Bij ons in Noord-Holland

Chapter 3

Chapter 33,676 wordsPublic domain

Maar dat is zij toch niet. Zij is eigenlijk ook een schapemoeder. Zij oefent de moederzorg uit over het lammetje, dat door zijn echte moeder verstooten is. Hoe kan zoo'n schaapmoeder nu zoo'n teer lammerkind verstooten! Hillie steekt aan haar potlam, dat op zijn menschmoedertje komt afspringen, de gevulde melkflesch met de zuigspeen toe. Dat zabbert nu aan de speen met vooruitgestoken lipjes en ingetrokken kaakjes, en de melk borrelt in de flesch en klokklokt door het lammer-keelgat.

* * * * *

Lente in de wei! In Neerlands wijde wei, die de uren bij uren lange zilverstreep van het Kanaal in tweeën deelt! Het Groot Noord-Hollandsch Kanaal! De Pison, de Gihon, de Hiddekel en de Frath van het Noord-Hollandsche weideparadijs, deze vier in één bedding!

Wel wat nuchter, het rechtgelijnde en scherpgehoekte Kanaal! Een wel wat bonkige en knokige remplaçant van de lenige en soepele riviernymfen, die in andere natuur-edens het landschap beheerschen! Maar zooals het is, zoo behoort het bij het volk, dat leeft aan zijn boorden. Ook dat volk recht en rechthoekig van levensopvatting en levenswijs, en nuchter gelijk een waterpaslijn van vlakheid en rechtuitheid.

Door alle poëzie moet naar onze behoefte een streep proza loopen. De prozastreep hebben wij noodig, om ons daardoor temidden der poëzie-onberekenbaarheden steeds aan de werkelijkheid te kunnen blijven orienteeren. Want de werkelijkheid is dan toch de werkelijkheid; en wat mooi is, zooals de poëzie, is.... Toch maar mooiïgheid! Zóó voelen wij het in Noord-Holland. Welnu, voor onze onontbeerlijke prozastreep door der weide lentepoëzie heen zorgt op allergelukkigste wijze, en als treffend afbeeldsel van onzen gemoedsaard, ons rechtgelijnde en scherpgehoekte Groot Noord-Hollandsch Kanaal.

* * * * *

De spreeuwen zijn onze lenteboden.

Zij komen ons de voorjaarskonde toepiepen, met minder omhaal en uithaal, doch niet minder duidelijk, dan elders de leeuweriken haar vermelden. Zij doorspikkelen, met legioenen neergestreken in de lentewei, het schitterend groene vlak van schitterend zwarte noppen, als duizend en duizend gitkralen, wijd uitgestrooid door een gebroken reuzinne-halssnoer.

Tusschen de spreeuwenlegioenen zijn de musschen, met de drukte van straatgepeupel, en de merels, met de gemaaktheid van artisten, aan het sleepen voor haar nesten. En Hillie, die haar moederplicht jegens het lammerkind volbracht heeft, ziet het, voordat zij den terugweg aanvaardt, een tijdlang aan. De musschen en de merels brengen Hillie op de gedachte, dat het eigen nestje te bouwen een gepast en bekoorlijk werk is in de lente. Hillie wendt de oogen van de musschen en de merels af naar heel in de verte, waar een zwart iets zich gestadig op- en neerbeweegt. Zij weet, dat het Maarten is, die ginds, op wel meer dan een kwartier afstands, met de spade molshoopen platslaat. Ook daar, waar Maarten staat, zijn de musschen en de merels aan het sleepen, en zij hebben aan hem, terwijl hij de molshoopen slecht, al gelijksoortige gedachten als aan Hillie in het hoofd gejaagd. En dan heeft hij, op zijn beurt, reeds menigen keer uitgetuurd naar den kant, waar hij weet, dat Hillie het potlam voedt. Dat komt er ook van, als het lente is in de wei.

* * * * *

Ons voorjaarslandschap, zietdaar wél schoonheid. Niet de schoonheid der ontroerende pracht, maar de schoonheid der schaterlachende vreugde.

Menig ander oord heeft schoons, dat wij in Noord-Holland derven. Doch dit hebben wij: te ademen in het land van licht en ruimte.

Is het wonder, dat licht en ruimte hun merk hebben gezet ook op de geaardheid en gezindheden der bewoners van Noord-Hollands stralende wei-oneindigheid? In het rond àl licht en ruimte, hoe zou daarmee nu kunnen samenwonen dompigheid en engheid in het binnenste?

Neen, gelijk overal, zoo weerspiegelt zich ook in Noord-Holland de natuur in den gemoedsaard harer kinderen. Wijd en breed als de Noord-Hollandsche horizon is ook de Noord-Hollandsche geestesblik. Het begrensde en peuterige, het benepene en bekrompene op geestelijk gebied is den Noord-Hollander vreemder dan eenig ding, en ge wint hem daar niet voor, wat gij ook moogt in het werk stellen van drijfziek dwepen of dweepziek drijven. De Noord-Hollander ziet u aan, hoort u aan, weerspreekt u niet, maar verstaat u ook niet. Zij, die, gewichtig doend met nesterijen, elkander deswege aanbrieschen en plukharen in staat of kerk, ontlokken hem zelden een oordeel, vóór zoomin als tegen, doch in den regel enkel een kostelijke gezichtsvertrekking van trage verbazing. En tracht haarkloverige dialectiek zich uit alle macht aan hem op te dringen, hij laat zich niet opwinden, hetzij tot een geestdriftvol "ja" knikken, hetzij tot een verontwaardigd "neen" schudden, maar geeuwt, met, o, welk een grooten en, o, welk een gezonden geeuw. Het is vertwijfelingswerk, het pogen, hem mee te krijgen in welke futiele en knutselige geestesstrooming ook. Hij mist het orgaan voor de bevatting van het mokkerige en hokkerige. En hij kan dat niet helpen, hij, het kind van het licht en de ruimte der wei.

* * * * *

Wees ermee gefeliciteerd, duizendmalen, gij, Noord-Hollands breedvoelend weidevolk! Zoo verknocht aan licht en ruimte, aldus zijn de Noord-Hollandsche harten voorbeschikt tot groei- en bloeiplaatsen voor het evangelie van des Vaders groote liefde: dat evangelie een blijmaar van licht en ruimte bovenal.

Aan dit evangelie, het schaduwloos lichte en grenzenloos ruime, schept Noord-Hollands licht- en ruimtemin het hoopvolst vooruitzicht. De boodschap van de liefde in Christus heeft slechts noodig, aan het Noord-Hollandsche volk als waarlijk licht en ruimte bewust te worden, om het wat het naar voorbeschiktheid is ook te doen worden in werkelijkheid: een volk van wijdhartige kinderen Gods.

Dan wordt het groot-lente in de wei.

* * * * *

Dan staart buurman Bastiaan niet meer met hetzelfde oog als nu uit over het groene veld. Thans hangt hij met bei zijn ellebogen over het koehek, en terwijl het lichtgespeel der voorjaarszon het blauw van zijn kiel tint alsof een stuk van den blauwen lentehemel over zijn schouders ware gevallen, verkeeren zijn gepeinzen daarentegen heel laag op de aarde. Bas-buur rekent rekensommen uit; daaraan blijft u geen twijfel over bij een blik op zijn zeer sluw aanschijn. Bas-buur bouwt op de lentebeloften, die door de lucht ruischen, gedachte-kasteelen van hoog opgestapeld hooi en verbeeldingsvoorspiegelingen omtrent golvende zeeën van melk. Dat is de gemoedsinwerking, welke buur Bastiaan van het stralend tafereel der lente in de wei ondervindt, en, met hem, menige andere buurman, die, als hij, op een lentedag met de ellebogen over een koehek hangt.

En wie heeft daar nu iets tegen? Rekensommen uitrekenen is, voorwaar, een zeer nut bedrijf voor den mensch in diens leven.

Maar als het nu groot-lente des evangelies wordt in Noord-Hollands weidedreven, dan zullen Bas-buur en al de verdere buren hun uitrekeningen óók gronden op de beloften, die _deze_ lente hun toefluistert, en het totaal dier berekeningen in den hemel geschreven zien staan.

Die berekeningen zijn nog veel meer waard, om er een sluw gezicht bij te zetten, o, buurman Bastiaan!

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

VI.

HET HEERSCHAP.

I.

Wij wonen, laat ik maar zeggen, in De Schermer. Ik noem De Schermer maar, omdat deze lang en breed is. In De Schermer zijn molens en boerenhuizen en kleine dorpen. Maar boomen zijn er zoo goed als niet.

Er leven uittermate zeer veel ganzen in De Schermer.

Ons huis wordt gevormd door vier rechthoekige vierhoeken van baksteenen, waarboven vier gelijkbeenige driehoeken van dakpannen. Onder de drie- en tusschen de vierhoeken ademen met vader en moeder zoowel de runderen als ook wij, hun eigen vleesch en bloed.

Als gij vader soms spreken moet, komt dan niet op Vrijdagochtend en niet op Zondagmiddag. Elken Vrijdagochtend is vader naar de Alkmaarsche kaasmarkt. En elken Zondagmiddag is hij, althans bij eenigszins gunstig weer, in de dorpsstraat van Groot-Schermer aan het knikkeren.

Want dit heeft Groot-Schermer in onderscheiding van het overige aardrijk, dat het knikkervermaak er de uitspanning is, niet vooral der knapen, maar in het bizonder der waardige huisheeren en gezinsvaderen. En het verschaft elken Zondag een schouwspel, niet minder aandoenlijk dan eenig, de welgedane familiehoofden van Groot-Schermer en omgeving, in schuldeloos geneugt, de knikkertraditie van hun voorgeslacht te zien handhaven.

Vader weet niet, of er in de kerk van Groot-Schermer een orgel is, heeft hij laatst geantwoord aan den schapenkoopman, die ernaar vroeg. Want als vader des Zondagsmiddags in het dorp komt knikkeren, zijn de kerkdeuren al gesloten, en de kerkvensters zijn te hoog om erdoor te kunnen zien. En dat de jongste van ons gedoopt werd, is nu al negentien jaren geleden. Bovendien herinnert vader zich niet zeker meer, of deze plechtigheid te Groot-Schermer dan wel te Stompetoren geschied is.

Vader heeft verleden week aan den nieuwen ondermeester, tot diens niet kleine voldoening, te kennen gegeven, dat hij van vooruitstrevende gevoelens is. Zoo vooruitstrevend mogelijk. De meester mocht gerust zeggen: tegen rood aan. Maar niet geheelenal rood. Want dat is onze knecht. En dan zou er geen onderscheid meer zijn tusschen dezen en den baas.

Vader betaalt per jaar veertien-en-een-half-honderd gulden pacht voor de boerderij aan het heerschap. Het heerschap is rijk. Het heerschap woont te Amsterdam op de Keizersgracht.

II.

Het heerschap is de aardsche god van den Noord-Hollandschen huurboer.

Groot is zijn naam! "Heerskip," aldus spreken wij dien naam uit.

Het optreden van den Noord-Hollandschen boer tegenover hooger dan hij geplaatsten is over het algemeen onberispelijk fatsoenlijk, maar vol besef van eigenwaarde. Alleen in de verhouding tot het heerschap werpt hij, in diep afhankelijkheidsbewustzijn en onderdanigheidsgevoel, tot het laatste spoor van eigenwaarde overboord. Hij betracht jegens den burgemeester en den dominee, den notaris en den dokter de meest tegemoetkomende beleefdheid. Een beleefdheid intusschen, die onveranderlijk doormengd is met zekere even onmiskenbare als onnavolgbare leukheid, door welke hij zegt zonder woorden: ik behoef niet beleefd jegens u te zijn, als ik niet wil; stelt u echter gerust, want ik ben veel te fatsoenlijk, om dat ooit ofte immer niet te willen. Doch deze leukheid verdwijnt geheel en ten volle uit zijn beleefdheidsbetoon in het aangezicht van zijn landheer. Tegenover het heerschap is de Noord-Hollandsche pachtboer als was in de hand des boetseerders.

En daarop valt niets aan te merken. Want hij moet het van het heerschap hebben, terwijl de burgemeester, de notaris, de dokter, de dominee, goed uitgerekend, het van hem hebben moeten.

Onder "het" te verstaan: de dagelijksche boterham!

Groot is dies de Noord-Hollandsche landpachter in zijn fier zelfgevoel al de andere dagen des jaars, maar klein dien éénen dag tegen Kerstmis, op welken hij, zijn pachtpenningen in de hand, het heerschap van aangezicht tot aangezicht heeft te ontmoeten in diens vorstelijk woonverblijf.

Op dien dag liggen voor hem heil en rampspoed tegenover elkander in de weegschaal.

Heil of rampspoed, vertegenwoordigd in den uitslag, zóó of anders, zijner jaarlijksche vermurwingsaanvallen op het heerschappelijke gemoed, ter verovering van gunsten in zake pachtvoorwaarden, staltoestanden, mestbelangen...... Ach, de vraag van bekrompen, maar tevreden voortleven, dan wel van langzamen hongerdood eens huisvaders met zijn gezin, legt de pachter op dien gewichtvollen dag omstreeks Kerstmis met plechtigheid voor het geweten van het "heerskip" terneer.

III.

De postbode heeft aan vader een briefkaart gebracht. "Gij krijgt het "heerskip"", zeide de postbode bedenkelijk en gewichtig tot vader.

De inhoud der briefkaart bevestigde de voorbereidende mededeeling van den postbode. Vaders gezicht ging onder het lezen nog wel zoo gewichtig en bedenkelijk staan als dat van den besteller.

Toen vader de briefkaart van het heerschap uit had, heeft moeder haar gelezen. Daarna hebben wij, zoons en dochters des huizes, haar elk op onze beurt mogen lezen.

Vader heeft de briefkaart dubbel gevouwen, en haar in zijn tabaksdoos geborgen.

Des avonds hebben wij, bij het licht der stallantaarn, de greppels achter de koeien uitgeschrobd. Wij hebben op de stalpaden zand gestrooid.

Den volgenden dag is het heerschap gekomen. Vader en hij kenden elkander natuurlijk van de jaarlijksche ontmoetingen omtrent Kerstmis. Moeder en wij hebben thans voor het eerst gezien, dat het heerschap oud, klein en mager is, en witte bakkebaardjes heeft.

Vader is naar het rijtuig, waarmee het heerschap kwam, geloopen, met de pet onder den arm. En moeder met de stoof in de handen, die altijd gebruikt wordt om haar tot trede te dienen bij het uitstappen uit onzen tentwagen. Maar de stoof was niet noodig. Want het rijtuig van het heerschap was zelf voorzien van een gemakkelijken uitstap.

Vader heeft dien dag zijn zondagsche pet geheelenal tusschen de handen verfrommeld. Moeder heeft aldoor haar zijden schort met de vingertoppen gladgestreken. Het heerschap is vriendelijk.

Vader heeft het heerschap verzekerd, dat hij van het ouderwetsche houdt, omdat dit degelijk is; maar dat hij van het nieuwerwetsche in geen enkel opzicht gediend is, dewijl dit winderig is, en ook vol van ongepaste leeringen voor de lagere standen ten aanzien van de hoogere. Het heerschap heeft over deze gevoelens van vader zijn goedkeuring betuigd.

Vader heeft het heerschap door den koestal geleid. Daar heeft het heerschap naar het welvaren van den veestand geïnformeerd. Vader heeft geantwoord, dat het miltvuur zware verliezen had teweeggebracht, en dat deswege de dag der pachtbetaling een toekomstbeeld vol schrik voor den veeman was. Vader bedoelde den veehouder in het algemeen, daar het miltvuur onzen runderstapel, gelukkig, in het geheel niet heeft aangetast. Maar omdat vader onder het spreken zoo droevig hoofdschuddend zijn eigen stal rondzag, meende het heerschap, dat vader zelf zoo geteisterd was in zijn koebeesten. Toen vader bemerkte, dat het heerschap dit meende, heeft hij het heerschap niet willen tegenspreken. Vader spreekt nooit het heerschap tegen.

Het heerschap is godsdienstig. Toen vader hem over het erf rondvoerde, vroeg hij, naar het verre torentje van Groot-Schermer wijzende, of dat de toren van vaders kerk was. Vader zeide van ja.

"En is uw leeraar een goed predikant, mijn vriend?" vroeg het heerschap.

""'n Bovenste best", mijnheer", antwoordde vader.

"Zoo, zoo", zei de oude heer. "Dat doet mij genoegen, waarlijk genoegen. Zoo, zoo". Onze knecht, die in de buurt stond, kan precies nadoen, hoe het heerschap dit zeide.

Het heerschap is nederig. Hij heeft onzen knecht ook toegesproken.

Het heerschap heeft tot onzen knecht gezegd: "Dit zijn waarlijk eenden van buitengewone proportie, mijn jongen. Waarlijk van buitengewone proportie. Zij getuigen van uw goede zorgen, mijn jongen."

"Eenden! Het zijn ganzen", antwoordde de knecht onbehouwen.

Vader heeft driftig den knecht naar den stal gejaagd. Vader heeft het heerschap vergeving gevraagd. Vader heeft geweeklaagd over den nieuwerwetschen geest, omdat deze de tegenwoordige menschen vervreemdt van den eerbied jegens hen, wien zij eerbied schuldig zijn.

Het heerschap heeft vader wegens diens inzichten opnieuw zeer geprezen, en de brutaliteit van den knecht vergeven.

Het heerschap is medelijdend. Hij zeide, toen hij tot vertrek weder in zijn rijtuig zat, dat vader de toekomst toch niet al te donker moest inzien met het oog op de pacht. Vader heeft het heerschap beloofd, dat hij dit niet doen zou.

Ten laatste wees het heerschap, meenende, dat hij ginds weer den dorpstoren van Groot-Schermer vóór zich had, op den toren van West-Graftdijk, zeggende: "Zoo, zoo, dus dat is uw kerk. Zoo, zoo."

"Ja, mijnheer," heeft vader geantwoord.

"En uw leeraar?"

""'n Bovenste best", mijnheer", heeft vader nogeens verzekerd.

Nadat het heerschap vertrokken was, heeft vader onzen knecht met toornige woorden, waaronder zelfs bedreigingen met opzegging van de huur, overladen, omdat hij het heerschap heeft tegengesproken.

IV.

De schapenkoopman weet iemand, die zijn prachtige merrie wil ruilen voor onzen hit, mits een paar honderd gulden op den hit toe. Maar de hit voldoet zóó aan onze behoefte, dat de inruiling tegen de merrie overdaad, om niet te zeggen verkwisting, zou zijn. Dit heeft vader, eenige reizen nu reeds, den schapenkoopman onder het oog gebracht.

Vader is met Kersttijd de pacht aan het heerschap gaan brengen.

Vader heeft voor twaalfhonderd gulden bankpapier in zijn linkerborstzak, en voor tweehonderdenvijftig gulden bankbiljetten in zijn rechterborstzak geborgen.

Voordat vader vertrok, heeft hij tot moeder gezegd: "Als het goed gaat, gaat enkel dit"--hij sloeg op de linkerborst--"eruit, en blijft dit"--hij klapte op de rechterborst--"erin".

En toen vader terugkeerde van het heerschap, sprak hij: "Het is goed gegaan."

Vader zegt, dat wij de twee-en-een-half-honderd gulden afslag van de pacht verdiend hebben op den dag, toen het heerschap ons bezocht. Want vader heeft aan de wijze, waarop het heerschap in den afslag berustte, kunnen bemerken, hoe de verliezen, door het miltvuur teweeggebracht, zoowel als de gevoelens, maatschappelijk en kerkelijk, die hij in vader ontwaard heeft, hem blijvend hadden geroerd.

Vader zegt, dat menschen zooals het heerschap edele personen zijn.

Vader is naar den schapenkoopman gegaan, om hem op te dragen, den eigenaar van de merrie met vaders geneigdheid tot den ruil in kennis te stellen.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

VII.

DE GEBOORTEPLAATS.

Volgenderwijs kwam grootvader te sterven, zijnde eenenzeventig jaar en ruim twee weken oud.

Grootvader keerde terug van den barbier. En hoewel hij nog zeer welvarende was, toen wij hem het laatst in ongeschoren toestand gezien hadden, was hij, nu wij hem het eerst in geschoren staat terugzagen, hoogst ongesteld.

Grootvader trilde zoo, en deed zoo raar met de oogen.

Grootmoeder vroeg: "Grootvader, is er iets?"

Grootvader vertelde--maar grootmoeder moest, om hem te verstaan, haar oor haast op zijn mond leggen, zoo gedempt was grootvaders stem,--dat bij den barbier een vreemdeling, wiens knevel werd ingekort, inmiddels zwaar had zitten schimpen op het dorp. Het was "een nest" en "een gat", had de vreemdeling gezegd. En ook nog andere verachtelijke dingen. Maar die wist grootvader niet alle meer. Grootvader was van het aanhooren zeer zenuwachtig geworden. Hij had het mes van den barbier even van zijn wang weggeduwd, om tot den vreemden zwetser te zeggen: "In deze plaats heb ik meer dan eenenzeventig jaar gewoond." Maar de vreemde, die zijn knevel liet inkorten, had schamper gelachen, en uitgeroepen: "Nu, dan hebt ge meer dan eenenzeventig jaar gewoond in "een nest" en "een gat"!" Grootvader beefde hoe langer hoe heviger, terwijl hij dit aan grootmoeder vertelde. Het was aan het eind niet om aan te zien, hoe hij beefde. Vooral zijn beenen en zijn lippen.

Grootmoeder zeide: "Grootvader moet naar bed."

Te middernacht hoorde grootmoeder grootvader nog eenmaal murmelen: "Een nest en een gat!" Toen trok zij grootvaders slaapmuts eens recht, en sluimerde aan zijn zijde weder in.

Maar den volgenden ochtend vond grootmoeder grootvader dood naast zich. En zijn mond stond scheef.

De dokter kwam, en zeide, dat grootvader gebleven was in een beroerte. En op de begrafenis stelden de aanwezigen eenparig vast, dat de vreemde man bij den barbier de moordenaar van grootvader was geweest. Maar zij vonden, dat grootvader een mooien dood was gestorven, daar hij gevallen was in de verdediging van zijn en hun aller geboorteplaats. Dat troostte zeer in het verlies. Te meer, daar grootvader aan elk zijner kleinkinderen een bankbiljet van veertig gulden naliet. Hiervoor kochten zij kippen. Behalve de jongste kleinzoon, het eenige nog ongehuwde kleinkind, die er twee gouden bellen voor kocht. En zijn meisje hing ze in haar ooren.

Hierin zijn wij allen, waar ook in Noord-Holland metterwoon, zeer te prijzen: niet slechts zijn wij tevreden met de plaats onzer inwoning, maar onze liefde en trouw zijn eraan verpand, tot dáártoe, dat ieder van ons, gelijk grootvader, loffelijker gedachtenis, den laatsten ademtocht, zoo het moet, willig in den dienst van de geboorteplaats zal slaken. In den zoeten naam van ons stedeken of ons dorp hooren wij als in één melodievollen toon samensmelten alwat er voortreffelijks is, alwat er aanminnigs is, alwat er onvergelijkelijks is. Van de eerste dagen der jeugd af dringt het zich krachtiglijk aan ons bewustzijn op, dat hier, waar onze voeten dagelijks wandelen, het middelpunt des wereldbelangs ligt. Waar de wettelijke grensregelaar de grens onzer burgerlijke gemeente heeft getrokken, aldaar heeft hij, zonder het te weten of te bedoelen, tegelijkertijd de grens getrokken van onzen waardeeringszin. Wat aan den anderen kant van die grens ligt, zien wij, zoolang het mogelijk is, door den grauwen nevel der geringschatting, en wordt dat een enkele maal beslist onmogelijk, dan door den gelen schijn des naijvers heen. En hetgeen nóg verder af ligt, geheel buitenslands, dat blinkt voor ons bovenal in het licht der belachelijkheid. Ondanks deze huiselijke eigenschap houdt een welgeaard Noord-Hollander er niet van, dat anderen hem kenmerken als iemand met beperkten blik. En als men weet, dat hij daarvan niet houdt, is het niet aardig, het te doen.

Teeuwis van den watermolen is een man, gezien en geëerd in heel het gehucht. Want alzoo moet Teeuwis openlijk in de gemeenteraads-vergadering hebben gesproken, terwijl er in zijn wezen iets kwam, tegelijk van den profeet en van den krijgsheld: "Wie aan onze plaats komt, komt aan mij." Dies loven de medeburgers Teeuwis. Want de geboorteplaats boven elke plek in gewest, in land, ja, in de wereld, te schatten en te prijzen is vervulling van een genoegelijken plicht, doch brengt de lichte moeilijkheid mee, somwijlen tegenover sceptische lieden het "waarom?" van die hoogschatting te moeten beantwoorden. Maar Teeuwis heeft voor al zijn door die moeilijkheid bedreigde plaatsgenooten het verlossend woord gesproken. Thans antwoorden zij op elke schuchtere bedenking tegen hun plaatselijken roem, met Teeuwis: "Wie aan onze plaats komt, komt aan mij." Dat doet ten zeerste af. Want dat een Noord-Hollandsch mensch zou moeten gehengen, dat aan _hem_ wordt gekomen, is toch wel de onredelijkheid zelf. Aan _hem_ komen zou insluiten, dat er op hem dus wat te zeggen viel. En in welken vermetele en verdwaasde rijst nu zulk een denkbeeld op?

Niettemin kan, nevens Teeuwis' weldoordacht systeem, onze argumentatie voor de weergalooze uitnemendheid der eigen woon- en geboorteplaats nog wel eenige aanvulling velen; wij zijn ruimhartig genoeg, dit te erkennen. De geestdrift is dan ook groot in Lutjebroek en elk ander "broek", als de vereeniging "Broeksche Glorie" in een wedstrijd hier of ginds heeft gezegevierd over de club "Dam-bloem", uit Ilpendam of eenig ander "dam". Dan zegt niemand in Lutjebroek: "De vereeniging alhier heeft den prijs"; maar al de ingeborenen jubelen: "Lutjebroek heeft overwonnen". De plaatselijke gemeenschap eischt voor zich de lauweren op, die behaald zijn door eenige uitnemende harer zonen, en deze leggen die lauweren met liefdevolle vereering aan de voeten van den localen genius neder.

Wat zegt u, mevrouw Hoog, te Amsterdam, en mijnheer Groot, te Rotterdam? "Benepen dorpschheid of kleinsteedschheid!"? Zooals ge het nemen wilt! Waar gij slechts klein-particularisme ziet, aldaar kunt gij evengoed groot-idealisme speuren. Dat hangt van uw eigen gemoedsstaat af, mijn hooggeachten.

Mag ik uw welwillend aangezicht even in de richting van dat idealisme draaien?