Bij ons in Noord-Holland

Chapter 2

Chapter 23,666 wordsPublic domain

Er heeft toch niemand in den baard gelachen over deze bezwering: "in naam van den vooruitgang", temidden van ons pleidooi voor de onbegrensde vrijheid des hondenkar-verkeers? Die wete: Noord-Holland is wel degelijk voor den vooruitgang. Wij zijn, spijt wien ook, voor den vooruitgang. En dat niet _ondanks_, maar juist _blijkens_ onze hondenkar-zeden en karhond-gewoonten. IJlt niet onze hondenwagen daar voort zonder stuur of roer, en onze trekhond zonder teugel of toom, zinnebeeld van de meest volkomen richting-vrijheid? En wedijveren wij in onze vrije-richting-vaart niet met de snelste vindingen van voorwaartsbeweging der nieuwere beschaving? O, makkers en gezellen op het hondenkar-pad, de hondenwagen past bij den Noord-Hollandschen geest! Ook die geest een geest van vooruitgang, maar van vooruitgang op eigen hand en op eigen manier, en van vrije richting, zóó vrij, dat er noch stuur in te ontdekken noch berekening op te bouwen valt! Dit is de symboliek van de hondenkar. En bedenkt, hoe beslist Noord-Hollandsch deze hondenkar-symboliek is, teneinde ook daardoor tot de erkenning te komen, dat de hondenwagen inderdaad onscheidbaar bij ons Noord-Holland behoort.

Deze lofrede op onze hondenkar moge besloten worden met de volgende korte beschouwing meer in het bizonder over de honden, welke ervóór draven.

Al de karhonden van Nieuwediep tot Nieuwendam zijn met elkander saamverbonden door een opmerkelijk solidariteits-bewustzijn. Wanneer twee hondenwagens elkaar tegenkomen, groeten de berijders elkander in het voorbijgaan soms wel en soms niet. Maar de wederzijdsche trekhonden zullen zelden nalaten elkander te groeten, hetzij luidruchtig, door een doordringenden blaftoon te wisselen, hetzij stilzwijgend, door in het voorbijsnellen even de koppen naar elkaar om te wenden. In dien uitgeblaften groet der hondekelen hoor ik een korte mededeeling der zwoegers aan elkander van eenzelfde in hen wonende hondenwanhoop, en in dien zwijgenden groet der hondenoogen zie ik hun klanklooze wederkeerige klacht over eenzelfde door hen gedragen hondenleed.

Midden in den doodstillen nacht begint op het stikdonkere huiserf een vastgeketende karhond met langgerekte tonen te huilen. Dra antwoorden hem al de andere honden in verren omtrek met instemmend gehuil. Dan kunnen de menschen, op hun legersteden uitgestrekt, niet slapen. En op hun nachtelijke sponden verwenschen zij de honden.

Ik kan ook niet slapen. Maar ik verwensch het jammerende dierenkoor niet. Want ik verbeeld mij te weten, waarom in den stillen nacht de trekhonden huilen.

* * * * *

SAMENSPRAAK MET JAN RECHTENGOED.

Toen ik het handschrift van bovenstaand vertoog eenigen tijd onbeheerd had laten liggen, bevond ik bij mijn terugkeer tot mijn schrijftafel, dat mijn vriend Jan Rechtengoed, die op mijn thuiskomst zat te wachten, zich den tijd gekort had met de regelen door te lezen.

"Zijn de Noord-Hollandsche trekhond-houders zoo?" vroeg hij gekrenkt, bij mijn binnenkomen de papieren met ontevreden gezicht uit zijn hand werpend.

"O, neen, gelukkig niet!" gaf ik ten antwoord.

"Welnu, wat beduidt dit dan?" vraagde hij, wijzend op het handschrift.

Ik deed de wedervraag: "Jan Rechtengoed, zijn _er_ Noord-Hollandsche trekhond-houders zoo?"

"Ach, ja, ongelukkig wel!" zuchtte hij.

"Welnu, dat beduidt het", aldus ik weer.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

III.

DE MYSTIEKE KNOBBEL.

_De leergrage knaap_ sprak: "Meester, wat is mystiek?"

_De meester_: "Geen vraag voor kinderen!"

_De leergrage knaap_: "Meester, vader vraagt het ook."

_De meester_: "Mystiek is een zelfstandig naamwoord; het is ook een bijvoegelijk naamwoord."

_De leergrage knaap_: "Meester, wat _is_ het?"

_De meester_: "Mystiek is Fransch."

_De leergrage knaap_: "Meester, wat beteekent het?"

_De meester_: "Morgenochtend nogeens vragen!"

_De leergrage knaap_, den anderen ochtend: "Meester, wat is mystiek?"

_De meester_: "Mystiek is Grieksch. Het woord beteekent zooveel als: "geheimzinnig." Mystiek is: het zich bewegen met het gemoedsleven in geestelijke verborgenheden. Daartoe aanleg en neiging hebben is: mystiek zijn."

_De leergrage knaap_: "Meester, ben ik mystiek?"

_De meester_: "Neen."

_De leergrage knaap_: "Meester, is vader mystiek?"

_De meester_: "Neen, hier bij ons zijn de menschen niet mystiek."

_De leergrage knaap_: "Meester, waar dan?"

_De meester_: "Aan den anderen kant van het Noordzee-Kanaal."

Deze onderwijzer van de jeugd had in alwat hij zeide gelijk, zooals zulks plegen die van dit ambt zijn. Behalve in de laatste dingen, die de meester zei. Het Noordzee-Kanaal namelijk neemt volstrekt niet die plaats in de mystiek in, welke de meester eraan toekende.

Ook de bewoner van het deeltje wereld benoorden het Noordzee-Kanaal is geenszins verstoken van den mystieken knobbel. Men moet den Noord-Hollander--dat is waar--met vrij fijn ontwikkelden tastzin bevoelen, om dien knobbel te constateeren. Hij staat daar door de gangbare meening nu eenmaal gestempeld als stof-mensch van onvermengden bloede. En het is een iegelijk bekend, dat "de gangbare meening" als een zeer statige, maar ook zeer stijfhoofdige jonkvrouwe in ons midden rondwandelt. Voorts ook, dat deze jonkvrouw met de gansch niet onjonkvrouwelijke eigenschap der oppervlakkigheid mildelijk is begiftigd. Welnu, de Noord-Hollander, bij algemeene overeenkomst tot louter in het uiterlijke en stoffelijke levend wezen verklaard, is van deze oppervlakkigheid der gangbare meening het zeer verongelijkte slachtoffer!

Slachtoffer, intusschen, door eigen toedoen, ja, eigen wil.

Want onder hen, die de vlakke velden boven het Y tot bizonder gebied van het materialisme proclameeren, staat de bewoner daarvan zelf vooraan. Alleenlijk, dit oordeel, dat op de lippen aller anderen misprijzen beduidt, spreekt hij uit met zelfbehagen. De Noord-Hollander in diens bewustzijn van glorie en victorie is: de Noord-Hollander, met breeden lach uitgalmend, dat hij zich houdt aan de "natuur," en op alwat niet "natuurlijk" is "een kijkje heeft." Aldus onze burger- of boerenman onder zijn kornuiten. In aanwezigheid van dezen of dien "geleerden heer" met bovenzinnelijke aspiraties is hij gewikst genoeg, zich wat minder bloot te geven, en--min luidruchtig, schoon niet min welsprekend,--door enkel een scheeven mond te trekken te getuigen van zijn welverzekerdheid, dat alles hetzij klinkklare "natuur," hetzij klinkklare onzin is.

En dus, gij zoudt een onbillijk mensch moeten zijn, om er de buitenstaanders hard over te vallen, dat zij den Noord-Hollander beschouwen zooals hij immers zelf beschouwd worden wil. Maar desalniettemin, de Noord-Hollander moge dan in den regel zelf roem dragen op zijn uitsluitend stoffelijkheidsgeloof, zeker geestelijk leven, hij heeft het en hij leeft het nochtans. En zoo hij doet, alsof dit niet aldus ware, het is, omdat hij zich dit innerlijke leven schaamt.

En ik zal niet zeggen, dat hij geen reden heeft, het zich te schamen. Indien hij het angstvallig verborgen houdt, heeft hij daartoe inderdaad ongeveer denzelfden grond als degene, die, bijvoorbeeld, een krom en verdraaid gegroeiden vinger voor de blikken van anderen zooveel mogelijk wegstopt.

Derhalve, laat het onder ons blijven, wat ik u influister, wilt ge? Onder dit beding zij u toevertrouwd, dat wij bij ons voortreffelijk het adres van de waarzegster weten. Dit is een connectie, die daarom nu niet juist aan de groote klok behoeft te worden gehangen. Maar zoo is een mensch niet, of hij heeft toch weleens behoefte aan voorlichting. En als in zulke omstandigheden moeder dan eens op beraad met de wijze juffrouw in de stad uitgaat, ziet, zoo keert zij menigmaal met een schat van vertroosting en bemoediging voor al de haren terug in den schoot des gezins. En daarna kunnen wij dan weder uit verruimde borst jubelen, dat wij ons houden aan de "natuur," en van wat niet uit de "natuur" te verklaren is niets moeten hebben. Laatst nog is peet Duurtje om helderheid bij de waarzegster geweest, toen de pacht van de boerderij ten einde liep, en oom Ab met het heerschap niet tot overeenstemming was kunnen komen omtrent vernieuwing van de huur. En gij weet toch, hoe schaarsch tegenwoordig de pachtplaatsen zijn, en hoe duur. Oom Ab had dus alle reden, om peet Duurtje eens op overleg met de waarzegster uit te zenden aangaande de vraag, wat de naaste toekomst hun en den hunnen baren zou. Moet ge hooren, met welk verblijdend bescheid peet in den huiselijken kring mocht wederkeeren! De waarzegster had, in de doorzichtigheid van haar koffiedik, aan een driesprong een ijzeren draaihek gezien, dat tot den oprit naar een kapitale boerenwoning toegang gaf. En door hetzelve draaihek had zij oom Ab en peet Duur en de kinderen, alsmede de melkmeid, uit- en ingaande aanschouwd. Oom en peet mochten dus onbezorgd zijn; aan een nieuwe plaats zou het hun, na het vertrek van de oude, geenszins ontbreken. Zoo is het geschied ook. Wel niet dat van den driesprong--hun nieuwe huurplaats stond in het geheel aan geen sprong--; ook niet zoozeer dat van het ijzeren draaihek--zij kwamen te wonen en te boeren onder aan een polderdijk--; maar dat doet er niet toe. Oom Ab en peet Duur hadden bijtijds een andere boerderij, naar het woord der waarzegster, hetwelk deze tot peet gesproken had. Met zulke voorbeelden voor oogen, wie zou nu nog aan allerlei onredelijke godsdienst-femelarij hechten, en zich niet bepalen tot de loutere en simpele "natuur"?

Tenminste... behoudens den verholen mystieken knobbel!

Over dien knobbel heb ik onzen dokter ondervraagd. De dokter heeft mij van de mystieke vereering van het "fleschje goed" verhaald.

De dokter vond, dat hij reden had, om jaloersch te zijn op zijn fleschjes medicijn. "Dat schijnt u raar," zei de geneesmeester.

Ik gaf toe, dat het mij zoo scheen.

Maar het was niet raar. Want in menig ziekvertrek is het fleschje medicijn, in plaats van des dokters instrument, des dokters concurrent. De dokter wordt onontbeerlijk gevonden, om het "fleschje goed" tot aanzijn te doen komen; maar waar het "fleschje goed" slechts op den schoorsteenmantel troont, wordt de dokter verder vrij ontbeerlijk geacht. Gerustelijk beperke de lichaamsarts zijn bezoeken; doch dat het "fleschje goed," al ware het voor nog zoo korten tijd, afwezig is, zietdaar iets onduldbaars. Niet in het beleid des heelmeesters, maar in de geheimzinnige werking van het "fleschje goed" is des kranken heil. De flesch met gekleurd vocht--kleurlooze medicijndrank lijdt onder geringschatting--staat daar in de ziekenkamer als de fetisch in den heidentempel; de blik, daarop geslagen, is voor den patient en voor die hem omringen van wonderbare vertroosting. En de ijlbode van het ziekbed, die aan des dokters deur komt bellen, wordt in veel meer gevallen dan om des geneesheers persoon om diens "fleschje goed" haastiglijk tot hem uitgezonden.

Nadat de dokter mij hierover en over nog meer dergelijks een poos leerrijk en aangenaam had bezig gehouden, heb ik omtrent den knobbel, waarover wij hier handelen, tot onzen dominee een ondervraging gericht. Die vertelde mij van zijn bidden bij stervenden.

Hij zeide, dat hij in dit deel zijner ambtsuitoefening wel het minst had te klagen over gebrek aan opprijsstelling. Ook in den onverschilligsten kring rondom de sponde eens zieltogenden oogst hij er meermalen dankbaarheid door in. Met het gebed van den dominee bij het sterfbed acht men thans alles ten aanzien van den uitgang des ontslapenden geregeld. Met het gebed van den dominee... Legt op "dominee," verzoek ik u, den nadruk! Het gebed van een ander zou "fijnigheid" zijn, waarvan men in dezen kring niet gediend ware, "niks niet ook niet." Bevoorrecht evenwel de doode--waarom bevoorrecht, zietdaar een der dingen, die zwaar zijn om uit te spreken,--voor wien "dominee nog gebid heeft!" Want waaraan wij bij een sterfbed schier allen nog gelooven, is: niet de kracht des gebeds, maar: de kracht des dominees.

Zoo koutte onze dominee; daarenboven zei hij nog: "Helaas!"

Dit laatste zeide ik toen ook. Daarna heb ik al de dingen, welke gij gelezen hebt, opgeschreven.

Ik weet op het oogenblik niet, wie het gezegd heeft, zelfs eigenlijk niet zeker, of wel iemand het heeft gezegd: dat de mystiek de liefste dochter is van den godsdienst. Bij ons in Noord-Holland laat zich echter ruimschoots het verschijnsel genieten, dat de lieve dochter het stellen kan, en ook stelt, zonder den vader, al komt dit weinig ten goede aan de eigenschap van degelijkheid in haar karakter en aan die van fijnheid in haar vormen, zoomin als aan alwat daar verder te noemen valt als vrucht van ouderlijke leiding.

[Illustratie]

IV.

LANDELIJKE LIJKSTATIE.

Zwart is het in den kuil. Boven den kuil is het grauw van den mist.

De grafteekens, op wat wijdsch "de begraafplaats" heet geschaard om de twee zijmuren en den achtermuur der kerk heen, doen zich in den dichten nevel voor als grillig gevormde dwergschaduwen.

De vochtige damp dempt het klokgebom, dat uit den kerktoren klinkt. Een barst in de luidbel mengt onder het gebom een regelmatig terugkeerenden wanklank, die aan een knarsenden wanhoopskreet doet denken.

Tegen den kerkmuur opkruipend, hult de mist den toren in onzichtbaarheid. Het begrafenisgebengel wordt over den omtrek uitgestrooid als uit een geheimzinnige hoogte.

Naast den kuil staat de doodgraver. Hij steunt met de rechterhand op zijn spade. De linkerhand houdt hij boven de oogen, om, zoover de nevel toelaat, den weg af te turen. Hij ziet uit, of men nog niet in aantocht is met den inhoud voor de ruimte, die hij gespit heeft in de moederaarde. De doodgraver huivert in de kille vochtigheid. Hij verbeidt den inhoud voor zijn kuil met ongeduld.

Grauw is het ook op den weg, dien de doodgraver aftuurt. En grauw over het weiland, dat zich nevens den weg schijnbaar eindeloos uitstrekt. Niets dan heel een wereld van doffe grauwheid. Slechts de vaart langs den weg trekt door al het grauw een spoor van zwart. Daar boven de vaart is het zwart en hier in den kuil is het zwart. En al het andere is grauw.

In de verte komt door den donkeren mist heen een nog donkerder nevel over den weg aankronkelen.

Hij nadert traag.

De aankronkelende wolk scheidt zich langzaam in afzonderlijke figuren. Een groote, massieve figuur vooraan; daarachter in een rij smalle, lange nevelgestalten.

Dichtbij het kerkhof nemen de nevelgedaanten stoffelijkheid aan. Aan haar hoofd acht mannen, die, vier achter vier, tusschen zich in op de schouders een last dragen, welke bedekt is met een zwart laken. In het gevolg andere mannen, twee in het gelid, die met sloffenden tred en gekromden rug den vooruitgedragen last achterna wandelen.

De natte mist heeft de wenkbrauwen en de baarden der mannen met glinsterende parels versierd.

Het hoofd van ieder hunner is gedekt met den hoogen begrafenishoed, elke dier hoeden op zichzelf en al die hoeden tezamen een zwijgende verkondiging van het voorbijgaan op dit ondermaansche. Want elk der op elkander gevolgde tijdperken van een menschengeslacht wordt door één of meer der hoeden vertegenwoordigd. Bovendien verzinnebeeldt menige plaatselijke kaalte op onderscheidene der hoofddeksels treffend "den tand des tijds." Tevens doen vele der hoeden in hun afwisselenden stand, de eene tot over het voorhoofd, de andere slechts op de kruin des dragers, de indrukwekkende prediking verstaan, welke tot thema heeft: "geleend goed". Zoover dus misschien niet al de lijkvolgers de toepassing van hun plechtige taak dezes oogenbliks in het hart mochten dragen, dragen toch meerdere hunner haar althans beteekenisvol op het hoofd.

Zwaar sleept zich de optocht door de kerkhof-poort naar den kuil.

Daar laten de vooraangaanden behoedzaam hun last van de schouders glijden, en zetten met een onderdrukten zucht van verlichting de baar neer naast het graf. Nu houden vier van het achttal twee kabeltouwen in een zwakke bocht dwars over de breedte van den kuil. De vier anderen plaatsen de doodkist, ontdaan van het lijklaken en afgelicht van de baar, in de dubbele bocht.

De glanzende kist en het nikkel der schroeven en handvatsels slaan dof aan van den mist.

De touwen worden gevierd. Men hoort ze schuren door de lederharde handpalmen der vier mannen aan weerszijden op den grafrand.

Statig zinkt de kist het ondoorzichtelijke zwart in.

De doodgraver laat een ijzeren haak aan langen stok in den kuil dalen, om de kist een weinig op te lichten van den bodem. Een snerpen als van een lang aangehouden =r= klinkt uit de donkere diepte op: de touwen worden onder de kist door uit den kuil gesjord.

Ook trekt de doodgraver zijn haak terug.

Het stof binnen de planken woning ligt thans in de roerlooze rust der afwachting van den eeuwigen dag.

De taak der dienstdoeners is af; zij treden terug van de groeve.

De lijkvolgers sloffen één voor één naar het graf, werpen over den kant een blik in den nacht daar omlaag, en keeren weer tot hun vroegere plaatsen rondom den grafkuil.

Iemand in een deftige jas en met een welwillend gezicht neemt, zich naast den kuil opstellend, den hoed in de hand. Allen ontblooten het hoofd.

Omhoog sterft het klokgebom met den wanhoopskreet weg.

De klokluider komt in den deurpost van het kerkportaal staan.

Die nevens den kuil vangt een rede aan. Hij begint met te zeggen, dat de ter aarde bestelde altoos ongerept van deugd geweest is, en onverpoosd zijn plicht heeft gedaan. Nog verdere zeer hartelijke uitspraken omtrent den begravene voegt de redenaar hierbij.

Eén der mannen rondom den kuil laat instemmend het hoofd op- en neergaan. Eén drukt de punt van een gekleurden zakdoek om beurte in elken der beide ooghoeken. Drie lezen de namen en datums op de aangrenzende graven. Twee ademen zich den binnenkant der handen warm. Eén strijkt een ruwte van zijn hoofddeksel glad. Eén tracht met vruchtelooze volharding uit het zijne een deuk weg te drukken. Drie nemen met peinzend opwaarts geslagen blikken het kerkdak waar.

De spreker besluit met de mededeeling, dat de ziel des begravenen thans een engel in den hemel is, hieraan nog de bizonderheid toevoegende, dat het in den hemel nimmer mist, doch dat aldaar steeds de zon schijnt.

Na dit gezegd te hebben, dekt hij zich weder het hoofd. Aldus doen ook de overigen. De rouwdragers herstellen hun stoet. Ieder op de plaats zijner volgorde, schuifelen zij weg van den doodenhof.

De klokluider zegt tot den doodgraver, juist op tijd om nog door den grafredenaar verstaan te worden, dat de dominee het weer "mooi gemaakt" heeft.

De doodgraver antwoordt, juist op tijd om niet meer door den dominee te worden verstaan, dat hij niets gehoord heeft over de menschelijke verdorvenheid door de zonde, en van het oordeel Gods, en omtrent Christus. De doodgraver is "van den stijvigen kant."

De klokluider herneemt, dat hij niet zooveel verstand heeft als de doodgraver, en gaat nog eenige laatste rukken aan het klokketouw doen.

De terugwandelende begrafenisstoet schemert ginds weg in de mist-grauwte.

De klokluider sluit, terwijl de torenbel langzaam uitbengelt, de kerkdeuren, en verlaat het terrein der handeling.

Boven het open graf verschijnt een zachte lichtgloed, die een mat aureool in den zwaren mist uitstraalt. De doodgraver heeft een lucifer aangestreken, om zijn pijpje in brand te puffen, voordat hij zich aan het werk der demping van den grafkuil begeeft. De doodgraver blaast tegen den lucifer, en de effen grauwheid keert terug boven het graf.

Bij de laatste dagschemering werpt de doodgraver den laatsten schop aarde in den kuil. Tot slot klopt hij zijn uitgebrand pijpje leeg op het graf. Nu trekt hij, zijn spade onder den arm, henen, en schuift vanbuiten den grendel voor het kerkhof-hek.

Achter den rug van den doodgraver sluipt de vroeg komende nacht het kerkhof op. De nacht spreidt over alles éen in-zwart rouwlaken.

In den zwarten nacht gaat de mist over in dichten, vetten motregen.

De nachtelijke uren schrijden voort; maar de motregen blijft.

Uit een lek in de kerkdak-goot ploft een allengs aangezwollen regendruppel eindelijk neer op het versch-gesloten graf.

Een zwarte kat gluipt, opgeschrikt, van het graf weg, en verdwijnt in den nacht.

Onder het lek in de goot vormt zich een plas op het graf. De druppels, die regelmatig in den plas vallen, verbreken met eentonig getik de nachtelijke kerkhof-stilte.

Daarbeneden ligt de begraven man zoo strak-onbewegelijk, dat gij, zoo gij het vermocht te zien en bijgeloovig waart, kondt denken, dat hij ingespannen naar het tikken luisterde en de vallende druppels telde.

Verder is er niets van te zeggen.

Gestorven is gestorven, en begraven is begraven. En het lekken uit de dakgoot zal wel eindigen, wanneer de motregen ophoudt.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

V.

LENTE IN DE WEI.

Wie de wei liefhebben, moeten nu luisteren. Want wat hier komt, is: van de weideheerlijkheid.

Thans moet niemand spreken van morgens en bunders en roeden. Hetgeen in morgens en bunders en roeden wordt weergegeven, is de echte wei niet.

De echte wei is die, welke geen met het oog omvatbare grenzen heeft.

De echte wei breidt zich van den noorder-Y-oever af uit tot het Texelsche Gat. Wat zich daar ontrolt, zijn niet bunders, maar is onmetelijkheid van smaragden majesteit.

Hier is zeker op den scheppingsmorgen de hand van den Alvader in een liefkoozende streeling over de aarde gegaan. Want er is geen plooi of kreuk in heel het onafzienbare groene aardlaken; in gladde strakgestrekenheid ligt het gespreid, zoover de blik reikt. En de zegen des Heeren blinkt erop in lichtsparkelende weelde.

In verhouding tot deze weidewijdheid komt niet in tel wat weinigs er is van duin en dreef, van bosch en bouw tusschen Y- en Texelstroom. Hier is het volstrekt gebied der wei, der groote wei van Nederland.

Dit is de grond, dien de lente liefheeft. Deze bodem, die geen bergbarricaden opwerpt tegen haar zoelte en geen boomkruinen opsteekt tegen haar licht. De lente, als zij komt, betreedt hier haar onbetwist koninkrijk. Geen belemmering, waardoor zij wordt gestuit op haar leven en vroolijkheid brengende schreden.

Als de lente haar weide-koninkrijk bezoekt, het is geen grootschheid, die haar begroet, maar àl blijheid, welke haar omjubelt; geen praal, welke haar hulde doet, maar àl lieflijkheid, die haar de hand kust. Het glanst, het glimt, het glundert al en al over het oneindig grastapijt, als weerschijn van den lichtlach der binnenhuppelende lentekoningin.

Zelfs de ongure waterratten, in het riet aan den kant, spelen met elkaar een lustig duikelspel. En opgejaagd door de beweging, die de rattenvroolijkheid in het riet verwekt, schieten scholen stekelbaarzen als zilvergeschitter weg van den oever, de doorzichtige poldervaart in.

De jonge lammeren maken met de ongeproportionneerde pooten hun houterige sprongen over de greppels. Telkens over de greppels, en dan weer terug naar het moederschaap, dat in wijsgeerige bespiegeling den wonderen invloed der lente op de vruchten haars schoots gadeslaat en overpeinst.

* * * * *

Hillie van den boer, met haar twintig jaar en blij meisjeshart, weet van geen bespiegeling en van geen wijsbegeerte. Zij lacht met ver klinkenden lach om de oolijke springprestaties der schapekinderen. En als gij niet zaagt, dat het Hillie is, die aan komt trippen, kondt ge denken, dat ergens een misklokje begon te bengelen, want daarnaar gelijkt haar heldere lach. Hillie, met haar zonneblonde krullokken, met haar madelieven-oogen, met haar appelbloesem-wangen, zou best de lentefee kunnen zijn, de lentefee op gele klompjes.