Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 19
[Ambaio.] Ambaio, een Oly zeer dienstig om de oude vervuilde sweren te genezen.
[Ahuacaquahuitl.] Ahuacaquahuitl, deze Oly is mede de Amandel Oly niet ongelijk, zo in reuk als in smaak, desgelijks in kragt als in werkinge.
[Aypato.] Aypato, deze Oly word door middel van een klein Hand-parsje uit de schillen van de zoete Oranje Appelen gedrukt, des zelfs nutbaar gebruik is bekend.
[Puodo.] Puodo, deze Oly is geparst uit de schillen van de zuure Oranje Appelen.
[Auowo.] Auowo, deze Oly word, door middel als de vorige, uit de Lamoen-vrugt Lemmetjes des zelfs schille geparst.
NOTITIE,
Wat zoorten van Goederen, in Koopmanschappen, in de Colonie van Zuriname, uit Europa, om aldaar te verhandelen, gezonden worden; daar toe een yder in ’t particulier vryheid heeft.
LINNEN FABRIEK.
Ruw Ossenabrugs Linnen. Dito Wit. Dito zoort Blauw. Zeildoek ligt en swaar goed. Wit Vlessen. Smalle Sluijers fijne zoort. Slesiger wit Linnen. Dito zoort Blauw. Warendorper Linnen. Fransche Linnen Teerelinge. Rouwanos. Brugse Streep. Gingangs. Biellevelts in zoorten. Huisdoek. Trielie in differente koleuren. Plattieljes gevouwen en in rollen. Groen gedrukte Linnens. Haarlemmer Bont in zoorten.
OOST-INDISCHE GOEDEREN.
Tappe Cancenias. Tappe Cindas. Brauwles. Zoesjes Hokjes. Romals Desta by de Compagnie van Holland. Sattijne Pelangs in differente koleuren. Geneesé Corras of Stofjes. Kraprode Poucas. Pattenase Citzen. Oost-Indische Atlassen. Suratse Citzen. Suratse Kamer-behangzels. Nicanees. Douriasse. Caneeans Pinasse. Lemenias. Oost-Indise Teerlinge in zoorten. Blauw, wit en gekoleurt Voerkatoen. Armosijne in zoorten. Gedrukte Inlandze Katoenen. Toette Crijnze Citzen. Oost-Indisch Zeildoek. Witte Pano Camprido. Dito Blauwe. Witte Salempouris. Blauwe Canaricommis. Hammans. Utisal. Blauwe Pierenpauts. Witte Chineese Dammast. Rolades. Percallen. Tonquinze Pelangs effen en geblomde. Witte en blauwe Chineese Zijde Krippen. Photassen, Bendanos of Terra de Foula, Alegiassen, Jammawaars, Cabaijen, Alibanees, Pattemaropœ, diversse Baftas, diversse Guinees, hele en halve Nicanezer.
NETELDOEKEN.
Twe ellens breed Gestreept. 1½. breed Mallemouwres. Dito zoort twe elle breed. Twe elle breed Cassa zonder galen. Malmolense Dasjes. Gebloemde Dasjes en Kobben. Effen en geblomt Kameriksdoek. Dammast Tafel-goed.
SPECERIJEN, KRUIDERIJEN EN ANDERE MOND-KOST.
Bruine Peper. Kaneel. Notemuskaat. Foeli of Blom. Amandelen met en zonder doppen. Ansiovis, Olijven, Levantsche Boom-oly, Koffy-bonen, Theé, lange Rosijnen, Peldegarst, Rijst, Geerst, Korenten, Pruimen, Zoetgroen-hout, blauwe Spaansche Zeep, Kaarssen, Raap en Lijn oly. Grauwe, groene en gele Erweten, Turksche Boontjes, Mostert-zaat, Stokvis in kippen.
WIJNEN, BRANDEWIJN EN GEDISTELEERDE WATEREN.
Chieterne Wijn, met Hooglandsche gesnede. Sware Toessane, Pontak, rode Wijn de Ru, Rinsche Wijn, Rinsche Bleker, Spaansche Wijn, Wijn de Graaf, en andere goede Fransche Wijn in zoorten. Brandewijn, Annijs, Keulsche Jenever, Kaneel, Nagelen, Seldery, en verders fijne Wateren; Spieritus van Lepelbladen, de Engelsche best begeert.
BIEREN.
Sware Mom, in Pijpen, voor de Tappers. Serfster Bier. Wit en bruin Bitter Bier. Nimweegze Mol. Loenders en Luiks Bieren, in Pijpen.
BOTER.
Mastenbroeker, Leidse, Essendelfster, Emmenesser, Friesche en Vegter.
KAAS.
Edammer oude Stapel-kaas met Specerijen, Leidse, Groninger Kruid-kaas, Peterceli, Stolkse en Texelse Kaas, alle in zijn zoort oude.
HOEDEN.
Kastoor Koralijne zo Pruik Hoeden als andere nieuw modes goed. Swarte Neger Hoeden van 15. à 16. stuivers. Jongers Hoeden, neffens de Knoopen, Koorden en Hoede-borstels. Mans witte Zeem-lere, en andere zoort van Hand-schoenen. Paruiken ligt van Hair in zoorten. Kopere en Lere Patroon-tassen; Portepees, Vurgulde of Metale Degens; Burger Snaphanen, Kogels en Hagel.
KOUSSEN.
Engelze geweve Rol-koussen. Doornikze witte gaarne Rol-koussen. Dito gemengelde zoorten. Grijsse of ruwe gaarne Koussen. Mallegaasse witte Onder-koussen. Marsseliaans dito. Zijdene Koussen allerhande koleuren. Dog alle Wolle Koussen, en Wolle goed, moet eerst geswavelt worden, om ’t voor de Motte te bevrijden.
ZIJDENE LINTEN.
Goude en zilvere Linten, in blauwe, purpere, swarte, rode en andere behaaglijke gronden. Allerlei koleuren van effene zijde Linten en geblomde. Vrouwe zijdene Hans-schoenen in allerlei koleuren. Goude en zilvere Senturen. Zilvere en goude Borsjes. Goud en zilver-draad Knoopen aan Mans kleding, met de draad tot de Gaten.
KANTEN.
Brabandze Gespelde-werkte Kanten. Stok-gronden en andere zoorten. Allerlei Groninger en Friesche zoorten, behalven heel digte Kanten, tot Mutzen niet begeert.
HAMMEN EN SPEK.
Hammen die over Eekenhout wel gerookt zijn. Rook-vlees en Osse Tongen. Gerookte Worsten. Gedroogde varsse Worsten, in wel-gedroogt fijn zout ingelegt zonder Pekel. Sausies de Boloni. Gerookt Spek, en dito Gezoute.
SCHOENEN EN MUILEN.
Mans Schoenen, zo ze in ’t voor jaar gezonden worden, moeten ligt zijn en geen brede sware hakken, in ’t najaar swaarder goed. Rode, blauwe en gele Mans, neffens Vet-lere Muilen. Vrouwe Spaansch, rode, gele en Vet-lere Muilen en Schoenen. Neffens Kinder goed voor Jongens en Meisjes, (net gemaakt.)
SCHRIJF OF GEMENE KANTOOR-BOEKEN.
Schrijf-boeken gelinijeerd en gebonden in Hoorn. Schrijf-papier afgesneden. Quarto Schrijf-boekjes met bonte omslagen. Schagten, Boutjes en gesnede Pennen.
TIN SERVIES.
Tinne Pottatie Schotels. Dito kleine. Theé-potten. Dito grote om ’t Water in te doen. Ligte Kandelaars. Peper-dozen. Tafel-borden. Presenteer-borden. Lepels, Koffy-kannen, Vorken, Zout-vaten, Water-potten, Bier-kannen, Mostert-potten, en wat verders tot het gebruik behoort.
GLAASSEN.
Wijn-kelken enkelde. Dito dubbelde. Dito Bier-glaassen. Brabands. Dito dik Duits of Boheems goed.
GEMAAKT ZILVER SERVIES.
Zilvere Theé-bosjes van ¼. pond Theé, ligt gemaakt. Haar-borstels met zilver. Kleer-borstels. Spelde-bakjes van 3. à 4. huisjes. Ligte Poeder-dozen. Vinger-hoeden uts. Grote Schoen-gespen. Dito kleine. Gelaasse Theé mesjes en Vorken, 6. in een koker. Theé-lepeltjes en Vorken, Zoutvaten, Presenteer-borden, en verders in andere zoorten.
KOPER-WERK.
Koffy-ketels, Koffy-kannen. Dito Komvoren. Grote Lepels voor Zuiker-ketels, Schuimers, Fonteintjes, Strijk-yzers, met Metale platen, voor met een punt; geel kopere Raspen, kopere kandelaars, Snuiters, Peper-dozen, kopere koek-pannen, Taart-pannen en Wafel-yzers.
YZER-WERK.
Dag Deur-sloten, grote Grendel-sloten, dito kleine, dito middel zoort, kram-sloten in zoorten, Sloten met een schuif of veer, dito kast-sloten, kamer-deurs-sloten, met en zonder Ringen; inlaat kist-sloten, dito dubbelde Venster knip-sloten niet al te groot, kist-hengzels, Venster-hengzels, Venster grendels met krammen, Deur-hengzels met krammen, ordinari Deur-hengzels.
TIMMERMANS GEREETSCHAP.
Sware Bijlen, Beitels van 2. voet lang of Fremoren, Voorlopers, Schaven, Gerf-schaven, Dop-gutzen, Trek-zagen met ronde oogen, zonder stiften, dik gemaakt, met een gat door ’t oog; Vermoors-beitels van 2. à 3. duim breed, d’ eene zijde rond; drie kante Engelsche Mes-vijlen, kant Beitels van een en een half duim breed, kram Zagen de langste zoort, Kuipers Baarssen. Hand-zagen geen gespannene. Avegaars en andere zoorten met ronde oogen boven stijf gemaakt. Kuipers Dissels swaar goed. Avegaars van 3. à 6. quart. Gladde Bijlen en kap-messen. Ruwe kap-messen en Bijlen. Schoppen om te delven en ’t water uit te werpen. Houte Schoppen met yzer beslag. Vierkante yzere Schoppen, de stal op piep niet al te schuin. Cassave Beitel, Sjappen.
SPIJKERS.
Drielings dubbelde en enkelde, Las-yzers, grote Duim-spijkers. Hoge yzere Potten. Yzere Vernuizen. Grote Dommekragten, en kleinder zoort.
NEURENBERGER KRAAM.
Spiegels van No. 3. 4. en 5. Koralen geslepe, witte en donker blauw, dito middel zoort. Kleine Punt-scheertjes. Scheer-messen met witte en rode houte hegten. Houte Mostert Vijzels. Mond-trompe. Conte Corbees. Geslepe witte kristal koraal. Kopere Bellen. Oor-pandanten van blauw en rood kristal. Zeil naalden. Towasjes van de grootste zoort. Grote 5. nagelde Messen. Knip-messen. Engelsche stale Vis-hoeken in zoorten. Penne-messen, goede Scheer-messen, witte Yvore Messen en Vorken. Koker Messen met kopere Hegten, en dito Vorken. Dito Hoorne, Houte en andere zoorten. Aarnhemze Tafel-messen, met Hars hoorne Hegten.
VERSCHEIDENE ZOORTEN VAN KOOPMANSCHAP.
Geel kerzaai. Fijne en grove witte Flenel. Bombasijn in zoorten, halve en dubbelde. Swart en koleurde Trielie. Swart Rouw-krip. Dito hoog Blauw en verdere zoorten van koleuren. Hoog blauw Satijn met goud of zilvere bloemen Ligte stoffen tot Mans kleding, ligte Lakens in zoorten nieuwe koleuren, met Armosijne tot voeringe, neffens knoopen en zijde. Rol Damasten in zoorten. Hair-poeder. Laû de la Reine. Poeder-dozen. Metale knoopen tot boven en onder kleding. Dito Yvorene. Dito gemelde Gaarne. Gaarne witte Hand-schoenen. Gaze kappen deur genaaid. Korte Schorte kleden. Oost-Indische Waaijers die vraai zijn. Dito zijdene en Frans-papiere. Hand Rottingen. Fluwele Bonetten, zo rood als swart, galant gemaakt. Allerlei zoorten van geverfde Gaarns, exempt swart en groen. Allerhande zoort van Naai en Stik-zijde, zijdene Rijg-veters. Pallet-borden met de Ballen. Witte Stijfzel en Blauwzel. Palmslag Lijns-rollen. Geborduurde Kammezolen op Frans Linnen, dito Broeken op de zijde geborduurt. Slijp-stenen, Fransche Kiepper-zollen in zoorten, Tabakspijpen in zoorten, korte en lange; goud-leren kamme Tassen, uurs en half uurs Zand-lopers. N. B. Alle zoorten van Wolle goederen moeten eerst Geswavelt worden, om die voor ’t verderf van Motte te bevrijden.
MEDICAMENTEN.
Olium Succini. Oli Juniperi. Oli Anisi. Bals: Sulfferi. Oli Cinamomi. Kreefs-oogen. Cremotartari. Sal Prunel. Emplasterum Opedildum. Ung: Diapalmæ. Ung: Gipsiacum. Oli Lauri. Extractum Catholicum. Veneetze Thiriakel in Blikken Dozen. Conserf van Flaar. Rhabarber. Extract van Alst. Borax. Sal Armoniacq. Sal Volatile Oliosum. Salsa China. Spiritus Coccheliariæ. Elixt: Paraselsi. Elixt: Salutis. Elixt: Proprietatis. Empl: Diachlum cum Gumm: Labean: Mucagia: Defensiv: Vigon: Ungt: Apostol: Altheæ. Nervin. Crocus. Oli Terbentit: Flos Sulpheri. Camphor. Murcur: Vivum.
KARAÏBAANSCH WOORDEN-BOEK.
WAARSCHOUWING.
1. Wy teikenen de lange Letter-grepen, en op dewelke men wat rusten moet, met scherpe punten uit. En wy stellen van die punten op verscheide letteren om te doen kennen dat de gene die voor gaat aan de voorgaande Letter-greep toe-behoort, en geenzins mag gevoegt worden by d’ uitspraak van de volgende, gelijk wanneer in het Francoysch wy twe punten stellen op Loüange, op Loüer, en in het Neder-duitsch op Geëert, op Geëdelt en diergelijke woorden.
2. Wanneer het woord dat wy stellen een van de Tale der Mannen is, zo teikenen wy het uit door eene M. en wanneer het is dat van de Vrouwen zo onderscheiden wy het met eene V.
3. Eindelijk gelijk de woorden van deze Tale moeijelijk zijn om zuiver gedrukt te worden, van de gene die de kennisse daar van niet door haar zelven hebben, zo worden de Lezeren gebeden aan den Drukker toe te eigenen de gebreken die misschien al-hier in eenige plaatzen zullen gevonden worden, gelijk het byna anders onmogelijk is.
N. B. Dit volgende is het geen de Heer Charles de Rochefort heeft aangetekent, waar by de hedendaagze Spraak der Karaïbanen ten naasten by is over-een-komende.
I. DE DELEN VAN HET MENSCHELIJK LIGHAAM.
Mijn lighaam, Nókobou.
Het vette, Tokellé.
Mijn huit, Nora. Dit beteikent in het algemeen alles wat tot overdekking diend.
Mijne beenderen, Nabo. Dit beteikent ook een tendo of eene Peese.
De Karaïbanen onderscheiden d’ aderen met de zenuwen niet; en zy drukken haar uit door het woord van Nillagra, het welke beteikent mijne zenuwen of mijne aderen: gelijk Lillagra zijne zenuwen of zijne aderen. Zy noemen nog aldus de wortelen van de bomen.
Mijn bloed. M. Nitta. V. Nimoinalou.
Mijn hair, mijne hairen, Nitibouri.
Mijn hooft, Nicheucke.
Mijne oogen, Nákou.
Mijn oog-appel, Nakou-euke. Dat is eigentlijk te zeggen, De kerne van mijn oog.
Mijn oogschedel Nakou-ora. Dat is te zeggen, het vel van mijn oog.
Mijne winkbraauwen, Nákoujou, eigentlijk het hair van het oog.
Mijn voorhooft, Nérebé.
Mijn aangezigt, Nichtbou.
Mijne neuze, Nichiri.
Mijne mond, Nióuma.
Mijne lippe, Nioumárou.
Mijn tant, Nári.
Mijn baaktant, Nackeuke.
Mijn tantvlees, Nâri-aregrik, eigentlijk, het gene tegen mijne tanden aanstaat.
Mijn oor, narikaë.
Mijne hooftslapen, nouboyoubou.
Mijne kaken, natigné.
Mijne tonge, ninigné.
Mijne kinne, nâriona.
Mijne mammen, nouri.
Mijn borst, nârokou.
Mijn schouder, nèché.
Mijn arm, narreuna, het beteikent ook een Vlerk.
Mijn elleboog, neugeumeuke.
Mijne handen, nóucabo.
Mijne vingeren, nôucabo-raün, gelijk of gy zeidet, de jonge of de kinderen van mijne hand.
Mijn duim, nóucabo-iteignum, eigentlijk dat tegen de vingeren gestelt is.
De pols, Lóucabo ánichi, dat is eigentlijk te zeggen de ziele van de hand.
Mijn nagel, nóubara.
Mijne mage, nánichirokou.
Mijn herte, M. niouánni V. nânichi. Dit woord beteikent ook, mijne ziele.
Mijne longe, Noara.
Mijne lever, Naubana.
Mijne ingewanden, Noulakaë, dit beteikent ook den buik.
Mijne nieren, nanagane.
Mijne zijde, nauba.
De milte, couëmata.
De blaze, Ichikoulou-akaë.
Mijne navel, nárioma.
De natuurlijke delen van den Man, M. Yaloukouli. V. Nehuera.
De natuurlijke delen van de Vrouwe, Touloukou.
Mijn agterste, nârioma-rokou.
Mijne billen, niatta.
Mijne dyên, nebouïk.
Mijne knyë, nagagirik.
Mijne knyë-schijve, nichaouá-chaouà.
Mijn been, nourna.
Mijn scheenbeen, nourna aboulougou.
Mijn gewrigt, napataragoune, dat is te zeggen, een by-gevoegt ding. Het gene zy ook toe-eigenen aan een stuk of lap dat men op een kleed zet.
Mijne enkelklaauwe, noumour-gouti.
Mijn voet, nougouti.
Mijn hiel, nougouti-raïm. Dat is eigentlijk te zeggen, de jongen van de voet.
De plante van mijnen voet, nougouti-rokou, eigentlijk, het binnenste van de voet.
Gelijk zy byna de namen der dingen, boven al die van de gedeelten des lighaams nimmer enkel en op haar zelven noemen; maar dat zy die verbinden aan eenen van de drie perzonen, zo hebben wy haar hier op den eersten perzoon gestelt. Die haar op d’ andere wil voegen, zal maar d’ eerste letter van yder woord te veranderen hebben.
II. BLOED-VRIENDSCHAP EN AAN-HUWLYKING.
Mijn bloed-vriend, M. Nioumoulikou. V. Nitoucke.
Mijn huwlijk, Yeuëlleteli.
Mijn man, niraiti.
Mijn Vader tot hem sprekende, M. en V. Bába.
Van hem sprekende M. Youmâan, V. Noukóuchili.
Mijn Groot-vader, M. Itâmoulou V. nárgouti.
Mijn vaderlijke Oom. Men noemt hem Vader, Bába. En om den waren en eigentlijken Vader te beteikenen, als men hem voor-wetens wil onderscheiden, zo maakt men zomtijds deze by-voeging Bába tinnaka.
De moederlijke Oom, M. Yáo, V. Akátobou.
Mijn Zoon, M. Imákou, Imoulou, Yamoinri, V. Niraheu.
Mijn Jongen-zoon, Hibáli, als ’er niet meer als een is: maar als ’er vele zijn, nibágnem.
Mijn eer-gebore broeder, M. Hanhin, V. Niboukayem.
Mijn jongstgebore, M. Ouánouë, en Ibiri; dat is eigentlijk te zeggen, mijn helft, V. Namouleëm.
Mijn schoon-broeder, en mijn moederlijke Neef, M. Ibamouï, V. Nikeliri.
De Neef niet aan de Nigte getrouwt, Yapataganum.
Mijn kinds-kind, of Zusters of Broeders kind, Yanantigané.
Mijn Swager, Hibáli moukou, dat is te zeggen, die kleine kinderen maakt.
Mijne vrouwe, M. Yenénery, de vrouwen zeggen, Liáni, zijne vrouwe.
Mijne moeder, tot haar sprekende, M. en V. Bîbi, dat is ook een uitroeping of verheffing van een zaak.
Van haar sprekende, M. Ichanum, V. Noukoûchoûrou.
Mijne Schoon-moeder van het twede bedde, noukóuchourouteni.
Mijne Schoon-moeder, waar van ik de dogter hebbe getrouwt, Imenouti.
Mijne Groot-moeder, M. Innouti, V. Nagette.
De moederlijke Moeije, hiet moeder, Bîbi.
De Vaderlijke, naheupouli.
Mijne dogter, M. Niananti, V. Niraheu.
Mijne Zuster, Nitou.
d’ Eerste geboorne, Bîbi-Ouânouân.
De Jongstgeboorne, Tamoulélouâ.
Swagerinne, schoon-dogter, en Nigte, Nibaché.
Mijne Nigte, M. Youëlléri, dat is te zeggen, mijne vrouwelijke of mijne beloofde; om dat zy aan hare Neven natuurlijk tot vrouwen behoren. De vrouwen zeggen Youëllou.
De kinderen van twe broeders, noemen haar Zusters en Broeders: de kinderen van twe Zusteren even zo.
III. STATEN EN HOEDANIGHEDEN.
Een man, of een mannelijke, M. Ouëkelli: in het meervoud, Ouëkliem, V. Eyéri: in het meervoud, Eyérium.
Eene Vrouwe, of eene vrouwelijke, M. Ouëlle: in het meervoud: Ouliem, V. Inärou: in het meervoud, Innöyum.
Een kind, niankeïli.
Een jongen, Mouléke.
Eene dogter, niankeïrou.
Een kleine jongen, Ouëkelliraeu, eigentlijk, een kleine mannelijke.
Eene kleine dogter, Ouëlli-raeu, eigentlijk, eene kleine vrouwelijke.
Een Oud man, Ouâiali.
Een Vader des Huisgezins, Tiouboutouli authe.
Een Weduwenaar en eene Weduwe, Moincha.
Een medegezel, banarê.
Een vriend, M. Ibaouânale, V. Nitignou.
Een vyand, M. Etóutou, V. Akani.
Een gemaakte vyand, Etóutou noubi. Aldus noemen zy alle hare vyanden die gekleed gaan.
Wilden, Maron. De Karaïbanen geven dezen naam niet als aan de dieren; en aan de wilde vrugten.
Inwoonder, bonon.
Eilander, of bewoonder van een Eiland, Oubao-bonon.
Bewoonder van het Vaste-land, baloüe-bonen.
Zee-man, balanaglé. Aldus noemen zy de Christenen, om dat zy van zo verre over zee in haar land komen.
Generaal van een Scheeps-leger, of Admiraal, Nhaléné.
Hooft-man van een Schip, Tiouboutouli canaoüa.
Groot Hooft-man, of een Generaal, Ouboutou; in het meervoud, Ouboutounum.
Plaats-houder, Tiouboutoumali, dat is eigentlijk te zeggen het spoor van den Hooftman of het gene na hem te voorschijn komt.
Soldaat, of Oorlogs-man, netoukouïti.
Schild-wagt, Verspieder, Arikouti, nábara.
Mijn oorlogs-gevange, niouïtouli, niouëmakali.
De gene die den last heeft om de gasten t’ ontfangen, niouâkaiti.
Mijn huur-knegt, zodanig als de Christenen hebben, nabouyou.
Slaafschen dienaar, Tamon.
Een Jager, Ekerouti.
Vet; Tibouléli.
Mager, Touléeli.
Groot, Mouchipééli.
Dik, grof, Ouboutonti.
Klein, nianti, Raeu.
Katijvig, Pikenine, in bastaart taal.
Hoog, Inöuti.
Laag, Onabouti.
Diep, Ouleliti, Anianliti.
Breed, Taboubéreti.
Lang, Mochinagouti.
Rond, Chiririti.
Vierkant, Patagouti.
Schoon, Bouïtouti.
Leelijk, nianti ichibou.
Zagt, nioulouti.
Hard, Téleti.
Droog, Ouárrou, Ouarrouti.
Vogtig, Kouchakouäli.
De hitte en de koude zijn op den IX. tijtel uitgedrukt.
Wit, Alouti.
Swart, Ouliti.
Geluw, Houëreti.
Rood, Ponáti.
Zy konnen niet noemen als die vier verwen, en zy brengen ’er alle d’ andere toe.
Dief, Youálouti.
Bloedschendige, Kakouyoukouátiti.
Overspeelder, Oulimateti.
Hoerreerder, Huéreti.
Twist-gierige, Oulibimekoali, Koauaiti.
Verrader, nirobouteiti.
Kwaad, Oulibati, Nianóuânti.
Goed, Iroponti.
Wijs, Kanichieoti.
Behendig, Manigat.
Dwaas, Leuleuti ao, of Talouali ao, dat is eigentlijk te zeggen, Die geen ligt heeft.
Dapper, Ballinumpti.
Schelm, Abaouáti.
Blijde, Aouërekoua liouani.
Droevig, Imoueti.
Dronken, nitimaïnti.
Rijk, Katakobaïti.
Arm, Matakobaïti.
Stêkende, Chouchouti.
Dood, neketali.
IV. DADEN EN TOGTEN.
Hy betrouwt zig in hem, Moingattetiloné.
Verwagt my, Jacobo, noubara.
Hoopt, wagt, Alliré.
Hoopt in hem, Eminichiraba.
Hope, Ementichira.
Mijne hope, nemenichiraeu.
Mijne vreze, ninonnoubouli.
Mijne vreugde, M. naouëregon, V. niouânni.
Mijne droefheid, nitikaboue.
Hy is geboren, Emeïgnouâli.
Weest welkom, Halea tibou.
Ik hebbe honger, Lamanatina.
Ik hebbe dorst, nacrabatina.
Geeft my t’ eten, of, geeft my brood, M. Yerebali üm boman, V. nouboute üm boman.
Geeft my te drinken, natoni boman.
Eet, gebiedender wijze, Baïka.
Eten, zonder eenig opzigt genomen, het gene weinig in gebruik is, Aika.
Ik ete, naikiëm.
Drinkt, Kourába.
Ik drinke, natiem, natakayem.
Ik ben verhit door drinken, nacharouátina.
Komt hier, Hac-yeté.
Gaat heên, Bayouboukaa.
Spreekt, Ariangaba.
Ik spreke, nanangayem.
Swijgt gy, Maniba.
Zit neder, niouróuba.
Gaat ter aarde leggen, Ráoignaba.
Staat op, Aganekaba.
Staat over-einde, Raramaba.
Ziet, Arikaba.
Hoort, Akambabë.
Riekt, Irimichaba.
Smaakt ’er af, Aochabaë.
Raakt het aan, Kourouâbaë.
Gaat, bayouhaka.
Ik gâ voort, nayoubákayem.
Wandelt, Babáchiaka.
Loopt, Hehemha.
Danst, Babenaka.
Ik dansse, nabinakayem.
Springt, Chaubákouâba.
Ik gâ springen, Choubakouániabou.
Lagt, Béérraka.
Ik lagge, of ik verheuge my, naouërékoyem.
Schreid, Ayakouâba.
Slaapt, Baronka.
Ontwaakt, Akakotouâba.
Waakt, Aromankaba.
Arbeid, M. Youâtégmali, V. Noumaniklé.
Ruste, nemervoni.
Gevegt, Tibouikenoumali.
Oorlog, M. Nainkoa, V. Nihuctoukouli.
Vrede, niüomboulouli.
Hy is verslage, niouëllemainti.
Hy is overwonnen, Enepáli.
Ademt, Aouraba banichi. Dit wil eigentlijk zeggen, verfrist uw herte.
Blaast, Phoubaë.
Spoegt, Chouëba.
Hoest, Hymba.
Snuid u, nïnraba.
Drekken, Houmoura.
Wast u, Chibâba.
Bevogtigt, Touba boubara.
Gaat baden, Akao bouka.
Ik swemme, napouloukayem.
Hy swemt wel, Kapouloukatiti.
Hy is verdronken geweest, Chalalaali.
Hy is versmoort geweest, niarakouâli.
Opent, Talaba.
Sluit, Tába.
Zoekt, Aloukaba.
Vind, Ibikouâbaë.
Vliegt, Hamamba.
Gy valt, Bátikeroyen.
Verliest het, Aboulekouâbaë.
Verkoopt het, Kebeciketabaë.
Koopt, Amouliakaba.
Hy handelt of doet Koopmanschap, Baouânemeti.
Gaat op de jagt, Ekrekabouka.
Mijne jagt, nékeren.
Hy schiet wel met den boog, Kachienratiti, boukatiti.
Hy schiet wel met het roer, Katouratiti.
Gaat vis-vangen, Tikabouka authe.
Ik vissche, natikayem.
Mijne visscherije, nâtiakani.
Hy is in de haven aangekomen, Abourrikaali.
Ik zing in de Kerke, nallalekayem.
Ik zing een lied, naromankayem.
Hy is verlieft op haar, hy troetelt haar, Ihoatoati tao.
Kust my, Chouba nionlougou.
Ik wil genoemt wezen, noemt my, Yetiklée yatek.
Hy mint hem, Kinchinti loné, Tibouïnati.
Hy haat hem, Yerekati loné.
Twist, Liouëlébouli.
Dronkenschap, Liuëtimali.
Slaat, geesselt, Baikoâba.
Geessel, Abaïchaglè.
Slaat hem, Apparabaë.
Krabbelt, Kiomba.
Dood hem, Chiouïbaë.
Hy vaart wel, Atouattieulì.
Hy is ziek, nanégaëti, nannéteitì.
Ziekte, Anek.
Hy heeft my onttovert, naraliatina.
Ik zal my wreken, nibanébouïbatina.
Wrake, nayouïbanabouli.
Hy heeft hem gebeten, Kerrélialo.
Hy is gekwetst, niboukabouâli.
Hy leeft nog, M. Noulonkeïli, V. Kakékeïli.
Het leven, Lakâkechoni.
Hy is dood, M. Aouééli, nikotamaináli, V. Hilaali.
De dood, Lalouëne.
Begraaft het, het gene niet alleen gezeid word van den Mensch, maar in ’t gemeen van alles wat men in der aarde ligt, van eene plante, Bonambaë.
Begraving, Tonamouli.
V. HUISHOUDING EN HANDEL.
Een Dorp, Authe.
Een openbaar huis, Karbet.
Een huis, M. Toubana, V. Touhonoke.
Een leuif, en een dekzel, of een windschut, Aïoupa.
Een tuin, Maina.
Mijn tuin, M. Imaïnali, V. Nicháli.
Manioc kuil, Tomonak.
Het dak, Toubana ora. Eigentlijk dekzel van het huis, of van de Hutte.
Muur, of schutheining, Koúrara.
Solder, zy hebben ’er geen.
Plank, Iboutou.
Deure, Bena.
Venster, Toullepen, eigentlijk een gat.
Bedde, M. Amak en Akat. V. Nékera.
Tafel, Matóutou.
Stoel, Halâheu.
Kooije, Tonoulou-banna.
Vat, Takaë, het gene over al op te passe word gebragt.
Vaatwerk van Kalabasse, Couï.
Helft van Coui, dat tot schuttel dient, Tauba. Dit woord beteikent eigentlijk, eene zijde.
Kroes om te drinken, Ritta.
Glas, flessche, boutella, uit het Spaansch.
Traly van hout, die andere Wilden Boucau noemen, Youla.
Yzere-pot, of ketel, Touraë.
Aarde pot, Taumali akaë, en Canary.
Kandelaar, of dat iets vast houd, Taketalé.
Keerze, lampe, of toorts-ligt, Touli, dat is van Sandaal ’t geen eene gomme heeft.
Keers-snuiter, Tachackoutaglé.
Visch-angel, Keouë.
Naalden, Akoucha.
Spelde, Alopholer.
Koffer, Arka.
Korf, Aláouâta, Catoli.
Teemze of Zeve, om den Manioc door te ziften, en den Ouïcou door te lekken, Hibichet.
Fijn meel van Manioc, Mouchache.