Bezoek aan den berg Athos De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 2

Chapter 23,756 wordsPublic domain

Toen wij te Kariès aankwamen, waren de epistaten vergaderd voor de verkiezing van een nieuwen president. Wij wandelden door het dorp, en werden toen naar een groote zaal geleid, of liever naar een soort van open galerij, langs de drie zijden met divans bezet. Op deze divans zaten, naar turksche wijze, de leden der vergadering, gekleed in mantels met wijde mouwen, die op de borst geopend waren en een onderkleed van blauwe of violetkleurige zijde naar gelang van de verschillende waardigheid der epistaten, lieten zien. Op het hooft droegen zij een zwart vilten _kalimafki_, die veel overeenkomst had met de baret van een advokaat. De president rees op en kwam naar ons toe, leunende op zijn stok; hij noodigde ons uit, op den divan plaats te nemen, en opende de brieven, die wij hem hadden ter hand gesteld; toen hij den brief van den patriarch van Konstantinopel geopend had, kuste hij eerbiedig de handteekening van zijn geestelijk opperhoofd. Een Albanees had inmiddels een laag tafeltje of bankje neergezet, waarop gedroogde confituren en koffie stonden; en nadat ieder van een kop koffie en de onmisbare tsjibouk was voorzien, begon men ons te ondervragen over ons vaderland, over Konstantinopel, en vooral over het eigenlijke doel van onze reis naar den Athos.

Vernemende dat wij zelf de kunst beoefenden, zeide de president dat hij ons eene woning zou aanwijzen bij den schilder Anthimes, een van de celebriteiten van den Heiligen-berg. Anthimes was zeer levendig en bewegelijk; hij bewoonde zijn klein huis in gezelschap van een pappas of wereldlijk priester, Manuel genaamd:--een soort van paria, die het eten klaarmaakte, den tuin verzorgde, het huis schoon hield, de schilder bij zijn arbeid hielp, bij de mis assisteerde, en toch, ondanks al deze bezigheden, nog tijd vond om lang te slapen en somtijds veel te drinken.

III.

Gedurende de eerste tien eeuwen onzer jaartelling is de geschiedenis van den berg Athos tamelijk duister en onzeker. Volgens de monniken, zou het klooster Laura, onder de regeering van Constantijn, zijn gesticht door den heiligen Athanasius den Athoniet. In geen enkel geschiedboek wordt, voor zoover ik weet, van deze Athanasius gewag gemaakt; maar, in datzelfde klooster Laura ziet men een fresko, waarop deze zelfde Athanasius is afgebeeld, eene bul of breve ontvangende uit handen van den keizer Nicephorus Phokas, dat is dus omstreeks 965. Toch zijn sommige kloosters waarschijnlijk reeds vóór dien tijd gesticht: bij voorbeeld die van Iveron en Vatopedi.--Volgens het verhaal der monniken dan, verzocht en verkreeg Athanasius van den keizer de vergunning om op den berg Athos een klooster te bouwen, en stichtte hij de groote Lavra of Laura (_Lavra_ beteekent vereeniging, gemeente). De kluizenaars, die destijds den geheelen berg bewoonden, zonden eene deputatie naar Konstantinopel, om tegen deze inneming van hun gebied te protesteeren. Te vergeefs: op hun verzoek werd geen acht geslagen, en weldra verrees het eene klooster na het andere. Toch zijn deze kluizenaars niet geheel uitgestorven. Op de hoogste rotspunten zijn nog altijd hermiten gevestigd, die daar, in de eenzame wildernis, ver van alle menschelijke woningen, leven. Wanneer zij op de berg geen voedsel meer kunnen vinden, dan melden zij zich aan de poort des kloosters aan, en bieden, in ruil voor eenige groenten, kleine rozekranzen en gebeeldhouwde kruisen aan. Hoewel zij de monniken met onverholen minachting behandelen, vereeren deze hen toch als heiligen. Toen wij het russische klooster verlieten, zag ik zulk een kluizenaar op een rots zitten: hij had bijna geen andere kleeding dan zijn buitengewoon langen baard. Geen vrouw, zelfs geen dier van het vrouwelijk geslacht, mag den berg betreden.

Op eenige minuten afstands van Kariès, ligt het klooster Koutloumousis. Wij hadden dus alle gelegenheid om de kaloyers in hun dagelijksch leven gade te slaan. Zij laten de zorg voor den land- en tuinbouw aan de leekebroeders over, en doen zelf weinig anders dan bidden. Vroeg in de morgen verlaten zij hunne cellen, en verzamelen zich in de kerk, om de metten te zingen; daarna hooren zij de mis; gaan naar den reefter; wonen te vier ure de vesper bij; gebruiken te zes ure hun avondeten, zingen een lied, en gaan met zonsondergang ter ruste, om midden in den nacht op te staan en de vroegdienst in de kerk bij te wonen. De aanvang van al deze verschillende diensten wordt, naar de aloude wijze, aangekondigd, niet door het luiden van een klok, maar door het slaan met een hamer op een houten of ijzeren schijf, een zoogenaamden _simander_. De kaloyers lezen weinig andere boeken dan hun gebedenboek, de eukologia. Er zijn echter sommigen, die gereisd, de wereld gezien, gestudeerd en zich wetenschappelijk ontwikkeld hebben. Desniettemin verkeeren de boekerijen in een toestand van jammerlijke wanorde, waarvan men zich moeilijk een juist denkbeeld kan maken; en de betrekkingen van _carthophilax_ is niet veelmeer dan eene sinecure.

Maar indien de monniken de letterkunde verwaarloosd hebben, zoo hebben zij hun ouden roem weten te handhaven op een ander gebied: dat van schilderen, graveeren en beeldhouwen in het hout, waarin hunne voorgangers reeds voor eeuwen uitmuntten. In de aan de Panagia gewijde hoofdkerk van Kariès, vindt men eene reeks fresko's uit het schitterendste tijdperk der school van den berg Athos. Deze schilderijen zijn vervaardigd door Manuel, bijgenaamd Panselinos, (panaselînî, volle maan) omstreeks de twaalfde eeuw te Salonika geboren--nauwkeuriger kon ik den tijd zijner geboorte niet te weten komen. Panselinos wordt als het hoofd beschouwd, niet alleen van deze kloosterschool, maar van geheel de byzantijnsche school. De overleveringen en beginselen dezer school zijn nedergelegd in een boek, getiteld Ermîneia tîs Zôgraphíchîs, Handboek der Schilderkunst, omstreeks 1650 saamgesteld door den monnik Dionysius, uit het klooster Fourna bij Agraphra in Thessalië, en door zijn leerling Cyrillus van Chio. In dit handboek vindt men uitvoerige voorschriften omtrent de wijze van schilderen, de voorstelling en schikking van gewijde onderwerpen, enz. Geschreven met het doel om de ontaarding der gewijde kunst te beletten, heeft dit boek de schilders als met onverbreekbare banden gebonden, en met terzijdestelling van iedere persoonlijke inspiratie en vrije conceptie, hun alleen de starre overlevering tot wet gesteld.

Zeer zeker ook onder den invloed dezer onveranderlijke, door de traditie gewijde regelen, is de kunst in de kloosters op de berg Athos tot een zeer laag peil afgedaald, en is alle leven en bezieling daaruit geweken. De eerste maal, dat ik het atelier van den schilder Anthimes bezocht, trof het mij, dat ik hier geen studiën of schetsen vond, maar wel een aantal potten met vischlijm, aangelengde kalk, oliën en andere dergelijke stoffen: in een woord, alles wat men in het laboratorium van een fabriekant van verwen zou verwachten. Ik vroeg onzen gastheer, ons iets van zijn werk te laten zien. "Wij maken geen studiën of schetsen, antwoordde hij: wij werken dadelijk op den muur; het handboek leert ons de proportiën van het menschelijk lichaam, de schikking der figuren en hare beweging. Mijn leermeester, Vader Macarios, had de kunst geleerd van Vader Nectarios."--Daarop een penseel nemende, dat hij in roodbruine verf doopte, teekende hij op een blad papier een Christuskop. De omtrek was met vaste hand getrokken, met al de zekerheid en kunstvaardigheid van een bekwaam teekenmeester: maar toch was deze wiskunstige teekening, schoon onberispelijk van lijnen, koud en zonder leven. Hoe is trouwens oorspronkelijkheid en leven mogelijk, waar de schilders zoo, ik mag wel zeggen werktuigelijk, naar vaste recepten arbeiden? In het handboek lees ik, bij voorbeeld, het volgende: "Een menschelijk lichaam is negen hoofden hoog; verdeel het hoofd in drie deelen: het eerste is voor het voorhoofd, het tweede voor den neus, het derde voor den baard; verdeel wederom de ruimte tusschen den neus en den baard in drie deelen", enz. enz. Met behulp van dergelijke regelen en van een passer, kan men een pop teekenen; met ijver en goeden wil zal dit eindelijk zelfs wel zonder passer gelukken: maar wat heeft dergelijk fabriekwerk gemeen met de scheppingen der kunst?

Hadji-Linos, de nieuw verkozen president, stelde ons den 23sten Mei den gezegelden brief ter hand, die ons de poorten der kloosters moest openen, en den 24sten begaven wij ons op weg naar de conventen der oostkust; een Albanees der wacht geleidde ons.

Na een tocht van drie uren over eene zandige helling, tusschen twee rijen note- en wilde vijgeboomen, komen wij te Iveron, ter rechterhand het klooster Koutloumousis latende liggen, dat nog de zeer duidelijke sporen vertoonde van den jongsten brand.

Het valt niet gemakkelijk, in deze wonderlijke verzameling van gebouwen eenig plan of eenheid van gedachte te ontdekken: hoogstwaarschijnlijk bestaat zulk plan ook niet. De indruk, dien deze mengeling van gebouwen, in een eng dal aan den oever der zee saamgeperst, op den aanschouwer maakt, is verre van opwekkend; en niet dan met zekeren weerzin verlaat hij de frissche lommerrijke bergpaden voor de donkere en vochtige portalen, de kille binnenplaatsen en de bedompte galerijen van het klooster. Het klooster van Iveron is een cenobitenklooster, waar, vooral ten opzichte van het vasten, buitengewoon strenge regels gevolgd worden. Gelukkig had de woïwode van Kariès ons een groot stuk kalfsvleesch medegegeven, zoodat wij althans niet aan de schrale keuken van het klooster gebonden waren.

In de grieksche kerk zijn de vasten veelvuldig en streng. Zonder te spreken van de bijzondere vasten, ter eere van den beschermheilige van het klooster, heeft men de volgende algemeene vastentijden: twee maanden voor Paschen, dertig dagen voor Pinksteren, veertien dagen voor Maria-Hemelvaart, en veertien dagen voor Kerstmis. Gedurende dien tijd mogen de geloovigen noch melk, noch eieren, noch visch gebruiken; zoodat er niet anders overblijft dan kaviaar, olijven en eenige wortelen en schelpdieren. De Oosterlingen, die over het algemeen zeer matig zijn, verdragen dezen strengen regel, die voor ons welhaast onverdragelijk zou zijn, zonder hinder.

De higoumenos was bij onzen maaltijd tegenwoordig, zonder daaraan zelf deel te nemen. Na afloop van het eenvoudig maal, leidde hij zelf ons door het klooster rond, ons alles verklarende en bereidwillig op al onze vragen antwoordende. De stichting van Iveron valt waarschijnlijk reeds in zeer ouden tijd. In de muren ziet men nog fragmenten van antiek beeldhouwwerk, uit de ruïnen der oude stad Olophiros afkomstig; waarschijnlijk is dus het klooster ouder dan de bekende twist over de beeldendienst, want de iconoclasten toonden weinig eerbied voor de kunstwerken der oudheid. De logotheet verhaalde ons dat het klooster door drie Georgiërs of Iberiërs, ter eere van Johannes den Dooper, was gesticht; wanneer dit was geschied, wist hij niet. Het reusachtige convent telt niet minder dan dertig kerken, rondom de hoofdkerk, ook hier aan de Panagia gewijd, gegroept. Deze laatste heeft geen zijschepen. Eene eigenaardigheid van deze kerken op den berg Athos, is een groote half-ronde nis achter het koor, die tot sakristie dient, en waar het gewijde vaatwerk wordt bewaard. De wanden der kerk zijn tot halve-manshoogte met gekleurde tichelsteenen bekleed; daar boven begint het schilderwerk. De fresko's van deze kerk zijn in 1846 schoongemaakt en opgeschilderd geworden. Binnen in de kerk heeft deze onhandige restauratie niet de volle schade aangericht: de schilder heeft althans de omtrekken der oude beelden gespaard, en alleen de kleuren bedorven; maar in het voorportaal heeft hij ten volle aan de buitensporigste dwaasheden bot gevierd, zonder nogtans ontrouw te worden aan de voorschriften van het handboek. Men ziet hier eene gansche reeks van terechtstellingen, waarbij, met volkomen minachting van alle regelen der perspectief, het bloed tot op den achtergrond tegen de zonderlinge gebouwen spat. Deze onhandige knoeiers ontzien zich niet, de schilderijen der oude meesters, onder het voorwendsel van ze te restaureeren, volkomen te bederven. Maar toch, deze schilderijen, hoe slecht ook uitgevoerd, maken desniettemin als decoratie een zeergoed effect, en onderscheiden zich in dit opzicht gunstig van de, uit het oogpunt der kunst, veel voortreffelijker werken onzer meesters. Het begrip van decoratieve kunst--en dat behoort muurschildering toch in de eerste plaats te wezen--schijnt voor het tegenwoordige geslacht verloren gegaan. Wanneer ge een onzer moderne kerken binnentreedt, met groote kosten, dikwijls door zeer bekwame handen, op nieuw beschilderd, kunt ge niet nalaten, onaangenaam getroffen te worden door het volkomen gebrek aan samenwerking tusschen den architect, de schilders en de beeldhouwers. Ieder van hen heeft op zich zelf gearbeid, zijne eigene opvatting en inspiratie gevolgd, zonder zich om de anderen te bekommeren: en de samenvoeging binnen een zelfde kader, van kunstwerken, ongetwijfeld met talent, maar toch onder den invloed van geheel verschillende denkbeelden vervaardigd, brengt een disharmonie voort, die afstoot en hindert. Dit was niet alzoo in de oude gothische kathedralen der middeleeuwen, en dit is ook niet alzoo hier op den berg Athos. Hier verdwijnt de persoonlijkheid der kunstenaars; ieder begrijpt zijne eigenaardige taak, en tracht niet daar buiten te gaan. Geen stoute verkortingen verbreken den statigen eenvoud der architecturale lijnen; het goud dringt zich niet aan u op; en het mozaïek smelt zijne sobere tinten samen met de kleurschakeeringen van het marmer. Het geheel is harmonisch, omdat eene zelfde gedachte al de deelen bezielt en aan ieder zijne eigenaardige plaats en beteekenis aanwijst; en deze minder dan middelmatige fresko's dragen er alzoo mede toe bij, om aan het geheele gebouw het passende monumentale karakter te geven.

Men vergat vooral niet, ons twee afbeeldingen der Heilige-Maagd te laten zien, die op den geheelen berg in bijzondere eere worden gehouden. De eerste hangt hoog boven den hoofdingang, en is zeer moeilijk zichtbaar vanwege het dichte traliewerk. Een oude kaloyer, die in het portaal zat, verhaalde ons, met groote breedsprakigheid, de geschiedenis van dit beeld. Die historie kwam in 't kort hierop neer. Theophilus, de patriarch van Alexandrië, de vijand van den heiligen Johannes Chrysostomus, had in zijn twist met den monnik Isidorus, eenige kloosters doen verbranden, en de schilderijen die zij bevatten verstrooid. Een dezer schilderijen werd in zee geworpen, door de golven op wonderdadige wijze naar den oever bij Iveron gevoerd, en door een kaloyer, Gabriël genaamd, uit het water getogen. Thans prijkt het heilige beeld boven de poort des kloosters.--De andere afbeelding is in eene kleine kerk, aan de heilige Apostelen gewijd, geplaatst; het bijna zwart geworden paneel heeft, op de hoogte van het gelaat, eene breede wond of scheur, waaruit bloeddruppelen heeten te vloeien. Men verhaalt u, dat omstreeks het jaar 650, het klooster door zeeroovers overvallen en ingenomen werd. Hun hoofdman, een Ethiopiër van geboorte, drong tot in deze kapel door, en trof de Heilige-Maagd met zijn mes in het gelaat: aanstonds vloeide het bloed uit de gapende wonde. De rooverhoofdman, door dit wonder getroffen, bekeerde zich; met al zijne makkers nam hij het monnikskleed aan, en sleet zijn verder leven in het klooster.

In de grieksche kloosters wordt de gastvrijheid op den meest onbekrompen voet uitgeoefend, en zonder aanzien des persoons: Joden en Muzelmannen worden evengoed ontvangen als Christenen. Niemand behoeft iets te betalen; maar de Grieken zijn handige diplomaten; en zonder rechtstreeks iets te vragen, weten zij u toch aan het verstand te brengen, dat men eene of andere bijzondere gave van u verwacht, indien ge sommige kostbare voorwerpen begeert te zien.

De higoumenos verhaalde ons, dat onder de weinige vreemdelingen, die hier vertoefd hebben, sommigen ziek zijn geworden, ondanks het zeer gezonde klimaat. Ik wil het gaarne gelooven. Hij die hier komt, zonder bepaalde beweegreden, zooals, bij voorbeeld, belangstelling in de oude kunstgewrochten, moet al spoedig de prooi worden van doodelijke verveling. Het voedsel der monniken is slecht, de kamers in de buitengalerijen zijn over dag brandend heet, de zindelijkheid laat zeerveel te wenschen over, en de bergpaden zijn bijna ontoegankelijk. Behalve de gulle ontvangst en de niet zeer rijke conversatie der monniken, blijft er geene andere afleiding over dan de beschouwing der omringende natuur, die inderdaad prachtig is en een onmetelijk panorama voor uwe blikken ontrolt. Ongelukkig brengt de kloosterregel mede, dat de poorten met zonsondergang gesloten worden: gij kunt dus des avonds den onmetelijken horizon alleen aanschouwen van een balkon, dat als een zwaluwennest onder het dak hangt. Meermalen, wanneer wij des nachts door het slaan op de simanders werden gewekt, verlieten wij onze kamer, om de nog half dommelende monniken naar de kerk te zien gaan. Het was een eigenaardig tooneel: die waggelende, door den ouderdom gebogen gestalten, in lange mantels gehuld, en flauwelijk verlicht door de flikkerende vlam der kleine lamp, die ieder in de hand droeg, langzaam langs de galerijen gaande, terwijl de echo der sombere gangen en ommuurde binnenhoven het dof en aanhoudend geluid van de simanders herhaalde. Onwillekeurig herinnerde dit tafreel aan de voorstelling van het Laatste Oordeel, zooals men die in sommige oude almanakken vindt.

Op zekeren morgen gaven wij den wensch te kennen, het klooster Stavronikitas (stanros, kruis, en nichî, overwinning) te bezoeken, ongeveer een paar mijlen van Iveron verwijderd. De higoumenos bezorgde ons eene boot met twee monniken, fiksche roeiers, die ons al spoedig op eene bloemrijke, met rozen en myrthen begroeide plek aan wal zetten. Vandaar begaven wij ons te voet naar het klooster, dat in zijn uiterlijk voorkomen meer op eene vesting dan op een godshuis gelijkt. Men had ons te Kariès met veel ophef van de schilderijen van Stavronikitas gesproken; maar het oogenblik voor ons bezoek bleek slecht gekozen te zijn: bijna al de kerken waren gesloten. Men was op de binnenplaats bezig met herstellingen: zaag en hamer werden ijverig gehanteerd; het regende stof en steengruis: wij hadden niet veel lust, ons hier lang op te houden. Wij maakten dus haastig eenige schetsen en keerden naar de boot terug. "Hebt gij het wonderdoende beeld gezien?" vroeg ons Vader Pachomius, een onzer roeiers. Wij hadden het niet gezien, en waren ook niet begeerig om voor dit doel terug te keeren en den tocht op nieuw te maken.

De zucht voor het wonderbare is overigens bij de Oosterlingen zeer levendig; en de geestelijkheid der grieksche kerk exploiteert die neiging wel wat veel. Den volgenden morgen konden wij te Iveron op nieuw zien, hoe diep die zucht bij het volk is ingeworteld. Nabij de poorten der kloosters staan eenige kleine kapellen, _kimisis_ genaamd, waarin de lijken der monniken worden bijgezet. Ik zat met mijn vriend in een dier sedert lang verlaten grafkelders, die geheel met doodsbeenderen was opgevuld. Wij hielden ons met phrenologische studiën bezig, toen Janni, onze albaneesche kawas, binnentrad.--"Dat is de schedel van een _vroukolakas_" (bezetene), zeide hij, op het doodshoofd wijzende, dat ik in de hand had; "zie maar de zwarte tanden".--"Dat bewijst alleen, dat hij slechte tanden had," antwoordde mijn vriend.--"Hebt gij dan nooit een bezetene gezien, effendi?"--"Neen."--"Ik wel. Te Kavela woonde een man, Makalakis genaamd, die het booze oog had en zijn leven lang de andere menschen allerlei kwaad had gedaan. Ging hij door het veld van zijn buurman, dan verlepte de tabak, en de vrouwen, die hij aanzag, werden onvruchtbaar. Op zekeren dag vond men hem dood bij den _tsarchi_. Hij was zwart, zooals de menschen, die aan de pest gestorven zijn. "Dat is een slecht teeken", zeide de pappas. Een jaar lang spookte de ziel van Makalakis om de naburige huizen. Eindelijk ging men den pappas halen en groef men het lijk op. Het lichaam was geheel zwart, maar overigens ongeschonden, als ware hij den vorigen dag gestorven. "Wij zullen den bisschop halen", sprak de pappas. De bisschop was een heilig man, en toen hij bij het lijk kwam, begon het vleesch zich aanstonds te ontbinden, maar de beenderen bleven zwart; en dat is niet natuurlijk, effendi; en de schedel, dien gij daar in de hand hebt, is van een bezetene."--Toen wij des avonds onze ontmoeting aan den logotheet verhaalden, antwoordde hij droogjes: "Dat is waar."--Wij begrepen dat het beter was, niet verder aan te dringen.

IV.

Den 2den Juni namen wij afscheid van den higoumenos, om ons naar het klooster Philotheos te begeven. Wij moesten den weg derwaarts op een muilezel afleggen, want een ander middel van vervoer wordt door de monniken niet gebruikt. Zulk een rit op een zeer slecht opgetuigden muilezel, met een uiterst primitief zadel, langs een steil en ongemakkelijk bergpad, is verre van aangenaam. Telkens stuitten wij op diepe kloven en ravijnen; dan bleven de ezels, ondanks vermaningen en bedreigingen, stokstijf staan, tot eindelijk een der monniken die ons geleidden, over de kloof heensprong, waarop de ezels volgden. Dit een en ander hield ons zoolang op, dat ik reeds vreesde, dat wij de ophaalbrug van het klooster opgetrokken zouden vinden, en in het _xenodokion_ zouden moeten overnachten. Dit xenodokion is een soort van loods, buiten het klooster, waar de reizigers, die na het sluiten der poort aankomen, hun intrek kunnen nemen. Elken avond, een half uur voor zonsondergang, komen de monniken bijeen om voor de dwalende reizigers te bidden, terwijl de simanders van verre de echo's der bergen doen weergalmen. Een kaloyer waakt den geheelen nacht in het xenodokion, en voorziet menschen en beesten van levensmiddelen, in afwachting dat de poort van het klooster geopend wordt.

Philotheos werd in de tiende eeuw gesticht door drie kaloyers van den Olympus: Arsenius, Dionysius en Philotheos. De superieur kon, naar het mij voorkwam, niet veel jonger zijn dan honderd jaar. Hij had een zeer werkzaam aandeel genomen aan den onafhankelijkheidsoorlog in 1821, en nog, wanneer hij daarvan sprak, tintelden zijne oude oogen van jeugdig vuur. Hij was een dergenen--helaas! hun aantal was niet zeer groot--die hunne stille cel op den berg hadden verlaten, en met het kruis in de eene, het geweer in de andere hand, naar de vlakte waren afgedaald. De weinige monniken, die aan den strijd deelnamen, sloten zich aan bij de opgestane Grieken in Macedonië. Diamantis kwam, aan het hoofd zijner Albaneezen, hun te hulp; hij nam eene positie in op het schiereiland Pallene, tegenover den berg Athos, en sloeg de Turken onder Youssouf-bey. Maar weldra kwamen zij in grooten getale terug, aangevoerd door Aboudouloub, pâsja van Salonika; en nu moesten de Grieken voor de overmacht wijken. De schrik verspreidde zich op den heiligen berg. De monniken verlieten Kariès, brachten hunne schatten in veiligheid aan boord van een schip, en trokken zich terug in de sterke kloosters van Zographos en Hiërophon. Aboudouloub, geen aanval op deze geduchte vestingen durvende wagen, knoopte onderhandelingen met de monniken aan. Hij bezwoer hun plechtiglijk, dat hunne eigendommen geëerbiedigd zouden worden; maar het was volstrekt noodig, tijdelijk eene bezetting in hunne kloosters te leggen. Die voorwaarden worden aangenomen: maar zoodra de pâsja eenmaal den voet binnen het klooster had gezet, brak hij natuurlijk zijn woord en begon de plundering. Gelukkig hadden de monniken, wetende met wien zij te doen hadden, al hunne kostbaarheden, hunne relikwieën, en een deel van hunne artillerie naar Laura laten brengen, zoodat de admiraal Combaris, die voor Thasos kruiste, nog tijd had, dit alles aan boord te nemen. Naar Egina overgebracht, werden al deze voorwerpen later naar den Athos teruggevoerd.