Part 17
Men zal hem een intrigant noemen, een fortuinjager. Maar als hij en zij beter weten, wat deert hen dan het oordeel der wereld?... Baron Van Waliënhove is zeer goed geweest voor den zoon van zijn vriend, maar is hij hem, welbeschouwd, zoo veel dankbaarheid schuldig? Heeft hij ook niet zijn plicht gedaan, meer dan zijn plicht zelfs?
En dan—zal iemand haar kunnen geven wat hij te geven heeft, een jeugd zoo rein bewaard, een liefde zoo groot, een hart zoo vrij van elken anderen hartstocht? Heeft hij niet de hoogste rechten? de rechten die eeuwig hebben gegolden, de onveranderlijke rechten van jeugd en liefde?
Ja, de nacht was bang.
Eerst toen maanlichtglans week voor morgenblond, eerst toen gelukte het den eenzamen strijder om de demonen te verjagen, die hem vervolgden met hun verzoeking; eerst toen kon hij de oogen zijner ziel dwingen om iets anders te zien dan dat smeekend gezichtje, naar hem opgeheven met zoo zoete teederheid.
Maar toen het hem eindelijk gelukt was, toen zag hij een ander gelaat, streng en ernstig, zooals vrouwengezichten worden kunnen door langdurige zelfverloochening; hij hoorde een stem, zacht maar toch zóó krachtig, dat zij alle andere stemmen tot zwijgen bracht, en die stem sprak: »Wees sterk!«
En de morgen vond hem sterk: hij schreef een woordje aan den adjudant van dienst—op staanden voet—om te vragen op welk uur van den dag Zijne Excellentie hem zou kunnen ontvangen; hij was besloten te vertrekken. Toen ging hij zijne gewone wandeling maken, en de ochtendure deed wat ze zoo wèl vermag: ze stilde den storm door den nacht gewekt, ze bestraalde zijn hart, tot al wat er goeds in was ontwaakte en hij keerde terug, het hoofd hoog, de borst ruim, waardig en fier door de kracht die men put uit het bewustzijn iets groots te volbrengen... hij ontmoette Verschuere, die aarzelde hem de hand te reiken! en wat twintig jaren van vriendschap hadden vereend was gescheiden!
Na een pauze, waarin hij tevergeefs wacht of niet van de andere zijde een aanvang zal worden gemaakt, vraagt de landvoogd:
»Wat had u te bespreken?«
»Excellentie!« stamelt de gouverneur, »ik bid u... een oogenblik... ’t is zoo moeilijk wat ik u te zeggen heb.«
De heer Van Waliënhove treedt door de openstaande deuren op het balkon: de bloemdragende boomen, die als reusachtige witte ruikers pronken in het maanlicht, zenden hun geuren tot hem op; Clotilde werpt hem een kushand toe; de jongens roepen dat ze gaan roeien op den vijver; hij belooft zich straks met hen te genieten van den heerlijken nacht, straks als dit onderwerp is afgeloopen.
»Rook een sigaar met me, mijnheer Van Beevelant,« zegt hij en biedt hem, weer binnentredend, den geopenden sigarenkoker aan, houdt zich alsof hij niet zag hoe de vingers beven, die de lucifer beproeven aan te strijken en gaat op denzelfden vriendelijken toon voort: »Komaan, frisch begonnen is half gedaan! Hebben de jongelui wat uitgehaald?... Zijn er misschien minder goede berichten van uwe ouders?... Of gaat het u persoonlijk aan?«
»Mij persoonlijk. Maar ... de jongens toch ook... o, het moet u zoo ondankbaar schijnen na al het goede mij bewezen.«
De landvoogd ziet hem aan met den scherpen blik waaraan niet te ontwijken valt... hij herinnert zich anderen op dezelfde plaats, in dezelfde verwarring, en een groote schrik is te lezen op het anders zoo welbeheerscht gelaat.
»U wilt... uw ontslag vragen?«
Zwijgend buigt Van Beevelant het hoofd.
Er volgt een lange stilte. Alleen nu en dan komt het gelach tot hen van Clotilde, die met haar broers zingt en schertst in het bootje op den vijver.
»Dat had ik niet van u verwacht.«
Alles had Frans Van Beevelant beter kunnen dragen dan dien toon van zacht verwijt, dan dien blik vol smartelijke teleurstelling, dan het woord dat nu volgt: »Ik dacht dat u mijn vertrouwen zoudt gewaardeerd hebben.«
»Ik waardeerde het, Excellentie. Ik was er trotsch op. Wat meer is, ik geloof te durven zeggen dat ik het me tot nu toe waardig heb betoond.«
»U vraagt ontslag... Ik kan het u niet weigeren. U zijt vrij.«
De landvoogd maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij het gesprek als geëindigd beschouwt en keert zich weder naar het balkon; een wijle staart hij naar buiten in het park naar het meer, waarop het bootje wiegelt met zijn vroolijken last; dan rijst uit het beleedigd vaderhart de kreet:
»Mijn arme jongens!... En ik die geloofde dat hij van me hield.«
»Dat doe ik, Excellentie! Dat doe ik.«
»U nog hier?« en de landvoogd keert zich verbaasd om.
Nu barst Van Beevelant los, onsamenhangend, hartstochtelijk:
»O, ik weet het, ik moest hier niet meer zijn... u hebt me niets meer te zeggen... maar ik... ik kan zoo niet heengaan. Ik kan dit niet verdragen... ik wil uw vertrouwen niet onwaardig schijnen. Ik wil niet onder de verdenking liggen van ondankbaarheid... o God! dat ik niet spreken mag!«
Baron Van Waliënhove is langzaam teruggekeerd in het vertrek, maar ’t is niet langer de vriendelijke man, die daar straks zoo welwillend vroeg naar de belangen van den gouverneur zijner zoons.
»Laat dit genoeg zijn, mijnheer Van Beevelant,« spreekt hij ijskoud. »Mijn tijd is kostbaar.«
Als hij ziet hoe de jonge man verbleekt bij dien toon, gaat hij voort, minder grievend, maar toch koel: »Waarom te schermen met groote woorden? Laat ons voet bij stuk houden. U beweert dat u van Oscar en Felix houdt, u beweert dat u me dankbaar zijt... en u wilt u niet langer belasten met hun opvoeding, hun opvoeding, die u weet dat mijn grootste zorg en tot aan uw komst een failure is geweest! U beweert mijn vertrouwen te waardeeren? Ik vraag u, hebt u niet met mij de overtuiging dat de jongens ten goede veranderden onder uw leiding, dat die leiding veel zorgt eischt en veel genegenheid, maar vooral een ruimer blik, een ontwikkelder geest dan die waarover het gros der onderwijzers beschikken kan? U kondt hun dit alles blijven schenken, maar vraagt uw ontslag... en dan wilt u dat ik gelooven zal aan uw liefde voor hen... Ik bid u, wees oprecht! ’k Weet dat u van nature geen huichelaar zijt: doe uzelf geen geweld aan om mijnentwil... ik ben gewoon aan teleurstellingen als deze.«
»Als u wist hoe ik alles zou willen doen, alles zou willen opofferen om te kunnen blijven...«
»Alles, uitgezonderd dit eene wat ik van u vraag: uw persoonlijke ijdelheid overwinnen.«
»Mijn persoonlijke ijdelheid?«
»Ja, ontken het niet, mijnheer Van Beevelant. ’t Is gekwetst gevoel van eigenwaarde, wat u tot dit besluit heeft gebracht. ’t Is u niet genoeg dat ik u heb doen eerbiedigen in mijn huis, dat mijn kinderen u liefhebben, dat mijn gasten, mijn vrienden u met onderscheiding behandelen... U eischt dat ook mevrouw van Waliënhove u ontzien zal.«
»O, Excellentie! Denk dat niet!«
»Ik erken dat u er recht op had! Ik erken dat u zwaar werd beleedigd, voortdurend, herhaaldelijk, ik erken dat geen uwer voorgangers...«
»Och, wat ik u bidden mag, laat dat rusten! De behandeling die ik van u en de andere leden uwer familie mocht ondervinden, heeft me dat ruimschoots vergoed.«
»Neen, ik weet beter, ik heb gezien hoe het u griefde en dan... ik begreep wat het voor u moest zijn, door hetgeen het voor mij was. Maar ik meende dat u vrij hoog stond, hoog genoeg om voor zekere pijlen onkwetsbaar te zijn.«
»Excellentie, is het niet mogelijk dat u toen juist hebt gezien?... dat u zich nu in mij vergist?«
»Hier kan helaas van geen vergissing sprake zijn. Het is hier het geval van den soldaat, die op een post van vertrouwen geplaatst, dien post verlaat omdat hij door muskieten gestoken wordt.«
»O, dit is te veel!«
De jonge man is opgesprongen van zijn stoel, hij heeft de hand aan het hoofd gebracht, als had hij een slag ontvangen in het aangezicht; maar onverbiddelijk door zijn verontwaardiging, gaat de heer Van Waliënhove voort: »U weet hoe men zulk een soldaat noemt?«
»Een lafaard!«
Getroffen keert de landvoogd zich tot hem. Dat woord werd niet gesproken als door een op wien men het zou kunnen, zou durven toepassen; het klonk als een smartkreet, maar ook als een protest, als een uitdaging.
De twee mannen zien elkander in het gelaat, en dan vindt plaats wat plaats vinden moet wanneer de blikken van twee edele naturen elkaar ontmoeten, die beiden—zij het dan langs verschillenden weg—streven naar het goede: de plotseling opgekomen toorn wijkt voor achting en genegenheid.
Langzaam treedt de heer Van Waliënhove op den gouverneur toe.
»Weet u, aan wien u me doet denken, zooals u daar staat? Aan uw vader.« En dan, terwijl hij hem de hand toesteekt: »De zoon van dien vader kan geen lafaard zijn.«
»Dank, Excellentie! U hebt goed gezien; ik ben geen lafaard! Ik ben het nooit minder geweest dan op dit oogenblik. Misschien,« voegt hij na een korte stilte er bij, met een weemoedig lachje, »misschien krijg ik heden zwaarder wond dan mijn vader op Borneo kreeg... En dat zonder Willemsorde, met verlies van uw genegenheid, zoo niet van uw achting.«
»Neen, dat niet, dat niet! Maar, ziet ge, op mijn jaren verliest men ongaarne een illusie—men heeft er zoo weinig meer te verliezen—en hierdoor was ik misschien daareven onrechtvaardig, hierdoor kan ik me ook nog maar niet schikken in het denkbeeld, dat u ons zoudt gaan verlaten. Ik was u reeds min of meer gaan beschouwen als een lid van ons gezin, ik vond in u zooveel terug van mijn ouden vriend, van mij zelf. En dan, ik meende dat u zich hier niet ongelukkig voeldet, ik dacht dat u zich een weinig aan ons had gehecht.«
Van Beevelant kan niets zeggen, hij weet dat hij verloren is als hij spreekt; zoo vol is hem het hart. Een groote brandende traan, even spoedig weggewischt als opgeweld, is zijn eenig antwoord.
Maar de heer Van Waliënhove heeft dien traan gezien.
»Kom Van Beevelant«, spreekt hij dringend, »kom, wees openhartig. Bedenk dat ik me steeds uw vriend betoond heb. Waarom wilt u ons verlaten? Zeg het me. Waardoor gevoelt ge u gegriefd? Is het zoo’n doodelijke beleediging, dat ik het niet zou kunnen herstellen? Ik weet, op uw leeftijd valt vergeven moeilijk, maar we moeten het immers allen leeren, willen we niet omkomen in een zee van bitterheid. ’k Weet, de taak wordt u wel zwaar gemaakt. Maar we kunnen ook het zwaarste volbrengen, als we het doen voor anderen. En in dat geval verkeert u. Zoudt u den bodem willen inslaan aan uws vaders verwachting dat zijn zoon carrière zal maken in Indië... Ik heb hem beloofd, dat ik vóór mijn heengaan u een toekomst zal openstellen. Zoudt u uw moeder, zoo kort na het door haar geleden verlies, willen bedroeven door den strijd op te geven, lang vóór de overwinning? En zou het u niet hard vallen, zoo u op eens moest ophouden met hun al die kleine weelden te verschaffen... ja, ik weet daarvan, ge behoeft niet zoo te ontstellen, mijn jongen; ik zelf heb jaren lang mijn ouders ondersteund, en geloof me, men kan zijn geld niet beter uitzetten.«
»Ik weet dat ik hun een groot verdriet ga aandoen,« spreekt de jonge man zacht. »Die gedachte heeft me lang teruggehouden, te lang reeds.«
»Welnu, neem nogmaals tijd van beraad. Ik wil gelooven dat het u op dit oogenblik onmogelijk schijnt op uw besluit terug te komen, maar hoe verschillend denken we soms in enkele dagen over dezelfde zaak.«
»Als ik dit hopen mocht, denkt u dan dat ik hier voor u zou staan?«
Er volgt een lange stilte; dan vraagt de heer Van Waliënhove zacht, smeekend bijna: »Hebt u er aan gedacht, wat dit voor mij zal zijn? Hebt u daaraan gedacht, wat het moet wezen voor een vader, zijn kinderen weg te zenden? Onder vreemden? Met de zee tusschen hen?«
»Excellentie... och, folter mij niet... laat me gaan... U gelooft toch ook, dat om zooveel goedheid, zooveel vriendschap, zooveel vertrouwen te verliezen, er redenen moeten zijn, redenen... Noem me een lafaard, noem me ondankbaar! denk dat ik een ijdele dwaas ben! geloof dat ik om een persoonlijke beleediging de toekomst uwer zonen op het spel zet, mijn eigen toekomst voor goed bederf, dat ik uit egoïsme mijn ouders beroof van mijn steun... denk, geloof dat alles; maar in Godsnaam, als u van den vader gehouden hebt, dwing dan den zoon niet om het recht te verliezen op het vertrouwen van een fatsoenlijk man!«
»Ga, Van Beevelant.«
XXV
JONGE LIEFDE.
Langen, langen tijd nadat de deur zich sloot achter den gouverneur, blijft de heer Van Waliënhove onbewegelijk zitten, de handen tegen het voorhoofd gedrukt, de oogen gevestigd op één punt. Maar als hij daar zoo onbewegelijk zitten blijft, dan is dit niet om het raadsel op te lossen hem een uur geleden voorgelegd, hij heeft de oplossing van het raadsel gevonden. Dit bewijst het woord dat hem telkens wederop de lippen komt: »Clotilde!«
Wanneer hij eindelijk oprijst, is het om zich naar haar vertrek te begeven en zacht te kloppen aan haar deur.
»Zijt u het, papa? Kom binnen!« en ze verschijnt op den drempel harer zitkamer met een vriendelijk lachje om de lippen. Maar hij merkt op, dat terwijl de mond lacht de oogen rood zijn van pas vergoten tranen.
»Ik zag geen licht, ik vreesde dat je reeds naar bed zoudt zijn.«
»Dat zou ik zeker... wanneer het een regenachtige avond geweest was, maar als het maantje me zoo aankijkt en de sterren me zoo vertrouwelijk toeknikken, dan kan ik er niet toe komen ze buiten te sluiten. ’t Geeft me zoo’n gevoel alsof lieve vrienden me wilden bezoeken en ik ze de deur voor den neus dicht deed.«
Al sprekend heeft ze met een vlugge beweging, de inlandsche vrouwen afgezien, het loshangend haar opgenomen en in een wrong tegen het achterhoofd gelegd; nu haalt ze een doekje en slaat dat over het dun wit négligé; ze weet waarvoor hij kwam; ze maken dikwerf van die kleine uitstapjes samen, des avonds, als de booze oogen gesloten zijn.
Hand aan hand, een paar ondeugende kinderen gelijk, bang om betrapt te worden, sluipen ze het huis uit.
»Dat hebben we er goed afgebracht!« fluistert Clotilde, als ze buiten de schaduwen van het dicht geboomte zijn gekomen; en terwijl ze haar arm door den zijnen steekt, gaat ze voort met de zenuwachtige drukte van iemand, die de aandacht op alles liever vestigen wil dan op zich zelve.
»Nu zal ik u eens iets moois laten zien, iets heel bijzonders, ten minste de botanici zijn er over in verrukking en Annet Paerel beweert, dat haar man er vrouw en kind voor vergeet: een palmboom die bloeit!«
»Is dat zoo iets buitengewoons? Nu, goed, ik wil er graag heengaan, maar je moet wat minder hard loopen.«
De maan stond nu hoog aan den hemel en overgoot met zijn licht den palmentuin; de slanke stammen hoog en trotsch, de onbewogen bladeren sterk afgeteekend tegen den azuren achtergrond, in zijn koninklijke rust, in zijn plechtig stilzwijgen niet zoo liefelijk wellicht als menig ander plekje in Bogor’s lusthof, maar van verhevener schoonheid dan eenig ander. Vader en dochter vergeten een oogenblik de gedachten die hen bezig hielden, als ze rondom zich zien; weldra rust hun verrukte blik op het ongewoon verschijnsel: onder al die gekroonde hoofden één, wiens diadeem met bloemen is getooid.
En welke bloemen! Een fontein van wit en rose, opgolvend uit het bladerdak, trillend en suizelend in de avondkoelte, stoeiend met stargeflonker en maanlichtglans, zwevend boven de donkere kruin, gelijk de sluier der andalusische boven het zwartgelokte hoofd.
»Als de boom heeft uitgebloeid sterft ze,« spreekt Clotilde zacht.
»Arme boom!«
»Neen, Papa, zeg dat niet!« roept het meisje. En dan, met een hartstochtelijke trilling in haar stem: »Zou ze niet nog veel meer te beklagen zijn, als ze nog voort moest leven wanneer ze heeft uitgebloeid? Niet waar, het zou de moeite niet loonen? Wij menschen moeten altijd voort, ook al dragen we geen enkel bloempje meer in hoofd of hart, maar een palmboom is gelukkig... die mag sterven!«
»Clotilde!... lieveling!« roept de heer Van Waliënhove ontsteld, en als hij haar in het gelaat heeft gezien, vraagt hij zich af, wat duizende vaders voor hem zich hebben afgevraagd en duizende na hem zich zullen afvragen: »Hoe kon ik zoo blind wezen?«
»Kijk me niet zoo verschrikt aan, papa, dan heb ik berouw over mijn onvoorzichtige woorden. En toch... ik kan niet langer veinzen... ik kan geen vroolijk gezicht meer toonen. Ja, u hebt het reeds ontdekt, niet waar? ik had daar straks zitten schreien... O pa, ik ben het zoo moê... telkens weer die nieuwe pretendenten, altijd door vervolgd te worden met huwelijksplannen! Ik kan het niet langer aanhooren, ik heb het mama ronduit gezegd.«
»Dat is goed, kind.«
»Neen, het was niet goed. Want mama heeft woorden gesproken... o God!« En met een plotselinge beweging van droefheid en schaamte werpt ze zich aan zijn borst. Dan snikt ze: »U zult me toch niet dwingen! Ik mag bij u blijven, niet waar? Zeg vadertje, ik ben u geen doorn in het oog, zooals haar? U wilt me niet kwijt zijn tot elken prijs, zooals zij? U vindt niet dat het tijd wordt, hoog tijd? Zeg papa?«
»Behoef je dat te vragen? Je bent vrij, Clotilde, vrij om bij me te blijven, vrij om een echtgenoot te kiezen.«
»Ik wil geen echtgenoot kiezen.«
»Geen echtgenoot?« herhaalt de heer Van Waliënhove. »Natuurlijk, ik begrijp je... niet een zooals sommige van de jongelui, die je het hof maakten; niet een zooals nu de laatste protégé van je mama, maar... een echtgenoot, die beantwoordt aan...«
»Neen papa, ook niet een die beantwoordt aan mijn ideaal. Ik houd vol, wat ik gister aan mama heb gezegd: ik trouw niet! Of neen, ik druk me niet goed uit. Ik zou het heel naar vinden om als oude jongejuffrouw te sterven. Wanneer mama me nu maar een tijdlang met rust wou laten, wanneer ze mij nu maar niet forceerde, dan zou ik later—als ik wat ouder ben en verstandiger—dan zou ik later een huwelijk doen, waarover ze tevreden kon zijn.«
»Een huwelijk uit berekening?... Nooit!«
»Zeg dat niet, papa! Ik zal een mooie positie trouwen en een adellijken titel en—veel geld!«
»Stil, Clotilde! Ik mag dit niet aanhooren. Het smart me, als de dochter van je moeder zoo spreekt. Maar kind, het was je geen ernst, niet waar? O, ik begrijp wat het is: ze zijn bij je gekomen, die vrouwen van de wereld, die lage prediksters van het proza; ze hebben je gezegd dat bij een verstandig meisje die »overdreven voorstellingen« van liefde en huwelijksgeluk langzamerhand moeten wijken voor de werkelijkheid en dat die werkelijkheid met poëzie niets heeft uit te staan. Geloof ze niet, kind, ’t is alles leugen, ’t is alles laster! Och lieve, kon je moeder op dit oogenblik tot je komen en je zeggen, wat de liefde geweest is in haar leven! Ik zie haar met dat stralend gezichtje me welkom heeten, me naar binnen leiden in onze kleine woning, met een trots alsof het een paleis ware geweest; ik hoor nog haar vroolijk snappen, haar kwinkeleeren als een vogeltje even blij en onbezorgd! Ach, ze heeft wèl genoten, al mocht het maar kort zijn! Hoe zalig was dat lachje, waarmee ze ’s avonds insliep aan mijn borst, alsof niet ik het was geweest die den nachtkus drukte op haar lippen, maar een halfgod, een engel. En wat was dat een geluk, toen je geboren zoudt worden! Wat heeft ze dikwerf gezegd: »Ik hoop maar dat het een meisje zijn zal!« En als ik vroeg waarom het geen zoon mocht wezen, dan heette het: »Mannen hebben zooveel noodig om gelukkig te zijn. Een vrouw behoeft niets dan liefde en die zullen we haar geven.«
»Arme, lieve moeder... ach, waarom mocht ik haar niet behouden!«
Luider dan de avondkoelte stijgen de zuchten omhoog van deze twee menschenkinderen onder den bloeienden palmboom.
»Die wensch van uwe moeder is me heilig, Clotilde!... Ik wil u vóór alles gelukkig zien, gelukkig door het hoogste wat ouders kunnen begeeren voor hun kind.«
Tot eenig antwoord wijst Clotilde op den palmboom, met bloemen gesierd, te midden harer zusteren.
»Niet voor ieder is het hoogste weggelegd, papa!«
»Niet voor ieder, neen. Maar als er één jong hartje is, dat de toekomst blij mag tegenkloppen, dan is het dat van mijn dochter.«
»Ja, dat zou men zoo meenen,« fluistert ze meer tot de sterren boven haar, dan tot hem, die in de grootste spanning ieder woord opvangt van haar lippen.
»Clotilde, luister. Ik heb je kinderjaren niet onbezorgd kunnen maken; ik heb je bij vreemden moeten achterlaten en ik weet wat je geleden hebt onder die scheiding; ik heb je bij je terugkeer geen gelukkig thuis kunnen bezorgen—maar één voorrecht laat ik me niet ontnemen: je met al wat achter je ligt te verzoenen door de toekomst.«
»En als dat eens niet in uwe macht stond, papa?«
»Als dat niet in mijn macht stond? ’t Is waar, ik vraag veel: een hart, dat het hart van mijn lieveling kan begrijpen. Maar ik ben zeker, dat we het vinden zullen.«
»Laat ons er niet naar zoeken, papa. We zullen toch moeten eindigen met te doen als de rest en naar een goede partij uitzien.«
»Foei, Clotilde. Spreek niet zoo tegen uw gevoel. Ik weet, weinig jonge meisjes vermoeden wat de liefde maken kan van de aarde; ik weet, menigeen sluit het boek des levens zonder de eenige bladzij te hebben gelezen, waard om gelezen te worden; ik weet, als er een troepje kinderen uitgaat om bloemen te plukken, dan zijn de meesten tevreden met de meizoentjes en klaprozen, die aan den slootkant groeien: een enkele slechts zal den berg beklimmen om de groote witte bloemkelk te zoeken, waarvan ze gedroomd heeft. Maar ons kind, niet waar, Clotilde, ons kind kan niet tevreden zijn met de klaprozen die men plukt aan den weg?«
»Papa... als men de witte bloem gezocht heeft boven op den top van den berg en men is teruggekeerd met ledige handen?«...
Zacht slaat hij den arm om haar heen, vertrouwelijk vlijt ze het hoofd aan zijn borst. Dan kust hij haar op de roodgeweende oogen tot zij ze sluit, gesust door zooveel teederheid en fluistert, zooals een moeder fluisteren zou in deze ure: »Je hebt de witte bloem gevonden, Clotilde.«
Een oogenblik blijft ze liggen, stil als een kind dat droomt en vreest te ontwaken, omdat de droom zoo heerlijk is; dan heft ze zich langzaam op en staart haar vader in het gelaat.
»Neen, papa, u vergist zich. ’t Is waar, ik heb aanbidders; er zijn er zelfs onder, geloof ik, die van me houden; maar de eenige dien ik zou kunnen liefhebben denkt niet aan mij!«
»Dwaas kindje, weet je dat zoo zeker?«
»Helaas! ik wou dat ik het minder zeker wist! Gelooft u me niet...? Nu dan: hij voelt niets voor me. Ik ben hem totaal onverschillig! Hij ontwijkt me! Hij wil zelfs niet door me vertroost worden als hij in droefheid is!«
»Spreekt niet zoo hard, lieve!«
»Als u alles wist, papa, als u alles wist, dan zoudt u zeggen dat ik niet langer twijfelen mag; dat ik meer gedaan heb dan ik mocht doen! Maar ik wist niet wat me dreef! Ik kende mijn eigen hart niet! Ik dacht dat het medelijden was met zijn smart, met zijn verlatenheid; ik dacht, dat ik voor hem opkwam, zooals ik dat doe voor ieder die miskend wordt en beleedigd... Hij heeft me van zich gestooten, papa! hij gaat me uit den weg! hij ziet me zelfs niet aan!«
»Omdat hij je liefheeft, Clotilde! Omdat hij mijn vertrouwen niet wilde misbruiken om het hart te stelen van mijn dochter. Omdat hij weet dat je bestemd waart hooger prijs te halen op de huwelijksmarkt dan hij voor je besteden kan. Omdat hij den trots heeft van een eerlijk man, die de hand niet wil uitstrekken naar hetgeen anderen, meer bevoorrechten, toekomt!«
»Papa! O, is het waar?«
»Ja, mijn arme lieveling, het is waar. Hij heeft me daar straks zijn ontslag gevraagd. Toen heb ik alles begrepen. Toen wist ik, dat ik blind was geweest en doof, en dat twee jonge harten veel geleden hadden.«
En als ze snikkend in zijn armen ligt, vraagt hij zacht: »Mijn arm kind, waarom heb je me niet meegenomen toen je den tocht ging doen om de witte bloem te zoeken?«