Part 18
Maar weldra zijn de tranen gedroogd. En de bloemfontein in den palmboom wuift en strooit hare witte bloesems op het bruingelokte hoofd, als wilde ze het reeds met den bruidskrans sieren en de maan ziet glimlachend neer op het schouwspel, dat haar verzoenen moet—en altijd weer verzoenen kan—met al het stuitende en treurige der aarde: het schouwspel van een meisjesgelaat, naar haar opgeheven in de zalige verrukking der eerste liefde!
XXVI
DE FAMILIE HAGEN.
»Het gaat in het geheel niet goed met mevrouw,« heeft dokter Bosschaert gezegd tot den algemeenen secretaris, en de algemeene secretaris heeft zich een oogenblik losgerukt van politieke beslommeringen, om zich zeer ongerust te maken.
Verder beweerde dokter Bosschaert: »Mevrouw behoeft vóór alles verstrooiing.« Buitenzorg is hier echter niet rijk aan, en daar Verschuere binnen enkele dagen den gouverneur-generaal vergezellen moest naar Batavia, wist hij niets beters te doen dan Agnita mede te nemen naar de vrienden, die langzamerhand hun beste vrienden geworden waren, de Hagens.
De vice-president en zijn vrouw waren er volstrekt de menschen niet naar om een logée, die afleiding behoefde, deze te willen bezorgen door menschen zien en partijen bijwonen: ze deden hun best om het haar gezellig te maken in huis.
En wanneer de Hagens daarvoor hun best deden, hadden ze meer kans van slagen dan de meesten; mevrouw wist allerlei prettige bezigheden, die ze liefst met de logée verrichtte; mijnheer bracht altijd wat nieuws mede en kon—zeldzame gave in een getrouwd man—uren lang bij de dames zitten zonder haar of zich zelf te vervelen; Gertrude kwam elk oogenblik in de loofhut binnenvallen als een zonnestraal, en de gelukkige jonge echtgenoot liet zich zelden lang wachten waar zijn vroolijk vrouwtje was. In een onbedacht oogenblik—zooals men er hebben kan in den engagementstijd—had hij zijn talent van voorlezen verraden. Nu werd hem geregeld een boek in de hand gestopt met de bewering, dat de dames veel beter »opschoten« als er gelezen werd; hij las dus, en mocht hij soms een oogenblik vertragen, dan was ’t om naar Gertrude te kijken, die dit als een sein beschouwde om hem een kanten baatje, een klein hemdje of rooskleurig spreitje voor te houden en met een stralend gezicht te vragen of het niet was om te stelen?
’s Avonds zong ze, of liever ze zong den geheelen dag, maar ’s avonds deed ze ’t bij de piano; mevrouw speelde een partij schaak met haar schoonzoon, mijnheer accompagneerde Agnita’s spel; soms ook bleef men praten, en onder het genot van zijn brandy-soda schilderde dan de gastheer met de opgewektheid, die bij hem het gebrek aan geest bijna vergoedde, het Batavia van vijf-en-twintig jaar geleden. Een enkele maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita—vrouw en dochter zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen—handelde hij over kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht!
Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig kind, dat hij in Gang Petjanongang vond, een aap teekenend op den vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als dierenschilderes... Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten, misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak, zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank, waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen nederzitten voor meesterstukken, om te genieten en te bewonderen.
Er was nog al iets toe noodig om den heer Hagen zijn oostersche kalmte te doen verliezen, maar als hij dit zijn stokpaardje bereed, kon hij zich vreeselijk boos maken; dan schold hij op de mannen van invloed en fortuin, die niets doen tot steun van het talent, het genie wellicht, dat toch ook in deze maatschappij niet geheel afwezig kan zijn, dan bespotte hij de Koningin van het Oosten met haar huizen vol marmer, haar kasten vol zilver, haar vrouwen vol juweel en, haar tafels vol gerechten; dan bracht hij u voor zijn Verveer, zijn Mesdag, zijn Apol, zijn Bles, en vroeg of die niet meer waard waren dan al die dikwerf smakelooze pracht; dan kon hij u bijna smeeken, toch liever onzen hollandschen schilders hun meesterwerken af te koopen dan Fransche juweliers en patissiers te verrijken met het dikwerf zoo zuur verdiende indisch goud.
»’t Is waar, we zouden zoo nu of dan een Mæcenas wel kunnen gebruiken,« zegt Agnita eens; en voegt er dan met een zucht bij: »Men heeft hier zooveel behoefte aan aanmoediging. We missen hier de veerkracht die een koel klimaat geeft; we hebben veel minder den prikkel der eerzucht... als we ten minste nog maar bezield werden door het denkbeeld dat iemand belang stelde in ons streven...«
»Ja,« zegt mevrouw Hagen, »dat heeft me sinds ik in Indië ben getroost over iets, dat me in Holland niet weinig hinderde, namelijk dat ik geen talenten bezit; een vrouw van talent staat hier alleen. Als ze niet pianospelen of in een liefhebberijcomedie optreden kan, interesseert niemand zich voor haar andere bekwaamheden; ze durft niet spreken over hetgeen haar vervult, ze kan anderen geen raad vragen, ze vindt geen bevoegde beoordeelaars... vroeg of laat vallen pen of penseel haar uit de hand.«
»En er is hier geen keizer Karel die ze voor haar opraapt.«
»Maar,« vraagt Van den Bosch, »zou het talent werkelijk zoveel behoefte hebben aan aanmoediging? Zou het niet alles, aanmoediging, belooning, ja zelfs een juiste waardeering vinden in zich zelf?«
»Misschien de groote talenten,« zegt Nita, »maar de kleine?... Het zal u heel kinderachtig schijnen; maar toch verzeker ik u, dat soms, als ik aan het schilderen ben, ik niet kan voortgaan zoolang me niet iemand gezegd heeft dat hij ’t mooi vindt. En,« voegt ze er bij met een zucht, »ik kan niet altijd iemand vinden om ’t me te zeggen.«
Dien avond had de heer Hagen een apartje met zijn vrouw. Hij vroeg of hier niet een kunstenaarszieltje verkwijnde door gebrek aan sympathie? Maar mevrouw Hagen beduidde mijnheer, wat ze hem gewoonlijk beduidde, dat hij zich vergiste.
Neen, dit was het niet wat knaagde aan Agnita’s geluk, ’t was heel iets anders! Gister had ze haar gevonden bij de groote naaimand, die door zijn inhoud verried welke hoop er gekoesterd werd door de familie; ze had haar gevonden, terwijl ze die verraderlijke artikeltjes een voor een door de handen liet gaan, ze beschouwde, gladstreek en weer opvouwde met het geheimzinnig voorgevoel, dat jonge vrouwen het kindje doet zien en tasten in de kleine kleedingstukjes, lang vóór het daarin is gestoken.
Gertrude echter, misschien ongewoon scherpziende door haar jonge liefde, Gertrude hield vol, dat pa en ma beiden de plank missloegen.
»Hebt u dan niet opgemerkt,« vroeg ze, »hoe haar arm, bleek gezichtje kleurt als Verschuere thuis komt? Hebt u niet gezien hoe die treurige oogen geheel veranderen van uitdrukking, alleen door zijn tegenwoordigheid? Hebt u niet opgemerkt hoe ze hangt aan zijn lippen, hoe gelukkig een vriendelijk woord van hem haar maakt?«
»Er zijn veel mannen die zich laten beminnen, weinigen die liefde hebben te geven... ’t kan zijn dat Verschuere tot de velen behoort,« peinst mevrouw.
Juist keert Willem terug van een militaire wandeling en moet zich—vermoeid en warm als hij is—laten omhelzen.
»Een oogenblikje om uit te blazen, Truus! Dan ben ik verder den geheelen dag tot je dienst.«
»Weet u, wat ik wenschte, moedertje,« vraagt de jonge vrouw terwijl ze haar man een glas ijswater brengt; »voor die arme Nita, bedoel ik...? Dat ze met een luitenant getrouwd was. Die hebben heele dagen om lief te zijn voor hun vrouw.«
Toch was Verschuere gedurende hun verblijf op Batavia zoo »lief voor zijn vrouw« als de bezigheden maar eenigszins toelieten; hij keek telkens vol bezorgdheid naar het bleek profiel, dat steeds fijner werd, naar de grijze oogen, die in hun donkere kringen steeds grooter schenen; hij bracht boeken en gravures mede uit de stad en nieuwe muziek en zeldzame bloemen.
Te Buitenzorg teruggekeerd, noodigde hij de goede kennissen hen veel te bezoeken, herinnerde hij James dat zijn couvert altijd gelegd werd, ja, vroeg hij zelfs mevrouw Te Leurse om eens een dagje bij hen te komen doorbrengen.
Wel had hij zich voorgenomen den omgang te verminderen met een familie, die in den laatsten tijd zooveel van zich spreken deed, maar Agnita moest afleiding hebben en tot afleiding was niemand zoo geschikt als de schoone luitenantsche met haar origineele invallen, haar reciteeren van brokstukken uit drama’s of comedie’s, haar werkelijk geestige behaagzucht en, zeer enkele malen, haar diep gevoel.
Dokter Bosschaert kwam veertien dagen achtereen, ’s morgens en ’s avonds. Toen volgde hij de gewoonte van indische geneesheeren—een gewoonte die vele honderde levens heeft gered;—vóór het te laat was raadde hij verandering van lucht aan.
Mevrouw moest naar boven.
Naar boven... In het begin, zoo lang hij daarbij nog denkt aan de tweede verdieping, glimlacht de Hollander om die uitdrukking. Maar als hij zijn vrienden, verkwikt naar lichaam en geest, zag terugkeeren uit de bergen, als vrouw of kind er herstel vond van uitgeputte kracht, dan glimlacht hij niet meer wanneer dat woord wordt genoemd, dan schijnt het hem de sleutel tot het paradijs der verkwikking.
Naar boven... Verschuere’s ijzeren gestel bood nog altijd weerstand aan zijn afmattenden werkkring, maar hij gevoelde in den laatsten tijd een andere vermoeienis dan lichamelijke; hij snakte naar rust, naar vrijheid; hij smachtte er naar om eens, ware het voor nog zoo kort, toe te behooren aan zich zelf. Of meer nog aan Agnita, arm kind, dat zich maar niet kon gewennen aan het denkbeeld—waaraan het trouwens verbazend moeilijk schijnt jonge vrouwen te gewennen—dat het huwelijk niet een samen leven en samen genieten kan zijn, maar een, ieder voor zich, najagen van geheel afzonderlijke doeleinden.
Hij denkt er niet aan, dat er een crisis op handen is; dat dezer dagen de begrooting wordt ingediend en de partij, door minister en gouverneur-generaal zoo warm aangehangen, gevaar loopt een nederlaag te lijden; hij stelt zich niets anders voor, dan hoe ze het verrukt gezichtje naar hem zou opheffen, als hij haar zeggen kon dat ze naar boven ging met hem.
Maar met de wilskracht, die hem gemaakt heeft tot wat hij is, schudt hij zich wakker uit den schoonen droom en antwoordt op Bosschaert’s vraag: »U gaat natuurlijk mede?« »Onmogelijk.«
De hofarts echter barst nu los in den ruwen toon die hem, volgens velen, ongeschikt maakt voor zijn tegenwoordig ambt. »U weet, ik houd niet van halve maatregelen; als u niet mee kunt gaan dient het nergens toe mevrouw weg te zenden. Goeden morgen.«
En eer nog Verschuere heeft kunnen antwoorden is hij in zijn coupé gestapt en weggereden naar het paleis, waar eene der bijkokkies zich in den vinger heeft gesneden, reden voor mevrouw Van Waliënhove om te eischen dat hij tweemaal daags naar den toestand van dien vinger zal komen zien: hij wordt er immers voor betaald!
XXVII
DE MOED VAN MEVROUW VERSCHUERE.
Geen uur is na het vertrek van den dokter verloopen, als een luide tik op de deur van Agnita’s boudoir haar doet overeind springen van den divan, waarop ze nu meest hare ochtenden doorbrengt.
»Ik kom met een brief voor je, Nita; van Zijne Excellentie. En ik moet op antwoord wachten.«
»Wat, James? Een brief van den gouverneur-generaal voor mij? Zeker een grap van je?« Maar terwijl ze spreekt heeft ze het couvert reeds opengescheurd en, na den korten inhoud te hebben doorloopen, vraagt ze haastig: »Wat is er gebeurd? Zeg, wat is er gebeurd?«
Dan, als Van Suylichem aarzelend zwijgen blijft: »Je kunt het me gerust vertellen, daar mijnheer Van Waliënhove me zelf in zijn vertrouwen neemt.«
»Neen, dat is het niet; maar... je vraagt me wat er gebeurd is en zie je... die vraag is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Als ik voor een rechtbank getuigen, als ik er een eed op doen moest, zou ik zeggen: niets. Hier, onder de roos beweer ik: veel, heel veel. Er is geïntrigeerd. Er is gespionneerd. Er zijn geheimzinnige samenkomsten geweest. Deuren die anders openbleven zijn gesloten. Er is gekibbeld, gehuild en als ik me niet vergis, bemind; d’Hannecour is tot wanhoop gebracht, hij voelde dat er iets in de lucht zat en kon niet raden wat. Hooglaan doet geheimzinnig. Hij heeft conferenties met de kamenier... neen, niet met mooi Marietje! met die oude grompot; je weet wel, mevrouws vertrouwde... Mevrouw zelve is vreeselijk uit haar humeur, ze loopt zoo recht dat ze ieder oogenblik dreigt over voetebankjes te struikelen of van de trappen te rollen—wat ik haar van ganscher harte gunnen zou.«
»Foei, James!« zegt ze lachend, om dan schijnbaar achteloos te vragen: »En... Van Beevelant?«
»Van Beevelant?« herhaalt James.
»Ja, hoe is hij?«
»Wel, zooals anders.«
»Och kom, dat is onmogelijk!«
Daar barst Van Suylichem los in den frisschen jongenslach die hem zoo goed afgaat. »O jullie vrouwen! Jullie verraadt je toch altijd. Hoe dikwerf heb ik je gezegd dat er iets bestond tusschen Van Beevelant en Clotilde? En hoe dikwerf heb je me voorgepraat, dat ik het me verbeeldde? hoe dikwerf me vermaand om er toch met niemand over te spreken. Je wist er meer van, Nita! Beken het maar, je waart hun vertrouwde.«
»Neen, daarin vergis je je. Ik wenschte dat ze het me een van beiden hadden gemaakt; ik zou hun graag bewijzen gegeven hebben van mijn sympathie. Clotilde heeft me wel verteld van andere pretendenten; kort geleden nog dat Hooglaan de insolentie gehad heeft haar te vragen...«
»Hooglaan! Neen?... Waarachtig?«
»Ja. Na haar mama, niet haar het hof te hebben gemaakt. Maar over Van Beevelant sprak ze nooit, ten minste niet in dien zin.«
»Nu, zooals je uit den brief ziet, ze is van morgen naar Tjipanas vertrokken. Je weet, juffrouw Kwake is daar, de oude bonne, die met haar meekwam uit Europa en, daar ze het met de njonnja besaar niet vinden kon, moest verwijderd worden. Ze zal zeker met alle liefde voor haar pleegkind zorgen, maar...«
»Clotilde heeft ander gezelschap noodig, wil je zeggen?«
»Vraagt de oude heer je om naar Tjipanas te gaan?«
»Ja,« zegt Nita, terwijl ze den brief weer openvouwt.
»»Mijn arm kind is ziek!« schrijft hij. »Maar van een ziekte die niet de berglucht alleen geneest. Ze is diep geschokt en er is een zachte hand noodig om de wonden, háár geslagen, te heelen.««
»Ja, er is gisteravond een scène geweest met mevrouw!... ik dacht niet dat baronessen er zulke stemgeluiden op nahielden... Clotilde zag er vreeselijk bleek en behuild uit van morgen... ’t ging me aan het hart. Je neemt het toch aan, Nita? Toe, zeg ja. Me dunkt, je bent er juist het persoontje naar, om goed te doen in zoo’n geval, juist ìemand om alles aan te willen vertrouwen.«
»En dat zegt een jong mensch, die nog nooit bij me is gekomen om me zijn Confidenties te doen!«
Hij ziet haar een oogenblik verwonderd, vorschend bijna, in het gelaat. Dan, als ze zijn blik kalm en rustig doorstaat, roept hij: »Ik heb geen confidentie te doen, dat weet je wel.«
Nu neemt hij het boek op, waarin ze bij zijn komst las, en terwijl hij zich houdt of de titelplaat hem bijzonder belang inboezemt, gaat hij op plotseling veranderden toon voort: »Maar we spraken daar over...«
Juist op dit oogenblik treedt de algemeene secretaris binnen.
»Bonjour, Van Suylichem! Je bent hier met een brief, niet waar? Dank je, lieve; ik ken den inhoud. Je hebt James zeker gezegd wat de kwestie is? Goed. En wat denk je van het plannetje? Uitstekend, niet waar? Zoo’n aardige toevalligheid als men zelden vindt! Bosschaert was daareven bij me: hij zegt dat het klimaat van Tjipanas juist is wat je noodig hebt.«
»Maar zul je het niet eenzaam vinden hier?«
»O, maak je daar niet ongerust over. Ik heb altijd gezelschap in mijn werk. En ’t is voor je gezondheid.«
»Kun je niet meegaan?« vraagt James, die evenals Bosschaert wel weet—wat slechts voor den betrokken persoon een geheim schijnt—dat de zwakke orchydee niet leven kan zonder den steun van haar boom.
»Meegaan? ’k Wou dat het mogelijk was! Maar misschien kan ik je brengen!«
»Ja, dat zou heerlijk wezen!« roept Nita verheugd, en James merkt op met hoe weinig ze geleerd heeft zich tevreden te stellen. »Ik hoop dat ik Clotilde van nut zal kunnen zijn,« gaat ze dan voort, »en ik geloof het wel, ten minste ik kan me zoo geheel in haar toestand verplaatsen.«
»Ja,« vraagt Verschuere schertsend. »Kun je je zoo goed een voorstelling maken van wat dat is: een ongelukkige liefde? En ik, die dacht dat je geen ervaring hadt op dit punt!«
»Neen, zeker niet van ongelukkige liefdes. Maar mag je dit wel zoo noemen?«
»Of je dit zoo noemen moogt!« klinkt het van twee kanten.
»Is de gouverneur-generaal er dan tegen?« vraagt ze weer.
»Natuurlijk.«
»Maar hoe kon hij dan de onvoorzichtigheid hebben iemand als Van Beevelant dagelijks in Clotilde’s gezelschap te brengen?«
»Wel, dat vind ik nog al duidelijk,« roept James; »hij heeft niet gedacht aan de mogelijkheid.«
»En dan—hij geloofde te doen te hebben met een fatsoenlijk man.«
»Verschuere!... Wat bedoel je?«
»Je vroegt me gister, Nita, waarom we Van Beevelant niet meer zien; je verwonderde je dat hij de geheele week niet hier was geweest! Ik heb je ontwijkend geantwoord, omdat... omdat ik wist hoezeer het je bedroeven zou. Maar ’t is beter dat je ’t hoort: Van Beevelant heeft zich gemeen gedragen en ik heb hem dat gezegd.«
»Heb je hem dat gezegd?« roept Agnita en alle kleur wijkt uit haar gelaat. »O, wat spijt me dat, Gustaaf! hij zal het je nooit vergeven.«
»Ik wensch niet dat hij ’t me vergeeft. Ik wil dat onze intimiteit voor goed geëindigd zij.«
»Neen, dat wensch je niet. Niet waar, je zoudt willen dat zijn onschuld bleek en dat je het gebeurde ongedaan kondt maken. Nu weet ik wat je zoo gehinderd heeft in den laatsten tijd... Je beste vriend! Maar Verschuere, wat je ook een oogenblik geloofd moogt hebben, je moet nu reeds tot de overtuiging zijn gekomen dat het een vergissing is, dat Frans niet laag of gemeen kan gehandeld hebben. Misschien is hij zwak geweest... Maar slecht...«
»Zwakheid is in sommige gevallen slechtheid.«
»Ook wanneer de liefde in het spel is?«
»Ook wanneer de liefde in het spel is.«
»Verschuere,« begint James nu, »kan het geen laster zijn? ’t Komt me zoo ongelooflijk voor. Die loyale, flinke kerel, die je aanziet met zoo’n paar eerlijke oogen.«
»Je moest me genoeg kennen,« spreekt Verschuere, na een oogenblik van stilte, met afgewend gelaat en onvaste stem, »je moest me genoeg kennen om te weten dat ik niet lichtvaardig mijn besten vriend zal opgeven. Wat ik je van Frans zeg is de waarheid, ik heb de bewijzen gezien, zwart op wit. Ik weet dat ze rendez-vous hadden in de leerkamer en quasi toevallige ontmoetingen in het park; ik weet dat ze hem bloemen zond.«
»Om het portret van zijn zuster mee te omkransen... zooals ik ook heb gedaan... de bloemen, die we in een ander geval zouden hebben neergelegd op Louise’s graf.«
»Alles heel poëtisch, Nita, maar er is meer gebeurd.«
James heeft hem reeds geruimen tijd vorschend aangezien; nu springt hij overeind. »Verschuere, je bent opgestookt en mevrouw Van Waliënhove heeft het gedaan!«
»Maar dat zou verschrikkelijk zijn,« roept Nita. »Twee zulke vrienden te scheiden, vrienden van zooveel jaren her!«
Verschuere keert zich haastig om, niemand mag weten dat de brandende tranen hem in de oogen staan.
»Goddank! dat al haar laster niet baten zal,« begint Nita straks. »Alles zal zich ophelderen en wanneer Clotilde hem trouw blijft...«
»Dat zal hem weinig baten,« zegt James. »Je begrijpt toch, dat haar vader zijn toestemming niet geeft?«
»Als hij van haar houdt, zooals ik geloof dat hij doet, met de onbaatzuchtige liefde, die alleen ouders kennen, dan zal hij meer háár geluk zoeken dan de bevrediging van eigen wenschen. Daarbij, hij begrijpt zijn dochter, hij weet dat Clotilde niet een der willooze wezentjes is, die met iederen man gelukkig kunnen zijn, maar een van de vrouwen die zelve kiezen.«
»Ik geloof dat je je vergist, kind,« zegt Verschuere, zich losrukkend uit zijn gepeins. »Hij zal er zeer tegen zijn.«
»Maar dan is het beter dat ik niet ga. Ik zou niets willen doen om Clotilde tot andere gedachten te brengen. Ik zou niets willen doen in het nadeel van onzen vriend.«
»Maar ik zeg je dat hij mijn vriend niet meer is,« barst Verschuere los in hevigen toorn.
»Des te meer reden voor mij om hem trouw te blijven.«
»Ferm zoo, Nita!« roept James. »Ik voeg me bij je! De arme drommel zal zijn vrienden wel kunnen tellen, nu mevrouw Van Waliënhove tegen hem is.«
Driftig keert Verschuere zich tot hem. »Je wilt niet zeggen, je durft niet denken dat ik hem verloochen ter wille van die vrouw!«
»Neen, God beware me!«
»Hoe zou hij dat kunnen denken, Gustaaf, hij, die je zoo goed kent? Wij weten, je gelooft dat Frans schuldig is. Na korter of langer tijd zal het je echter blijken dat je bedrogen bent, dat er een misverstand heeft plaats gehad misschien; dan zul je ons dankbaar zijn dat we niet aan hem getwijfeld hebben.«
»James is vrij om te doen wat hem goeddunkt, maar ik wil dat jij me gelooven zult, Nita; ik wil dat je één lijn zult trekken met je man, zooals dit aan een vrouw past.«
Er volgt een oogenblik van stilte. Agnita heeft haar echtgenoot aangezien met smartelijke verbazing; Van Suylichem is opgerezen.
»Neem me niet kwalijk... ik had reeds eer willen weggaan, maar mij was opgedragen zoo mogelijk antwoord mee te brengen.«
»Kom, lieve,« spreekt Verschuere, die reeds zijn zelfbeheersching herwon, »stuur James niet zoo onverrichterzake terug. Schrijf een enkel woordje, om te zeggen dat je...«
»Ik zou liever nog geen besluit nemen, Gustaaf.«
»Nu dan... mijn paard wordt lastig, als het zoo lang staat... ik ga het eens even afrijden... Tot straks!«
Als haar neef de kamer heeft verlaten, komt Verschuere dicht bij zijn vrouw zitten: hij kent zijn invloed, hij weet dat ze hem niets weigert, als hij zoo de armen heeft geslagen om haar schouders, als hij haar in de oogen ziet met dien blik, waaraan ze leerde gehoorzamen in nederige liefde.
»Luister nu eens, kindje. Je begrijpt toch, niet waar, dat dit een groote eer is die je wordt aangedaan? Dat de gouverneur bewijst een bijzonder vertrouwen in je te stellen? Dat al de dames jaloersch zullen zijn van deze nieuwe onderscheiding? En, niet waar, kleintje, we weten toch ook—al hou je je nu of je geheel vreemd bent gebleven aan de gewoonten hier—je weet toch ook dat je niet kunt weigeren, nu hij het op zoo vleiende manier vraagt?«
»Maar als het nu tegen mijn gevoel strijdt?«
»Dan doe je het toch.«