Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 8

Chapter 83,704 wordsPublic domain

Niet minder kenteekenend voor de noordsche slagbeschrijvingen is het optreden van raaf, arend en wolf.

Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste wezens, die zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander op het slagveld hunne indrukken mededeelen.

Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het Finnsburgfragment!

Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. (36-37)

En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste beeld en het Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het nachtelijke slagveld:

Geenszins zal het harpgefluister De dappren wekken; maar de donkre rave Zal, vlammend over dooden, veel verhalen, Den arend melden, hoe het maal haar meeviel, Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (3131-35)

Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best geslaagde tooneelen van ons epos te rekenen, toch valt het niet te verhelen, dat deze lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben.

Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens het verhaal af te breken door het invlechten van overwegingen, welke niet alleen den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar ook wegens hun gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist worden.

Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel.

Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig licht schemert in zijne oogen, moordlust en vreugde.

Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te weten, wat er gaat gebeuren.

Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze belangstelling met eene bemerking, ontnuchterend als een koud bad:

Nochtans gehengde hem het lot niet langer, Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen. (750-51)

Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als Beowulf Grendel heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad tracht te kiezen:

Niet boden zich alhier de bezigheden, Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. (772-73)

en wat verder:

De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot De weebewerker. (783)

Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu Grendel zich met de kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt in te storten onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt alweer de domper op onze blakende geestdrift gezet:

Hierop hadden De raden eer der Schyldings niet gerekend, Dat ooit der mannen een door krachtvermogen De weidsche, met gewei getooide woning Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten; Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen In rook. (795-801)

Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws opgedischt bij het vruchteloos bijspringen van Beowulfs tochtgenooten:

Toch zou armzalig wezen Het einde zijns bestaans op deze stonde, In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. (820-22)

Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins uitgebreide beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den dichter door.

Kamp met Grendels moeder: 1554-57, 1564-66, 1567, 1581-87, 1608-16.

Kamp met den draak: 2650-52, 2656-58, 2661-69 enz. enz.

Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad door het heele gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den dichter om zich ook eens te laten gelden, in plaats van zich uitsluitend bij zijn onderwerp te houden.

Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt zijne verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en kon slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen, zijne dichtjeukte tot bedaren brengen.

Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der tegenstellingen, waardoor de personen des te scherper te voorschijn treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man (Hrodgar en Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen raadgever; op den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker (Beowulf en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland (Beowulf en Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht (Wiglaf en zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende echtgenoote Hygd en de wildfiere Thrydo.

INNERLIJKE GESCHIEDENIS.

Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op geene kunsteenheid kan bogen.

Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in behandeld, de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze wordt geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den honderdjarigen koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen had en zich in de volheid zijner krachten mocht verheugen.

Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de oorspronkelijke kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te zonderen.

Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is Ettmüller.

Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de Christelijke toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te herkennen zijn.

Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of bijverhalen af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca, Sigmund-Heremod, Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter, de oorlogen met Franken en Zweden, en Ongentheows dood.

Müllenhoff werkte op deze gegevens voort.

Hij drong dieper door in de schifting van de interpolaties en bouwde op dezen grondslag een heel stelsel omtrent de oorspronkelijke en later toegevoegde onderdeden van het epos.

Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen:

1º Inleiding 1-193.

2º Beowulfs gevecht met Grendel 194-836.

3º Gevecht met Grendels moeder 837-1628.

4º Beowulfs terugkeer 1629-2199.

5º Kamp met den draak en Beowulfs dood 2200-3183.

Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de twee oorspronkelijke bestanddeelen, welke nochtans niet het werk zijn van denzelfden dichter.

Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee verschillende voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht met Grendels moeder, daarna de Inleiding.

Een derde voortzetter A voegde Beowulfs terugkeer er aan toe en vulde, om zijn aanhangsel met het geheel in overeenstemming te brengen, het eerste en vooral het tweede oude lied op verscheiden plaatsen aan.

Een vierde voortzetter B, of in de rij der Beowulfdichters no 6, verbond eindelijk den drakekamp met het door A tot 2199 voortgezette werk en verwaterde het gansche epos door allerlei lapwerk van zedekundigen en godgeleerden aard.

Deze B is de eigenlijke interpolator.

Men mag er Müllenhoff een verwijt van maken, dat hij in het brandmerken van de, volgens hem, van elders aangewaaide plaatsen al te voortvarend is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na aftrek van de onechte verzen, het epos bijna tot op de helft besnoeit.

Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels slechts genade:

1º 126 regels; 2º 490; 3º 333; 4º 399; 5º 440; te zamen 1788 echte verzen op de 3183.

Hermann Möller tracht de oorspronkelijke bestanddeelen in vierregelige strophen te rangschikken.

Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink en Heinzel toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen in den verhaaltrant niet te miskennen is.

Eene laatste poging is die van ten Brink.

Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog, waarmede wel een twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de bijzonderheden napluizen.

Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij uitgaat, duidelijk te maken.

Het gebrek van Müllenhoff's theorie is, dat zij aan den inlasscher eene overwegende rol toekent.

Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos uit het oog verloren, waarvan de afwijkingen niet uitsluitend het werk zijn van den interpolator, zooals dit het geval is bij de kunstpoëzie.

Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest bij het opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de diaskeuast of rangschikker, en de interpolator.

Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep natuurlijkerwijze verschillende varianten in het leven, welke mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking, die hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens de andere bij gelegenheid te benuttigen!

Hij zelf voegde niets van het zijne toe.

Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot stand gekomen tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen binnensmokkelde.

Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende wijze de grenzen tusschen de vijf van Müllenhoff overgenomen deelen:

1º Inleiding 1-193.

2º Kamp met Grendel 194-836.

3º Kamp met Grendels moeder 837-1904 of 1913.

4º Beowulfs terugkeer 1905 of 1914-2199.

5º Kamp met den draak 2200-3183.

De grenzen tusschen 3e en 4e bakent hij anders af dan Müllenhoff.

Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet de helft van het gedicht als onecht over boord wordt geworpen.

Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die de rangschikker in elk der vijf deelen benuttigd heeft?

1º De Inleiding is naar twee lezingen samengesteld: A, welke tot richtsnoer is genomen, en B, welke slechts ter loops is aangewend.

2º Als onder 1º, de grondvorm A en de bijvorm B.

3º Grondvorm C, bijvorm D.

4º Eéne lezing E; dit is het jongste deel.

5º Grondvorm F, bijvorm G.

B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke zij aan de Deensche toestanden wijden.

Ten Brink plaatst de 1ste Beowulf bewerking (A C F) in 't jaar 690; de 2de (B D E G) tegen 710; terwijl van de volledige afwerking, waardoor A C F door B D E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen, dat zij vermoedelijk nog de 8ste eeuw toebehoort.

INHOUD.

I.

Inleiding. Geslachtslijst der Deensche koningen: Scyld, zoon van Sceaf, landt als kind over zee aan; hij breidt later zijne macht uit. Hem wordt een zoon, Beowulf de Deen, geboren. Scyld sterft en zijn lijk wordt te midden van wapenen en schatten op een schip gelegd en aan de zee prijsgegeven.

II.

Vervolg der geslachtslijst: Beowulf, zoon van Scyld.--Healfdeen.-- Heorogar, Hrodgar, Halga en Elan.--Na Heorogars dood beklimt Hrodgar den troon.

Begin van 't verhaal: Hrodgar laat Heorot bouwen. Gezellige vreugde aldaar, scheppingslied. Grendels wrevel. Oorsprong der monsters.

III.

Grendel verslindt 's nachts dertig Denen in Heorot. Opschudding des morgens. Den volgenden nacht herhaling. Heorot blijft ledig. Grendel woedt twaalf jaren lang. Zijn onverzoenbare wrok. De Denen nemen te vergeefs hunne toevlucht tot de goden. Het waren heidenen. Zedeles.

IV.

Hrodgars radeloosheid. Beowulf, de Goot, verneemt in Jutland het gebeurde. Zijn voornemen om Grendel te bevechten gaat door. Hij scheept zich in met veertien makkers. Overtocht. Aankomst in Seeland na 24 uren reizens. Ontscheping. De Deensche kustwachter ondervraagt hem.

V.

Beowulf legt zijne afkomst en het doel zijner reis bloot. Gunstig antwoord van den kustwachter. Hij doet hun een eind weegs uitgeleide en neemt dan afscheid, om op zijnen post terug te keeren.

VI.

De Gooten bereiken Heorot en zetten zich buiten neer. Wulfgar vraagt wie ze zijn. Beowulfs antwoord. Wulfgar belast zich met hen aan te dienen. Hij gaat naar binnen en maakt hun verlangen aan Hrodgar bekend.

VII.

Hrodgars antwoord aan Wulfgar: Ik heb Beowulf als knaap gekend; zeelieden vertelden, dat hij de kracht van dertig man bezit; ik hoop dat hij ons komt helpen; verzoek hem binnen te komen.--Wulfgar kwijt zich van zijne opdracht. De lansen en schilden worden aan de hoede van eenige krijgers toevertrouwd. Zij treden binnen. Beowulfs aanspraak: Hij doet zich kennen; hij heeft Grendels wanbedrijven vernomen en komt, op aanraden zijner vrienden, om hem te bekampen; zijne vroegere wapenfeiten stellen hem omtrent den uitslag gerust; hij verzoekt om alleen met zijne makkers het waagstuk te ondernemen; wapenen zal hij niet gebruiken; delft hij het onderspit, zoo wordt hij verslonden en hoeft men niet te zorgen voor brandstapel en begrafenis; Hrodgar moet alsdan zijne wapenrusting naar Hygelac zenden.

VIII.

Hrodgars antwoord: Hij laat recht wedervaren aan Beowulfs grootmoedigheid en herinnert hem, hoe hij zelf in 't begin zijner regeering Beowulfs vader eenen dienst heeft bewezen bij gelegenheid van dezes veete met de Wylfingen; hij komt terug op zijnen twaalfjarigen rampspoed: Grendel heeft zijne beste krijgers gedood.--Gastmaal.

IX.

Hunferds ijverzuchtige toespraak: Gij, Beowulf, werdt door Brecca in den zwemwedstrijd overwonnen; bijgevolg zult ge insgelijks in deze onderneming niet slagen.--Beowulf antwoordt: Deze wedstrijd dagteekent uit onze jeugd; wij zwommen gedurende vijf dagen, zonder dat ik Brecca wilde verlaten, tot de storm ons des nachts scheidde.

X.

Ik doodde verscheiden zeemonsters en bereikte eindelijk Finmarken. Brecca heeft nooit iets dergelijks uitgevoerd. Doch gij hebt uwen broeder gedood. Waart gij zoo dapper, als gij voorgeeft, Grendel zou nooit dit onheil gesticht hebben; maar ik zal er met mijne Gooten een einde aan stellen.--De koningin reikt eenen beker aan de helden rond. Beowulfs fiere taal: hij zal overwinnen of sterven. Voortzetting van het drinkgelag. De avond valt en Hrodgar gaat slapen, na Heorot aan Beowulfs hoede toevertrouwd te hebben.

XI.

Beowulf legt zijne wapenrusting af. Hij herhaalt, dat hij van het gebruik der wapens afziet, en vlijt zich neder naast zijne makkers.

Allen slapen weldra in, uitgenomen hij.

XII.

Grendel nadert de zaal, stoot de deur open en verslindt een der Gooten, Hondscio. Daarna grijpt hij Beowulf vast, doch ontmoet eenen onverwachten tegenstand. Beschrijving van de worsteling. De reus tracht vruchteloos te ontvluchten. De zaal lijdt last. Schrik der Denen. Grendels gejammer.

XIII.

Voortzetting der beschrijving: De makkers springen bij, doch hunne zwaarden hebben geen vat op Grendel. Hij vlucht, doch laat arm en schouder in Beowulfs handen achter. Overweging des dichters. Beowulf plaatst den arm als zegeteeken voor den ingang.

XIV.

Den volgenden morgen gaat men van heinde en verre Grendels bloedspoor zien, dat naar het nikkermeer voert. Op den terugweg wordt Beowulf in verzen geprezen, er wordt geharddraafd en daarna verhaalt men de sage van Sigmund en Heremod. De morgen is reeds gevorderd, als zij in Heorot terugkomen. Hrodgar verlaat met zijne echtgenoote het slaapvertrek en begeeft zich naar de troonzaal, om het tooneel der worsteling in oogenschouw te nemen.

XV.

Hrodgars toespraak: Eerst dankt hij God, daarna zijnen redder; hij zal hem als een zoon beschouwen en rijk beloonen.--Beowulf geeft verslag van de worsteling. Hunferds beschaming. De ridders bewonderen den reusachtigen klauw van Grendel.

XVI.

Heorot wordt gesmukt. Het gebouw was erg gehavend. Hrodgar begeeft er zich heen tot het feestmaal. Hij geeft aan Beowulf geschenken: standaard, helm, harnas, paarden.

XVII.

Vervolg van 't feestmaal: De andere helden worden ook niet vergeten door den milden vorst; voor Hondscio wordt weergeld betaald. Finn-episode.

XVIII.

Voortzetting van de Finn-episode.--Het drinkgelag duurt voort. Wealchtheow, de koningin, zet haren gemaal aan tot vrijgevigheid. Zij hoopt dat Hrodulf, Hrodgars mederegent, zich na dezes dood dankbaar zal toonen en hare zonen vriendschappelijk bejegenen.

XIX.

Vervolg van 't feestmaal: Beowulf wordt uitgenoodigd om te drinken; nieuwe geschenken, hem door de vorstin overhandigd: ringen, armtooisels, rusting, prachtig halsjuweel. Sage van Hama en den Brosinghalsband.--Latere lotgevallen van het aan den held geschonken halsjuweel: het geraakte door het sneven van Hygelac in het bezit der Franken.--De koningin houdt eene toespraak bij het aanbieden der geschenken en hoopt, dat Beowulf goed zal wezen voor hare zonen. Hrodgar gaat slapen, terwijl vele Denen Heorot tot nachtverblijf kiezen.

XX.

Grendels moeder begeeft zich naar Heorot om haren zoon te wreken. De Denen stellen zich te weer. Zij vlucht, doch ontvoert een ridder, Aschere, alsmede den arm van haren zoon.

Vóór dag en dauw laat Hrodgar Beowulf ontbieden.

XXI.

Hrodgars klacht over het verlies van zijnen besten raadsheer; hij beschrijft het Grendelmeer en hoopt, dat Beowulf er zich zal inbegeven.

XXII.

Beowulf belooft het. Beiden begeven zich met hun gevolg op weg. Aan den oever vinden zij het hoofd van Aschere. Een watermonster wordt gedood en op het droge getrokken. Beowulf rust zich uit. Hunferd leent hem het voortreffelijke zwaard Hrunting.

XXIII.

Beowulf richt het verzoek tot Hrodgar om zijne makkers tot vader te verstrekken, zoo hij niet meer terugkomt, en zijne ontvangen geschenken aan Hygelac te zenden. Hij bedankt Hunferd voor het leenen van zijn zwaard en springt in het meer. Grendels moeder sleurt hem mede naar hare onderzeesche woning. Hrunting wil niet vatten. Worsteling. De held wordt omvergeworpen en is op het punt van gedood te worden.

XXIV.

Door eene bijzondere bestiering Gods valt zijn oog op een oud reuzenzwaard aan den wand. Hiermede doodt hij den vijand en houwt hij tevens het hoofd af van Grendels lijk. Het water wordt bloedig. De krijgers meenen dat Beowulf gedood is. Hrodgar vertrekt met de zijnen. De Gooten blijven wachten. Het reuzenzwaard smelt tot op het gevest, ten gevolge van het bloed des monsters. Beowulf komt te voorschijn met het gevest en Grendels hoofd. Terugkeer naar Heorot. Het zegeteeken wordt door vier mannen gedragen.

XXV.

Beowulf verhaalt zijn wedervaren in de diepte en schenkt het zwaardgevest aan den koning. Hrodgars dankrede: hij vergelijkt Beowulfs gedrag en dat van Heremod; het gevaar der grootheid, zij ontaardt dikwijls tot overmoed

XXVI.

en tot schraapzucht. Hij wijst op zichzelf: 50 jaar regeerde hij voorspoedig, daarna overviel hem rampspoed; hij bedankt God voor de redding.--Maaltijd. Met het invallen van den nacht begeeft men zich ter ruste. Beowulf wordt naar zijn slaapvertrek geleid. Als de morgen aanbreekt, staat Beowulf reisvaardig, hij geeft Hrunting terug aan Hunferd en begeeft zich naar Heorot, om afscheid te nemen van Hrodgar.

XXVII.

Beowulfs toespraak: hij verlangt naar huis, doch zal altijd tot Hrodgars en Hrederics dienst gereed zijn. Hrodgars antwoord: hij hoopt dat Beowulf later na Hygelacs dood tot koning gekozen zal worden; dank aan hem is eene hechte vriendschap tusschen de twee volken gesloten.--Hij schenkt hem twaalf kostbaarheden en neemt slechts noode van hem afscheid. Beowulf begeeft zich scheepwaarts.

XXVIII.

De kustwachter ontvangt hem vriendschappelijk. Inscheping. Overtocht naar Jutland. De strandwachter. Ontscheping. Zij begeven zich naar Hygelacs woning. Tegenstelling tusschen het karakter van Hygd en dat van Thrydo.

XXIX.

Onthaal bij Hygelac. Hij ondervraagt Beowulf. Deze geeft verslag over de gebeurtenissen en lascht er de Headobarden-episode in.

XXX.

Slot der Headobarden-episode. Daarna neemt Beowulf den draad van zijn verhaal weder op; Grendel, handschoen, feestmaal, Aschere, Grendels moeder.

XXXI.

Vervolg van Beowulfs verslag: Geschenken.--Beowulf staat zijne geschenken aan Hygelac en Hygd af. De dichter spreekt van Beowulfs onmannelijke jeugd. Hygelac beloont Beowulf met Hredels zwaard, landerijen en burcht.--Beowulf beklimt den troon na den dood van Heardred, Hygelacs zoon, en heerscht vijftig jaar op voorspoedige, wijze, totdat zekere slaaf eenen beker ontvoert uit het hol van eenen draak, die in eenen grafheuvel eenen onmetelijken schat bewaart.

XXXII.

De slaaf had eene schuilplaats gezocht en zoo toevalligerwijze den schat ontdekt. Geschiedenis van den schat: hij was daar neergelegd door den laatsten afstammeling van een oud geslacht; klacht van den eenzamen grijsaard; na zijnen dood maakt de draak zich van de have meester.--De draak ontdekt den diefstal; hij is strijdlustig en vliegt met de avondschemering uit, om wraak te nemen.

XXXIII.

Hij verbrandt Beowulfs woning en keert met den morgen terug in zijn hol. Droefheid van den koning bij het vernemen van de verwoestingen. Hij laat een stalen schild vervaardigen. Afwijking van den dichter: Beowulfs vroegere wapenfeiten, Grendelkamp, oorlog met de Franken, waarin de held met de schilden van dertig gesneuvelde vijanden te water springt; hij weigert den troon, welken Hygd hem aanbiedt, en beklimt dien slechts later na den dood van Heardred, die Zweedsche vluchtelingen had opgenomen en daarom door Onela, den vorst der Zweden, verslagen werd.

XXXIV.

Voortzetting der afwijking: Beowulf Wreekt later den dood van zijnen voorganger en verbindt zich met Eadgils, een der vluchtelingen, die Onela van het leven berooft.--Beowulf begeeft zich met elf tochtgenooten naar het drakenhol op aanwijzing van den slaaf. Voorgevoel van zijnen dood. Beowulfs rede: hij heeft zijne jeugd aan het hof van Hredel doorgebracht; Hredel-episode.

XXXV.

Vervolg van de Hredel-episode; na Hredels dood breekt de oorlog uit met de Zweden, waarin Hadcyn en Ongentheow sneuvelen; hij heeft Hygelac altoos trouw ter zijde gestaan en Daghrefn gewurgd in den strijd met de Franken; nu zal hij zijnen laatsten kamp wagen.--Beowulf groet ieder zijner makkers en neemt weer het woord op: hij draagt eene wapenrusting, om tegen het vuur beschut te zijn; zijne mannen zullen in de nabijheid wachten, hij zal alleen den draak dooden of sterven.--Beschrijving van den drakekamp: Beowulf begeeft zich naar den ingang van het hol; beschrijving ervan; hij roept, en de draak komt te voorschijn; Beowulfs zwaard dringt niet door, hij moet zich wegens de hitte terugtrekken. Zelfde vruchtelooze uitslag bij eene tweede poging. De helpers nemen de vlucht, uitgenomen Wiglaf.

XXXVI.

Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen: hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit, dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf.

XXXVII.

Wiglaf wondt nu den draak op doodelijke wijze, doch verbrandt tevens zijne hand. Beowulf komt tot zichzelven en hakt met zijn slagmes den draak middendoor. Hij is vergiftigd en zijgt neder. Wiglaf besprenkelt hem met water en ontgespt zijnen helm. Beowulf komt bij en zegt, dat hij met volle gerustheid sterft, want hij heeft gedurende vijftig jaren rechtvaardig geregeerd; hij verzoekt Wiglaf in het hol te gaan, om hem de schatten voor de eerste en laatste maal te toonen.

XXXVIII.

Wiglaf begeeft zich onder de rots. Beschrijving van de schatten. Met kostbaarheden beladen keert hij terug en vindt Beowulf in bewusteloozen toestand. Ten tweeden male besprenkelt hij hem met water en met goed gevolg. Beowulfs laatste woorden: hij bedankt God voor die schatten, welke zijne mannen zullen te stade komen, beveelt, dat men hem eenen hoogen grafheuvel zal oprichten aan den oever der zee en schenkt aan Wiglaf, den laatste van zijnen stam, halssieraad, helm, ring en harnas. Daarna geeft hij den geest.

XXXIX.

Overweging van den dichter. De tien vluchtelingen komen terug. Wiglafs strafrede: Beowulf heeft zijne geschenken aan onwaardigen gegeven; toch heeft hij de zege behaald; ik heb hem naar vermogen geholpen; gij zult voorbeeldig gestraft worden.--

XL.

Een bode bericht het nieuws aan het hof: Beowulf en de draak zijn gedood; Wiglaf houdt er de wacht; nu staat de oorlog te wachten met de Franken, die hun vijandig zijn sedert Hygelacs inval. Ook zullen de Zweden hen aantasten; tot staving hiervan verhaalt hij de episode van den Zwedenkrijg.

XLI.