Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 20
Spijze, Vlees, Tékeric.
Gebraden, Aribelet, Achérouti.
Eene Zauce, Taomali, of Taumali.
Gekapt vlees, Nâtara.
Een Gastmaal, Nâtoni, Laupali, Eletoak.
Vergif, M. Tiboukoulou, V. Tibaukoura.
Koopmanschap, Eberitina.
Koopman, Baouânemoukou.
Pirauge, of groot Schip van de Wilden, Canaouâ.
Klein Schip van de Wilden, dat wy Canot noemen, Couliala.
Schip, Kanabire, dit komt zonder twijffel van ons Françoysch woord.
Koorde, of touw, Ibitarrou.
Kabel, Kaboya. Dat is een woord dat na stameling gelijkt, en dat zy hebben gevormt, zonder twijffel, zedert dat zy met de vremdelingen hebben verkeert. Gelijk ook eenige van de volgende.
Anker, Tichibani en Ankouroute.
Mes, Couchike.
Knipscheiren, Chirachi.
Veel, Mouche. Woord van de geschonde taal.
Tien, Chonnoúcabo raïm, dat is te zeggen, alle de vingeren van de handen.
Twintig, Chonnoucabo raïm, Chonnougouci raïm, dat is te zegden, alle de vingeren van de handen, en alle de teenen van de voeten.
Zy konnen niet verder tellen.
Ziet daar uw bedde, bouëkra.
Ziet daar uw eten, En yerébali.
Ziet daar uwen drank, En batoni.
Groten dank, of wel, Tao.
Ja, Anhan.
Neen, Ouâ.
Morgen, Alouka.
Goeden dag, Mabouë.
Vaar wel, Huichau.
VI. ZIERADEN en WAPENEN.
Snuisterijen, of Beuzelingen in ’t gemeen, Cacones.
Kroone, Tiamataboni.
Bagge, Toukâbouri.
Hals-snoer, Eneka.
Mijn hals-snoer, Ynekali.
Armring, Nournari.
Oorbehangzelen, Narikaëla.
Gordel, Jeconti, of Niranvary.
Broosje, Tichepoulou.
Françoysche kamme, Baïna. Dat is ons woord in stamel taal.
Kamme van Rieten, Bouléra.
Neusdoek, of snuitdoek, Naïnraglé.
Spiegel, Chibouchi.
Degen, Echoubâra.
Roer, Musket, Rakâbouchou.
Pistool, Rakâbouchou raeu, eigentlijk, klein roer of klein musket.
Geschut, Kaloon.
Pijk, Hellebaart, Ranicha.
De punt, M. Lichibau, V. Laboulougou.
Het midden, Lirana.
Het einde, Tíona.
De boog, M. Oullaba, V. Chimala. Deze twe woorden beteikenen ook een Boom.
De peze van den boog, Ibitarrou.
Pijlen, Alouâni, Bouleouâ, Hippé.
Wapen knods; waar mede de Wilden haar dienen in de gevegten in plaatze van swaarden, bouttou.
VII. LAND, WATER EN LUGT-GEDIERTE.
Hond, Anly.
Teve, Onëllé anly. Eigentlijk het Wijfje van den Hond.
Verken, Bouïrakou. Zy noemen het ook zomtijds, Coincoin.
Simme, of gebaarde Meer-katte, Alouâta.
Schild-padde, Catallou, en in stamel taal, Tortille.
Grote Egdissen, Ouâyamaka, dit zijn de zelve die andere Indianen Iganas noemen.
Kleine Egdissche, of Mugge-slikker, Oulleouma.
Ratte, Karattoni.
Katte, Méchou.
Soldaat, of Slekke, Makere.
Miere, Hage.
Spinnekoppe, Koulaëlé.
Serpent, Héhué.
Slange, Couloubéra. Uit het Spaansch.
Schorpioen, Akourou.
Visch, Authe, en in bedorven taal, Pisket.
Kinkgehoornte, Schelpen. Zy noemen de visch, en zy voegen ’er Ora by; gelijk of men zeide het dekzel, of de schelpe van den visch. Aldus Ouâttabouï ora, is het gene wy gemeenlijk een Lambis noemen.
Mouskite, of eene zoorte van muggen, Aëtero.
Andere zoorte van Muggen, gemeenlijk Maringons genaamt, en onder die naam bekent, Malu Kalábala. Die witte voeten hebben.
Vliege, Huëré-huëré.
Blinkende Mugge, Cagouyou, dit komt eenigzins over een met de Cocuyos van d’ andere Indianen.
Vogel, Tónoulou.
Kalkoensche haan, Ouëkelli pikaka.
Kalkoensche hinne, Ouëllé pikaka.
Gemene hinne, Kayou.
Endvogel, Kanarou.
Ganze, Iriria.
Perroket, Kouléhuee.
Duive, Ouäkoukouâ.
Tortel-duive, Oulleou.
Perdrijs, Ouâllami.
Pluim, of veder, Toubanna, dit is ook een blad.
Wieke, of arm, Tarreunâ.
Bek, of mond, Tiouma.
Voet, of poote, Tóugouti.
VIII. BOMEN EN PLANTEN.
Boom, Huëhuë.
Plante, Ninánteli.
Bloeme, Illehuë.
Vrugt, of graan, Tun.
Blad, Toubanna: Die is ook een pluim.
Tak, Touribouri.
Doorn, kwast, Huëhuë you; eigentlijk, het hair van den Boom; of Huëhuë akou; gelijk of gy wilde zegge, d’ oogen van den boom.
Eene Wildernisse, Arabou.
Vijgen, Backóukou.
Zy noemen d’ Oranje-appelen en de Citroenen gelijk wy, om dat deze vrugten uit Europa tot haar zijn gekomen.
Cassie- of Canesicie-boom, Malimali.
Katoen, Monóulou.
Katoen-boom, Manóulou Akecha.
Druive-boom, Ouliem.
Rakette, een vrugt aldus by de Françoyschen genaamt, Batta.
Grote Cardon, Toorze of wasch-keerze genaamt, Akoulerou.
Tabak, Youli.
Meloen, Battia.
Boon of Erweet, Mancouti.
Rotting of Riet, in ’t algemeen, Mamboulou Tikasket.
Zuiker-riet, Kaniche.
Zap- ofte wijn van Zuiker-rieten, Kanichira.
Zuiker, Choucre. Dit is ons eigewoord in kromtong.
Een kruid, Kalao.
Wortel om t’ eten, Toralé.
IX. HOOFTSTOFFELYKE EN ONBEZIELDE DINGEN.
De Hemel, en eene wolke, Oubékou.
Witte wolke, Allirou.
Bruine wolke, Ouâllion.
Mist, Nevel, Kemereï.
Sterre, Ouâloukouma.
Zon, M. Huyeyou, V. Kàchi.
Mane, M. Nonum, het gene ook d’ aarde beteikent, V. Káti.
Dag-loop, Lihuyeouli.
Klaarheid en Af-schijnzel, Lalloukone.
Ligt, Laguenani.
Nagt, Ariábou.
Duisternissen, Bourreli.
Het is dag, Haloukaâli.
Het is nagt, boureokaâli.
Lugt, Naouârglé.
Wind, bebeite, het beteikent ook zomtijds de lugt.
Vuur, Ouâttou.
Assche, ballissi.
Regen, Konóboui.
Hagel, Ys, Sneeuw. Zy kennen. dit niet.
Winter, is haar ook onbekent.
De koude, Lamoyenli.
Zomer, Liromouli.
De hitte, Loubacha.
De schone tijd, Jeromonmééli, zy noemen hem ook met den naam van de Zomer.
Het is schoon weder, Hueôumeti.
Het is kwaad weder, Yehoumeti.
Donder, Ouâlou ouyoulou.
Het geluit van den donder, Trtrguetenni.
Onweder, Youâllou, bointara, Ouragan: dat d’ allergemeenste naam is.
Regen-boog, Alamoulou of Youlóuco; gelijk of men zeide, Gods-pluim of Vederbos.
Een berg, Ouëbo.
Eene valeije, Taralironne.
Het op gaan, Tagreguin.
Eene vlakte, Liromonobou.
Water, Riviere, Tóna.
Poel, Taonaba.
Bron, springader, Taboulikani.
Putte, Chiekâti.
Vlied, Tipouliri.
Zee, M. Balanna, V. Bolaouâ.
Land, M. Nonum, dit beteikent ook de Mane, V. Mona.
Drek, Itika.
Zand, Saccâo.
Weg, Ema.
Steen, Tébou.
Rotze, Emétalì.
Eiland, Oubao.
Vast-land, of Vaste-kust, balouë.
Hout, Huêhue; dit beteikent ook een boom.
Yzer, Crábou.
Goud en Zilver, boulâta.
Tin, Tialapirou.
Latoen, Kaouánam.
Een gat, Toullepen; dit beteikent ook een venster.
Eene Rheede, Beya, dat is het woord van baye een weinig verandert.
X. GEESTELYKE OF GODS-DIENSTIGE DINGEN.
De ziele word uit-gedrukt door het zelve woord dat het herte beteikent. Ziet in het op-schrift van de delen des Menschelijken lighaam.
Een Geest, M. Akambouë, V. Opoyem deze namen zijn algemeen. Daarom worden zy zomtijds gegeven aan den Geest des menschen. Maar worden by-zonderlijk de goede Geesten op-gelegt; ten minsten die de Karaïbanen agten zodanige te wezen, en die haar plaatze van Goden houden.
Goede Geest, die zy voor eene Godheid houden; en van wien een yder onder haar den zijnen heeft voor zijnen byzonderen God, is ook Icheïri genaamt, dat het woord der mannen is; en Chemun, het welke dat van de vrouwen is, en waar van het meervoudig is Chemignum. Invoegen dat deze woorden over-een-komen met die van God, en van Goden.
Mijn goede Geest, of mijn God, M. Icheïrikou, V. Néchémérakou.
Boze Geest, of Duivel. Mannen en vrouwen noemen hem Maboya, gelijk alle onze Françoyschen uitspreken; maar de Karaïbanen spreken hier de B een weinig meer op zijn Hoogduits uit, gelijk of wy Mapoya schreven.
Zy geven ook den naam van Maboya aan zekere Duivels-broden, en aan zekere Planten van kwaden reuk.
De Duivel, of de Boze Geest is hier: laat ons vlugten uit vreze van hem. Maboya kayeueu: Kaima loari. Zy zijn dit gewoon te zeggen als zy een kwade reuk ruiken.
Offeranden die zy aan de valsche Goden, of de kwade Geesten doen Anacri.
Aanroeping gebed, plegtigheid, aanbidding: zy weten niet wat dit te zeggen is.
EINDE.