te zwak om het rumoer te overschreeuwen. »Ik zal je helpen, maar gil dan niet zoo! Wou je koek, Non? Hier poesje. En jij Wim... jongens, vecht nu niet langer... kom je boterham eten... Spen kassi roti... waar is Spen?«
Spen is aan het melk koken, bericht de baboe, die op den grond zit met een schotel rijstepap en de vijfjarige Toetie volpropt met den boeboer, alsof het een jonge kalkoen was die gepild moet worden.
Nu had Spen reeds een uur geleden de melk kunnen koken, maar met het overleg den inlander eigen, waar het geldt eenig werk te ontloopen, stelt hij dit altijd uit tot het oogenblik van aanval; de jeugdige Bruinings te bedienen is geen gemakkelijke taak en hij laat die liefst over aan hunne moeder.
Zij vliegt dan nu ook links en rechts, om de wenschen harer lievelingen te vervullen; zoo gauw echter niet of jongeheer Jan vindt gelegenheid om de »hort«, waar hij daareven zoo dringend om riep, overal te brengen waar ze niet behoort.
Hij teekent zich met de stroop een paar snorren, die een sappeur hem zou kunnen benijden; nu gaat hij over tot het aanbrengen van groote dwarsstrepen op zijn voorhoofd, welke hem iets diepdenkends zouden geven zonder de beide gortkorrels aan de punt van zijn neus.
Misschien zou Lavater een studie gemaakt hebben van de tegenstrijdigheden in de uitdrukking op Jantje’s gelaat, maar mevrouw De Bruining heeft daarvoor geen tijd. Nauwelijks ontdekt ze het snood bedrijf, als ze een natten handdoek grijpt en daarmede op den teekenmeester toeschiet...
Juist op dit oogenblik weerklinkt een hartverscheurende kreet. De strijd tusschen Willem en Louis met ongewone hardnekkigheid voortgezet, was weldra ontaard in een buiteling en de buiteling beëindigd met een even treurig als verrassend voorval: Louis kwam met een weinig beschermd lichaamsdeel terecht in de heete rijstepap.
Met pas gekrulde kuif en wijd uitgespreiden bakkebaard, met zijn das in de hand en zijn jas op den arm, vliegt nu de heer De Bruining de achtergalerij binnen: hij heeft door het hartverscheurend gegil van Louis gemeend, dat er een vreeselijk ongeluk gebeurde, maar de houding die het ventje aanneemt, nu hij uit de heete pap opkrabbelt, is zóó dwaas, dat papa met de kinderen en bedienden instemt en het uitschatert van lachen.
De kus, dien hij zijn vrouw op de lippen drukt, het goeden morgen dat hij zijn jongens toeroept, zouden vriendelijker zijn, als hij niet zoo gejaagd was; immers hij is reeds gekleed voor zijn dagelijksch bezoek bij den gouverneur-generaal; binnen een half uur moeten hij en Zijne Excellentie een zaak bespreken, die alleen met behulp van zeker staatsblad te bespreken is. En nu werd hij in het bestudeeren van dat staatsblad gestoord door den noodkreet van zijn zoon. Mevrouw is neergeknield om de vuurroode plek, die Louis bij zijn evolutiën bloot geeft, te betten met den natten handdoek voor Jantje bestemd; Jantje vliegt paatje tegemoet, paatje geeft toe aan een opwelling van vaderlijk gevoel en de lichtbruine vloeistof, waarin bij de tropische hitte Jantje’s teekeningen zich hebben opgelost, kleeft tusschen het ronde gezichtje en de mooie bakkebaarden.
Jantje vindt het aardig, maar papa laat zich een woord ontvallen, een woord dat... in ’t kort, dat hij hoogst waarschijnlijk niet gebruiken zal als hij straks in gezelschap is van Zijne Excellentie.
Doodelijk ontsteld rijst mevrouw De Bruining overeind en spant alle krachten in om nog meer zulke woorden te voorkomen.
De drie eitjes, die de algemeene secretaris moet gebruiken om bij zijn veelomvattende werkzaamheden staande te blijven, kunnen alleen door zijn Wies naar den eisch gekookt worden, en daar de juffrouw nog steeds niet verschijnt en de Spen volhardt bij het melk koken, terwijl Louis kermt en Jantje snikt, heeft ze de handen vol.
Daar komt een inlandsch naaistertje, een naaistertje zoo jong en mooi als slechts bij ongetrouwde dames een dienst vinden, binnentrippelen: ze brengt een boodschap van »nonna jupprou«; nonna jupprou heeft erge kiespijn; nonna jupprou kan onmogelijk opstaan en nonna jupprou vraagt haar ontbijt.
Terwijl ze daarvoor zorgt, ontsnapt een diepe zucht aan mevrouw De Bruining’s borst.
»’t Wordt toch wat erg,« meent Daniël, die den zucht hoort en met bezorgdheid opmerkt hoe bleek zijn vrouw er weer uitziet vandaag, »’t wordt toch wat erg! Jij hadt van morgen wel pijn in den rug...«
»Maar Daan! Alsof de meesteres zich zoo zou mogen toegeven als de juf!« zegt mevrouw De Bruining niet zonder eenige bitterheid. »Trouwens, ’t is al wat beter en straks, als ik mijn stortbad genomen heb, zal het wel heelemaal over zijn. Nog een boterhammetje?«
»Neen, dank je! Begin nu eerst zelf eens wat te eten.« En na een pauze, door de kinderen krachtig aangevuld:
»Wil ik je eens wat zeggen, Wies? Het gaat met deze juffrouw alweer net als met de beide vorigen, je hebt er meer last dan pleizier van.«
»Och lieve, dat is nu eenmaal niet anders in Indië.«
»Maar het is toch niet bij iedereen zoo. Ik ken wel dames, die van haar bonne heel wat meer gedaan krijgen dan jij.«
»Ik geloof dat het aan mij ligt,« zegt de arme Wies beschaamd; »als je denkt dat dit de negende is. Ik ben te zwak.«
»Ja, dat is het, oudje. Je bent te goed!«
Ze glimlacht en legt een oogenblik haar hand in de zijne. Hij drukt die hand, ziet haar in het gelaat, dat met dien glimlach niet vermoeid meer schijnt, en de kinderen mogen leven maken zooveel ze willen, hij mag het teeder woordje nog zoo zacht fluisteren—zij verstaat het.
’t Is een korte vreugd. In dezelfde zenuwachtige haast, waarmede hij naar binnen kwam stormen, vliegt hij overeind. »Mijn hemel! ’t is half negen. Ik moet weg! Wordt er ingespannen? Kinderen, houdt je stil... Wies! zorg dat de rijsttafel precies half een op tafel staat, dan kan ik... hou je mond, schreeuwleelijk—dan kan ik nog een oogenblik rusten.«
Nauwelijks heeft papa zijn hielen gelicht of de wilde horde vliegt den tuin in; mama bedenkt dat ze geen hoeden op hebben en geen schoenen aan; maar in ’s hemelsnaam! De stilte is zoo verrukkelijk! En het is nu juist een geschikt oogenblik voor haar om te ontbijten.
Gauw een kop thee, de beste is afgeschonken, maar ze kan nog wel eens opgieten; een eitje, de eieren van eigen kippen zijn altijd voor Daan, maar och, men kan het met koopeieren ook wel eens treffen...
Dat smaakt. Ze zal zich een tweede kopje inschenken, een tweede broodje smeren... daar begint ze onrustig te worden, ze werpt schuchtere blikken naar beneden, naar de trap; weldra durft zij de oogen niet meer opheffen van haar bord. Immers, ze weet dat ze daar beneden aan de trap wordt opgewacht; wel niet met kwade bedoelingen, maar ... met ongeduld, met steeds klimmend ongeduld.
Reeds stijgt een verward rumoer tot haar op; reeds onderscheidt ze het afschuwelijk neusgeluid, dat alleen een chineesche varkensslager kan voortbrengen; in de verte bengelt het klokje van den klontong; dichterbij kakelen kippen en kirren duiven die op voedsel wachten; boven alles uit weerklinkt de weinig melodieuse stem van Spen, die quasi de verkoopers van groenten vruchten, hout, klappers en wat ze meer op hun krakende picolans komen aandragen, onderhoudt over hun schandelijk overvragen.
Mevrouw De Bruining neemt zich voor, hen te laten wachten; ze zal haar boterham rustig opeten, zich nergens aan storen ... haar oog ontmoet den strakken blik van twee naaisters, die zich houden of het haar bepaald onmogelijk zijn zou één steek te doen vóór zij ze werk geeft; daar fluistert de waschmeid een dringende bede om zeep, de kokkin bewaart, voor de gesloten deur der goedang gezeten, een stilzwijgen, dat zegt: »mensch, maak die deur open of ik zal je op je rijsttafel laten wachten zoolang als je er nog nooit op gewacht hebt.«
De moed begeeft haar; een laatste verlangende blik op den trekpot en ze rijst langzaam overeind om aan de vervulling harer huishoudelijke plichten te beginnen.
Mevrouw De Bruining is de goedheid zelve.
Voor ieder, met het karakter van den inlander bekend, zal het na deze mededeeling duidelijk zijn, dat er op geheel Buitenzorg geen dame gevonden wordt, die een grooter aantal bedienden heeft en slechter bediend wordt, geene die meer passergeld gebruikt en minder eten op tafel krijgt, geene die uit haar tuin vol vruchtboomen zoo zelden een eetbare pisang of djamboe plukt als zij.
Door ervaring geleerd, bereidt ze er zich op voor om, als zij ’s morgens haar oogen opent, allerlei onaangename tijdingen te hooren. Zooals echter vandaag alles schijnt saam te spannen om haar tot wanhoop te brengen, daar is zelfs zij niet op voorbereid.
Het begint met de mededeeling van kokkie, dat een zeker geheimzinnig dier van nacht vier kippen heeft weggehaald; dan komt de tuinman vertellen dat een van de groote bloempotten met de juist bloeiende sering, in elkaar is gezakt; de huisjongen, haar steun en hulp, vraagt veertig gulden voorschot en twee dagen verlof om te gaan trouwen—voor de derde maal in den loop van dit jaar; onmiddellijk na hem nadert nog grooter onheilsbode in den persoon van den koetsier: hij meldt dat een der beide Sydneyers ziek is.
Dit is te veel! Moedeloos zinkt ze neer op haar stoel voor den goedang; werkeloos laat ze het toe dat de kooplieden haar beetnemen; ze ziet kokkie boter stelen in meer dan gewone mate, ze verzet er zich niet tegen, ze merkt op hoe de lampenjongen met de petroleum omgaat of het water ware: ze zwijgt. Daar wordt ze plotseling uit haar sombere moedeloosheid gewekt; was dat niet een noodkreet, een gil in doodsangst geslaakt, die daar het moederoor trof?
Reeds is ze den stoet kinderen tegemoet gevlogen, die onder akelig gehuil uit den tuin komt aanloopen. Wat is er gebeurd? Een kleinigheid maar, vinden de baboes, te oordeelen naar haar kalmte; de kinderen hebben steentjes in hun ooren gestopt, anders niet!