Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 9
Voortzetting van den Zwedenkrijg. Men spoede zich om Beowulfs lijk te verbranden met den drakeschat, zoodat er geen sieraad tot herinnering zal overblijven, want hachelijke tijden zijn ophanden.--Men begeeft zich naar het strand, waar Beowulf naast den draak en de kostbaarheden ligt uitgestrekt. Afwijking: de schat was betooverd.
XLII.
De afwijking wordt voortgezet. Wiglafs redevoering: Beowulf wilde niet den raad involgen om den draak ongemoeid te laten; ik heb de schatkamer bezichtigd; Beowulf heeft eenen lijkheuvel verzocht. Wiglaf beveelt de schatten uit het hol te dragen en het hout tot den brandstapel aan te voeren.--De schat wordt te zamen met het lijk des konings naar de walvischhoogte vervoerd, terwijl de draak in de zee wordt gestort.
XLIII.
Beschrijving van Beowulfs lijkverbranding: de brandstapel wordt opgericht en aangestoken. Jammerklachten van de jonkvrouw. De graf heuvel wordt opgeworpen en de rijkdom er in geborgen. De zonen der twaalf rijksgrooten rijden om het graf. Hun rouwzang. Beowulf was het toonbeeld van een koning.
I.
Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen, Der volksbeheerschers hebben wij vernomen, Hoe de eêlgeboornen heldendaân voldongen. De Scheving [25] Schyld ontnam aan 's vijands scharen, 5 Aan vele stammen vaak de medezetels [26]. De held had veel gehard, nadat hij hulploos Gevonden was geworden in den aanvang. Des trof hij troost. Hij wies beneên de wolken, Gedijde in waardigheên, totdat hem ieder 10 Der ommewoners langs de walvischwegen Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting Betalen moest. Dit was een machtig koning! Hem werd daarna een erfgenaam geboren, Jong in het koningshof, dien zond de Hemel 15 Het volk tot heul: Hij [27] zag 't vervolgingsonheil, Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens, De glansbeschikker, schonk hem [28] wereldglorie. [29] Bekend werd Beowulf [30]; verre sprong de konde 20 Van Schyldes spruit de Schedelanden [31] binnen. Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen Door groote giften jegens vaders vrienden, Opdat hem weer gewillig wapenmakkers In d'ouderdom [32], als kamp ontstaat, omstuwen, 25 De heirschaar vormen: door gevierde daden Zal zich een held bij elken stam verheffen. Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen, Ter lotbestemde stond in 's Heeren hoede [33]. Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders 30 Naar 't zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had, Terwijl 't bevel de vriend der Schyldings [34] voerde, De lieve landbestuurder lang een tijdruim {1}. Daar aan de reede stond de kronkelsteven, Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig. 35 Zij legden toen den lieven koning neder, Den schatbescheerder, op den schoot des vaartuigs, Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren Juweelen veel, gebracht langs verre wegen, En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde 40 Wel nooit van zulk een kiel, voorzien zoo kostlijk Met heertuig, krijgerkleên, met zwaard en harnas. Veel schatten lagen op den schoot [35]. Zij zouden Ver medezwalken in de macht der baren. Zij monsterden niet minder gul met gaven 45 Hem uit en schatgeschenken dan het deden Degenen, die hem in 't begin verzonden Alleen op 't zeegewoel, een wichtje zijnde. [36] Men stelde hem daarbij een gulden standaard [37] Hoog boven 't hoofd en liet de baar hem beuren 50 En gaf hem aan de golf. Hun geest was weevol, Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen zeggen, Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden Beneên de wolken [38], wie ontving de lading.
II.
Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf, 55 De lieve landsheer, lang, den volken roemrijk; {2} (De vader week van daar, de vorst van 't erfgoed [39]) Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen. Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde, Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings. 60 Hem kwam in rechte rij een viertal kinders Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher, Hrodgar en strijdbre Halga. 'k Heb vernomen, Dat Elan werd van Ongentheow [40] de weerhelft, De bedgenoote van den Wapen-Schilfing [41]. 65 Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar, De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen [42] Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam, De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen, Dat hij een hal bevelen moest te maken 70 Aan zijne mannen, eene medewoning, Een machtiger dan menschenzonen zagen; Om alles daar aan jong en oud te deelen, Als God hem had gegeven, uitgezonderd De legerschaar en 't leven zijner lieden [43]. 75 'k Vernam, hoe werk werd opgelegd in 't wijde Aan menig man langs de aard, de steê te sieren. Het viel in tijds hem mede, bij de menschen, Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste. Den naam van Heort bestemde haar de heerscher, 80 Wiens woorden kracht van wet in 't wijd bezaten. Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen En goed aan 't gastmaal. Stout verhief, met hoornen Voorzien [44] zich ruim de zaal--Haar was te wachten 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie. 85 Niet was de tijd reeds daar, dat wapenwoede Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader [45].-- Nu moest den heelen tijd in arren moede De weerbre geest, die woonde in duisternissen, Het dulden, dagelijks het luid gejubel 90 Te hooren in de hal. Daar klonk de harptoon, De zoete zang des dichters. Deze zeide, Die 't eerst ontstaan des menschen wist te melden Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte Deze aarde had gevormd met hare velden, 95 Glansstaltig, waaromheen zich windt het water; Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig Tot licht gesteld had voor de landbewoners, Getooid met twijg en blad der velden boezem. Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder 100 Der wezens, die bezield zich voortbewegen. Zoo leefden in genot de kampgenooten En overvloed, tot één begon, de vijand, Verderf te stichten in de stede [46]. Grendel Zoo was de gast, de grimme geest geheeten. 105 Grenslooper lang berucht, die in moerassen En venen was genesteld, zijne vrijburg. 't Wanzalig wezen had een lange wijle Het schuilvertrek van 't reuzenras betrokken, Nadat de Wereldheer hem had verwezen. 110 Der eeuwen Heer verhaalde op Kaïns afkomst, Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag. Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen, Maar in de verte joeg hem voort de Schepper, Om dezen moord, gebannen uit het menschdom. 115 Hier werden uit verwekt de wangedrochten, De reuzen, elven met de watermonsters, Giganten ook, die tegen God zich kantten Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens [47] [48].
III.
Hij [49] ging bezien, sinds nederzeeg de nachtstond, 120 De hooge huizing, hoe de Harnas-Denen Zich na de bierontvangst gevestigd hadden. Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen In slaap na 't feestgeslemp. Geen kommer kenden, Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig 125 Was ras gereed de daemon der verderfnis, Verwoed en wild, en roofde van het rustbed Der dappren dertigtal [50]. Dan weder wendde Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts En kwam met kampbuit [51] weer in zijne woning. 130 Toen bleek des ochtends bij het morgenblozen De worstelmacht van Grendel aan de mannen. Toen steeg na 't feestgelag 't gesteen naarboven, Het machtig morgenwee. De hooge heerscher, De eervolle vorst, was lusteloos gezeten, 135 Beleefde leed, de zorg om zijne strijders, Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand. Den doembren geest. De droefheid was te drukkend, Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel, Hij stichtte na dien eenen nacht alweder 140 moorden meer en schuwde leed noch lagen, Hij was maar al te zeer gezet op deze. Nu waren vele lieden licht te vinden, Die ergens elders ruimer rustbed zochten, Een bed in 't burgvertrek. Nu was bewezen 145 En wis en waar beduid door bare blijken De haat van 't halgedrocht, nu hield een ieder, Die 't monster was ontvlucht, zich ver en veilig. Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig Eén tegen allen, tot der huizen heerlijkst 150 Daar ledig stond. Dat duurde lang een tijdruim. De Denenvriend verduurde een twaalftal winters [52] De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen. Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren Op leede wijs door 't lied, dat Grendel Hrodgar 155 Aantastte langen tijd. Hij had berokkend Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete Wel menig halfjaar met gestage strijden. Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede Met een der dappren uit de bloem der Denen, 160 Te keeren 't levenszeer, met geld te zoenen [53] {3}, En geen der raden dorst glansrijker boete [54] Verhopen met de handen van den dooder {4}. De booze daemon kwelde, bond en doodde, De duistre doodsgeest, meerderen en mindren. [55] 165 Eeuwnachten had hij in de nevelmoeren Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen, Waarheen in 't rond de toovenaars zich richten. Zoo menig ramp berokte vaak de vijand Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver. 170 Hij huisde in Heort, de goudverlichte halle, Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten Het schenkgestoelt, uit hoofde van den Schepper, [56] Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen. [57] {5} Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer, 175 Een knak der ziel. Ten raadslag zaten dikwerf Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen, Wat voor de boudgestemden 't beste ware Te wagen tegen onverwachte inbreuk. Somtijds beloofden zij den godentempels [58] 180 Een afgodsofferand en riepen dringend Den wurggeest [59] aan, dat deze weer zou bieden In 't volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden, Hun heidendenkwijs. Naar de helle streefden Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester, 185 Der daden doemer, geenen God, den heerscher; Zij konden niet des hemels heul bekennen, Den God der glorie. Wee, die zal verzinken De ziel door wilde zucht in 's vuurs omvatting, Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren! 190 Wel hem, die na den dood den Heer mag naken, Een vrijburg vragen in des Vaders armen! [60]
IV.
Op deze wijze broeide hij voortdurend, De zoon van Healfdeen [61], zorgen voor het heden. Niet stond den wijzen held het wee te wenden: 195 De strijd toch was te sterk, te lang, te lijdig. Die nu was neergekomen op de kampers, De norsche nooddwang, 't neetligst nachtlijk onheil. Nu hoorde Hygelaces leenman [62], onder De Gooten [63] goed, te huis de gruwlen Grendels. 200 Hij was in weerbaarheid der menschen machtigst In gindschen leeftijd, eêl, doorluchtig. Treflijk Een waterros gebood hij uit te rusten; Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning, Den hoogen heerscher, langs het zog der zwanen 205 Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. Bij lang niet laakten wijze liên die reize [64], Hoe waard hij was; den wildgezinde zetten Zij aan en namen waar gewenschte teekens [65]. De koene had tot kampers uitgekoren 210 De Gootenmannen, die hij vond het moedigst; Eén van de vijftien, zocht hij op het zeehout; Een kampheld [66] wees, een waterkundig krijger, De landgrens langs. (De wachttijd was verstreken {6}.) De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte {7}. 215 De helden stegen uitgedost ten steven. De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand [67] {8}. Zij droegen op den schoot des schips de schoonste Juweelen neer, de weidsche kampgewaden En tot de lustvaart boomden nu de lieden, 220 De kampers hun gebonden kiel [68] naar buiten. Door winden aangewakkerd vloog, een vogel Gelijk, 't schuimhalzig schip langsheen de baren, Totdat den tweeden dag, ter eigen ure [69], De slankgedraaide boeg was voortgedrongen, 225 Dat land de varenslieden zagen blinken, Strandklippen, steile bergen, breede kapen. Doortogen was het tij, de tocht ten einde. Nu sprongen snel aan wal de Wederlieden [70], Zij meerden 't meerhout vast (de kolders klonken, 230 De krijgerkleên) en gaven dank der Godheid, Dat heilvol hun de vloedweg was geworden. Nu zag van zijnen wal de grensbewaker Der Schyldings, die de schuimklip had te hoeden, Hoe schitterende schilden, reede rustings 235 Daar langs de loopplank werden uitgeladen. Hem brak het brein door 't gissen nieuwsbegeerte Om toch te weten, wie die mannen waren. Toen stormde strandwaarts heen, het ros berijdend, De dienstman Hrodgars, 't krachthout duchtig drillend 240 In zijne vuist, en ondervroeg met woorden: «Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten, Die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven, Langsheen de waterwegen, die de helmen Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen? 245 'k Was grensbezetter, houd alhier de zeewacht [71], Opdat in 't land der Denen geen baldadig Vermag te schaden met een schepenleger. Hier onderwonden oopner schildbeschermden Zich nooit te naken. Wis vernaamt gij 't oorlof 250 Der strijdbewerkers niet, des stams vergunning. 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger Dan uwer één [72], dien ridder in de rusting. Voorwaar, geen huisman [73] is 't, gedost in wapens, Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. 255 Vernemen zal ik nu uw aller afkomst, Eerdat in 't Denenland gij verder vordert Van hier, als ongehinderde bezoekers. Nu hoort gij, vergehuisden, zeebezeilers, Mijn slechte, rechte meening: Haast is heilzaamst 260 Te kondigen, vanwaar uw komst mag wezen.»
V.
Hem schonk bescheid en opende de schatten Des woords de waardigste, het hoofd der horde: «Wij zijn de strijders van den stam der Gooten En Hygelacs genooten aan de haardstee. 265 Mijn vader was roemruchtig bij de volken En Ecgtheow was de hooge vorst geheeten. Hij leefde een lang getal van wintertijden, Eer, grijs, hij scheiden ging uit zijnen zetel. Hem heugt zich maar te wel zoo menig raadsheer 270 Op 't wijde wereldrond. Goedgunstig kwamen Wij uwen heerscher, Healfdeens zoon, bezoeken, Den rijksscherm. Wees ons met berichten gunstig! Den breedvermaarden vorst der Denen brengen Wij wichtig nieuws, waarvan, ik wil het hopen, 275 Niets zal verholen zijn. Gij weet of 't zoo is, Gelijk wij hoorden waarheidstrouw verhalen, Dat bij de Schyldings 'k weet niet welke schender, Verborgen booswicht, met het dichtste duister Schrikwekkend toont een nooit vernomen woede 280 En wee en slachting. Hrodgar kan ik wijzen Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede Den vijand vleuglen zal, zoo ooit de aanvechting Der kwalen neemt een keer, een uitkomst opdaagt, En koeler worden zijne kommergolven. 285 Zoo niet, dan lijdt hij later steeds benauwing En 't nijpen van den nood, zoolang 't gelukkigst Der huizen zich verheffen zal ter hoogte.» [74] De wachter wedervoer, in 't zaal gezeten, De dappre dienstman: «Ja, een scherpe schildman 290 Van beide weet bescheid, van woord en werken, Die deeglijk denkt. Dit hoor ik: aan den heerscher Der Schyldings is verknocht dees krijgerschare. Gaat, voert de wapens mede met gewaden. Ik wijs den weg en zal aan mijne maagschap 295 Bevelen tevens, 't vaartuig voor den vijand, Het nieuwgeteerde schip op 't zand te schutten [75], Totdat het kronkelhalzig hout den heerscher, Den waarden, wedervoert op 't vloedgewiegel Ter Gootengrens; aan wien het zij gegeven 300 Te midden zijner helden, dat hij heilvol Het kampgetuimel mag te boven komen.» Nu gingen zij huns weegs. En rustig wachtte De bodem met de touwen vastgebonden, Aan 't anker vast het breedgeboezemd vaartuig. 305 Nu blonken boven 't wangstuk [76] de everbeelden, Met goud bekleed, ontgloeid, gehard in vlammen. Nu hield het everzwijn omhoog de schildwacht. Kampmoedig stoven, snoven heen de mannen [77] En daalden samen af, totdat zij zagen 310 De trots gebouwde zaal in bonten goudglans. Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld Bij 't menschdom, waar de machtige [78] verwijlde. De vuurglans lichtte over vele landen. Hun toonde toen het pralend hof der helden 315 De wapenwakkre man, opdat zij derwaarts Nu rechtstreeks konden gaan. De kamper zwenkte Zijn ros en richtte schuins hun toe de toespraak: «Voor mij is 't trekkens tijd. De Alheerscher hoede In 't avontuur u ongerept en roemvol! 320 Ik wil naar zee, op roovend rot te waken.»
VI.
De baan was bont bevloerd; de straatweg voerde De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde, Het harde, handgevlochten. 't Staal, het heldre, Het ringversierde, zong op hunne rusting, 325 Juist als ze in 't schrikgewaad ten zaalbouw schreden. De zeevermoeiden zetten 't schild het machtig, Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts. De rusting rinkelde, der helden harnas. 330 De lansen stonden saam, der zeeliên strijdtuig, Hun esscheschacht, blauwschemerig van boven [79]. Hoe wel was de ijzerdrom gedost in 't wapen! De krijgstrawanten vroeg een wakker kamper [80] Naar de edele afkomst: «Waar van daan toch draagt ge 335 De schitterende schilden, 't stalen strijdhemd, De maskerhelmen met de macht van speren? Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman; Niet heb ik ooit gezien een zulke menigt [81] Van buitenlandsche meer vermeetle mannen. 340 Ik gis, dat gij, wel verre van voortvluchtig, Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.» De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde, Der Weders wedervoer daarop met woorden: «Wij zijn van Hygelac de dischgezellen 345 En Beowulf luidt mijn naam. 'k Verlang mijn boodschap Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher En uwen vorst, indien hij wil gedoogen, Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.» En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning; 350 Aan velen was zijn roekeloosheid ruchtbaar, Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding): «Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal 'k vragen, Den gever van het goud, den hoogen heerscher, Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten 355 En onverwijld u 't antwoord laten weten, Dat mij de goedertieren denkt te geven.» Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde, Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren; De sterke schreed, totdat hij bij de schouders [82] 360 Des Denenkonings zich bevond. Hij kende De handelwijs van 't hof. Dan zeide Wulfgar Tot zijnen vriend en heerscher: «Herwaarts voeren Er verbereisde gasten van de Gooten, Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten 365 Den eersten onder allen de oorlogshelden. Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede, Met u den woordenschat te mogen wisselen, o, Weiger 't wederwoord hun niet, genadige! Zij schijnen waardig in de stormgewaden 370 Der helden achting. Zeker deugt de hoofdman, Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.»
VII.