Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 7

Chapter 73,610 wordsPublic domain

Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren (onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen, daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de hoogte had bereikt van de Grieksche volkspoëzie.

Treden wij in eenige bijzonderheden.

De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en ongeletterden.

Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het «ondeugend» mes gestraft worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen.

Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en dier bestond.

Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld.

Het «verricht zijn ambt», evenals een tafelknecht; het «beslist een pleit», het «zingt een kamplied op iemands schedel», het «bijt» en «groet» den vijand, het «rukt den gedoode mede», het vermaakt zich in het gevecht als bij een «spel», en de wonde, die het slaat, is de «zwaarddronk».

Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies «vervolgt in hare vederuitrusting» den pijl, evenals een havik de weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt, «antwoordt aan de schacht».

Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting, dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling [24].

De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien bijna nooit over meer dan twee termen uit.

Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei, welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het rustbed sluimert.

Deze laatste plaats (Vert. 1020-22) is nochtans onzeker.

Het gedicht biedt slechts één voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776-81).

De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter, het geweten, is ingesluimerd.

Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe te schrijven.

Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen, geenen aanstoot geven.

Ziehier eenige staaltjes:

seo beado-leóma bîtan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524.

hine sorh-wylmas lemede tô lange: de zorggolven hadden hem te lang verlamd. v. 905.

him hilde-grâp heortan wylmas, bân-hûs gebräc: de kampgreep verbrak hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508-9.

De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men oordeele:

«Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel».

«Ieder van de nagels was op staal gelijkend».

«Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam».

«Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen schijnt».

«Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader den band van de vorst losmaakt».

De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied:

«Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in lichterlaaie stond».

Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte beelden van de kunstgezinde Grieken!

De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende bijvoeglijke woorden.

Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe.

Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet.

Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Pontoporos, het zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ydhlida: zeedoorschrijder, golvenganger.

Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige voor schip en wapen opsomt.

De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.

Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman (dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas.

Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip.

Het zwaard is blôd fâg: bloedgepurperd, swât-fâg: zweetgepurperd, fyr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael: ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten), wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael: met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fâh: glanzend door slangversieringen.

Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder te doen:

fâmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sîd-fädhme: ruimboezemig, nîw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-geáp: zeeruim (ruim genoeg om zee te bouwen).

De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens betiteld met wlite-beorht: glansstaltig.

Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen, welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:

Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en, om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leóht and lîf: licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and rand: hand en schild, leóf and lâdh: lief en leed, îdel and unnyt: ijdel en onnut, frôd and gôd: vroed en goed, habban and healdan: hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and ûtan: binnen en buiten.

Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere wendingen om een persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen als van Homeros afgekeken te zijn. Voorbeelden:

Unferdh madhelode Ecglâfes bearn: Unferd sprak de zoon van Ecglaf. Hrôdhgâr madhelode, helm Scyldinga: Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings. Beówulf madhelode, bearn Ecgtheówes: Beowulf sprak, de zoon van Ecgtheów.

Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in het overwegend belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap hechten.

Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den epischen stijl, nl. de woordschikking.

Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog springende kenmerken.

De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens beginnelings, iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan aanzien worden.

De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne voorliefde voor de bijschikking aan den dag, terwijl het voegwoord niet zelden is weggelaten:

Een van de vijftien zocht hij op het zeehout. Een kampheld wees, een waterkundig krijger, De landgrens langs. De wachttijd was verstreken. De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte. De helden stegen uitgedost ten steven. De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand. Zij droegen op den schoot des schips de schoonste Juweelen neer, de weidsche kampgewaden; (En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden, De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (211-20).

Er heerscht gebrek aan voegwoorden, vooral bij de overgangen, welke gewoonlijk door thâ (dat buitendien voor verschillende betrekkingen dienst moet doen) worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel bijzetten.

Treden verschillende helden op, dan blijven wij dikwijls in het onzekere omtrent den persoon, op welken b. v. het voornaamwoord hij terugziet.

De ingelaschte zin of parenthese verschijnt meer dan lief is en draagt voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van het verhaal.

Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet, ook zulke, welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen (litotes).

«Bij lang niet laakten wijze liên die reize». (206).

«Niet beter zal 't hem wezen». (2339)

«Niet dunkt me dit betaamlijk, De schilden weer te brengen naar de woning». (2734)

«Minder hevig beet het (zwaard) Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher». (2656)

Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische woordschikking, dat er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik der parallelvormen of bijstellingen.

De dichter duidt met één, soms met meer woorden denzelfden persoon, dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog eens aan, en wel door middel van eene zinverwante uitdrukking.

In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de zeereis vinden wij de volgende parallelvormen:

Personen en zaken: kampheld, waterkundig krijger--boot, schip--strooming, zee--juweelen, weidsche kampgewaden--lieden, kampers.

Hoedanigheden:

Haar was te wachten 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie (83).

Handelingen:

(Gij) die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven, Langsheen de waterwegen, die de helmen Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen (242-44).

Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende woorden slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de dichter weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil verwekken, maar--dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm gerugsteund, hier vooral optreden,--aan den stijl eene eigenaardige kleur en bekoorlijkheid verleenen.

Na de taal en de woordschikking besproken te hebben, ligt het op onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de bearbeiding van de stof, van zijne taak heeft gekweten.

Hiertoe onderscheiden wij verhaal, redevoering en beschrijving, de drie hoofdvormen, welke bij elk letterkundig werk, en vooral bij het epos, in aanmerking komen. De verhaaltrant heeft iets onbeholpens, hij is onsamenhangend en duister.

Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van het ontstaan uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe het hunne bij.

1º De herhalingen, niet alleen van korte plaatsen, maar ook van betrekkelijk groote gedeelten.

In de nota's aan den voet der vertaling wordt hierop gewezen, b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien; de strijd met Grendel; het gevecht op den bodem van het meer.

Deze twee wapenfeiten worden, na in 't breede beschreven te zijn, nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna aan Hygelac.

2º De onderbrekingen van 't verhaal, hetzij door christelijke, vaak onnoozele overwegingen; hetzij door herinneringen aan oorlogen en oude sagen; hetzij door toespelingen op de te volgen ontknooping.

3º Gebrekkige overgangen, zoodat de dichter soms met de deur in het huis valt, b. v. Grendels en Beowulfs optreden, de sage van Sigmund en Heremod, en vooral die van Thrydo.

4º Tegenspraak.

Voor dit punt alsmede het volgende zie men de nota's, waar al de gevallen vermeld worden.

5º Toespelingen op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld worden.

6º De ontknooping is, in vergelijking met wat voorafgaat, gewoonlijk te kort. Men zou zeggen, dat de dichter zich niet de moeite wil getroosten van er langer bij te verwijlen.

Sceaf-episode:

Niet kunnen menschen zeggen, Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden Beneên de wolken, wie ontving de lading. (51-53)

Brecca-episode:

Zij lagen boven Nabij het meeraanspoelsel met den morgen, Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen, Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden Beletten langs de barning van de baren. (575-79)

Sigmund-episode:

Nochtans het lukte Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde, Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. (903-5)

Finn-episode:

Bloedig was de halle Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher, Verslagen in het midden zijner manschap, En heengevoerd de koninginne Hildburg. (1167-70)

Headobarden-episode:

Dan zal der ridders eed van beide zijden Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld, En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft Door 't zorggezwalp. (2118-21)

Heardred-episode:

In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte, Verliet hij toen der menschen lustgewemel En zocht het licht van God. (2538-40)

Zweden-episode:

Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer. (2464-65)

Gaan wij over tot de redevoeringen. Hieraan is geen gebrek, eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet noodig zijn de verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene plaats wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover eene uitkomst.

In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de gevechten van zelf aangewezen, en wel vóór, gedurende en na den strijd.

Eene afzonderlijke vermelding verdient de uitdagingsrede vóór den strijd, waarin de held zich groote daden voorneemt; zij draagt den naam van gilp-cwide: trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het volk gebruikelijk zijn geweest, alvorens den strijd aan te binden; want anders zou Beowulf vóór den drakekamp niet gezegd hebben, dat hij van alle tartende taal afziet.

Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen heeft, geheeten gilp-hläden, d. i. met trotstoespraken beladen.

Wijzen wij op eenige voorbeelden.

Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende:

Doch 'k zal hem vatten, Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten, Man tegen man. (440-42)

Bij 't slapen gaan onmiddellijk voor Grendels aankomst spreekt hij zijne mannen toe:

Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder Voor 't wapenwerk, dan Grendel waant te wezen. (690-91)

Alvorens in 't meer te springen neemt hij afscheid en besluit met de stoute taal:

'k Verwerf met Hrunting Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (1518-19)

Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke Ongentheow de in 't Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt:

Hij sprak het uit, hij wilde Hen met den morgen door het lemmer dooden, Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. (3042-44)

Opmerkelijk is het, dat de helden vóór het gevecht elkander niet de bekende en zoo natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd werpen. Hunne noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe te ernstig. Al zet Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem bij door eenige krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit staat daarom niet minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat hardnekkig voornemen te wijzen.

Somtijds dient de redevoering om herinneringen van korter of langer dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan Ecgtheóws veete met de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en aan Hredel.

Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij Homeros' helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den Beowulf, ofschoon minder sterk.

Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den kustwachter geeft, en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar.

Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd, doch vooral in de gilp-cwide van Sigeferd uit het Finnsburgfragment.

De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den eenzamen schatbezitter, in de Hredel-episode en in Beowulfs laatste woorden tot Wiglaf.

Slaan wij nu eenen blik op de beschrijvingen.

In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias.

Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de beelden van de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de voorwerpen aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan zijn, zoekt het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal beelden op te lossen.

En verder: Bij Homeros zijn de verschillende tijdsgewrichten vast verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten is gesloten, de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl alleen de hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig, elk voor zich, geschetst.

Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving van den overtocht naar Hrodgar (215-31). Inscheping, vertrek, reis, land in 't zicht, uitscheping: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet in aanmerking komen.

Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen te geven tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat de Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen bewaren over het land en zijne bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der Grieken maakt geenen indruk op het gemoed des noordschen dichters. De zonsopgang wordt slechts in korte trekken geteekend:

Van 't Oosten zeeg het licht, de zegestanderd, De glanzende van God. (580-81) Totdat de donkre raaf, verheugd van harte, Des hemels weelde weder kwam verkonden. (1840-41)

Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met omgeving, welke ons voor het ontbreken van verdere tafereelen schadeloos stelt, wordt de levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele natuurbeschrijving is aan te stippen, doch zij is het werk van den inlasscher.

De zanger verhaalt in Heorot:

dat de Almachte Deze aarde had gevormd met hare velden, Glansstaltig, waaromheen zich windt het water; Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig Tot licht gesteld had voor de landbewoners, Getooid met twijg en blad der velden boezem. (93-98)

Eene ruimer plaats valt aan de zee te beurt.

Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen wij er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de poëzie eens titans, de zee waardig.

Het leeuwenaandeel is nochtans voor de slagbeschrijvingen weggelegd en alles wat ermede gepaard gaat, als de onmetelijke schatten, de drijfveer tot den oorlog, waarvan het noordsche brein droomde, (men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de kostbare wapens, bij welker opsomming de dichter gaarne verwijlt, de lijkverbranding na den val der helden in de Finn-episode en bij Beowulfs begrafenis, de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te verbroederen, hetzij om de overwinning te vieren.

Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij Homeros, die de hooge feiten van elken kamper een voor een nagaat, zoodat het handgemengel in eene rij van afzonderlijke gevechten vervalt, waarvan elk op zijne beurt samenwerkt tot den kunstvollen eindindruk van het geheel; neen, onze dichter stapt over alle bijzonderheden heen en spoedt zich naar het feit, welks uitteekening hij zich ten doel heeft gesteld.

Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de gebeurtenissen in beknopten vorm worden opgesomd, elkander in onafgebroken gang en met versnelde vaart verdringen, om eindelijk stil te staan bij den kamp van den slagvaardigen Ongentheow met de gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen enkel en alleen hoofdzaak is voor den dichter:

Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen, Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten. Nu stapte heen de stoute met de makkers, De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken, Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.

Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk zijn gewoonte is, op de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht te doen vallen. Hij gaat daarna voort:

En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude. Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden, En Hygelac ter hand gesteld hun standaard. Zij stapten over hun versterkte stelling. Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits. (3049-65)

Nochtans is de indruk van meer dan eene slag-beschrijving aangrijpend, overweldigend in hare korte gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls getrotst

den ijzerhagel, Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen Heenbruiste boven eene schans van schilden En, vliegensreede door zijn veeruitrusting, De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde. (3229-33)

Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den bodem van het nikkermeer en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk de kroon.

De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te slaan in het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke, hoe kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar zielkundige ontleding.

Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of het gezicht van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult hem met vreugde:

Toen lachte daar zijn harte. (746)

Beowulf is droef te moede, als hij Grendel eenen zijner mannen ziet verscheuren:

Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac. (752)

Grendel stuit op onvoorzienen tegenstand en het hart zakt hem in de schoenen:

't Werd hem bang in 't binnenst. (767)

De «hooggestemde» Beowulf put nieuwe kracht bij het terugdenken aan zijne uitdagingswoorden:

De wakkre neef van Hygelac geheugde Zich toen de toespraak van den eigen avond. (774-75)

Tweemaal wordt gewezen op de gemoedsstemming van de zich buiten bevindende Denen:

Den Denen al gewerd, den burgbewoners, Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting. (785-86)

En gruwbre ontzetting greep te gaar de Denen. (802)

Beowulf legt de hem aangeboren grootmoedigheid door de volgende redeneering het zwijgen op:

Hem docht zijn (Grendels) levensdag aan niemand nuttig. (810)

De verbittering der beide tegenstanders wordt in éénen regel veraanschouwelijkt:

Zoolang de een leefde was 't den andre leedvol. (828)

In de slagbeschrijvingen wordt op twee bijzonderheden veel nadruk gelegd, op de vermelding der wapenen: harnas, helm, schild en zwaard, en op de «lijkschoffeerende» roofdieren.

Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke taal, dat het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een levend wezen gedacht.

In het gansche leven en streven treedt het op den voorgrond.

Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt bewezen door de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten (Hengest); de krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne dapperheid of andere diensten, en hij verwerft daardoor de bijzondere achting zijner makkers (de scheepswachter); wordt het uitgeleend, dan is dit een bewijs van vriendschap en hoogachting (Unferd); de held schat het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig maakt om het aan zijnen zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen daartoe overgaat, wanneer de jongeling in staat is het waardig te voeren (Wigstan). Het is een trouwe «krijgsvriend», dien men nooit verlaat, zelfs niet gedurende de nachtrust, en die op zijne beurt den bezitter nooit in den steek laat. Is het zwaard deugdelijk, dan is het wijd en zijd bekend en luistert het den volksstam op (Friezen).

Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den besten wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld (reuzenzwaard) en prijkt met opschrift en voorstellingen van gebeurtenissen, zoodat wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre overeenstemming met het wonderschild van Achilleus.