Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 6

Chapter 63,446 wordsPublic domain

1º Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst?

Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche stammen reeds naar Brittanië vertrokken. Van hen, die in het vaderland waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan de nieuwe woonstede.

2º Daar de Geátas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in een nationaal epos.

Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de Angelsaksen verwant waren.

3º Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof, dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland, met eigen oogen heeft opgenomen.

Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.

Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavië binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal hem in zijn eigen «home» bereikt heeft.

Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rönning werkt Thorpes opvatting verder uit.

Eindelijk hebben wij de meening van Müllenhoff en ten Brink; voor hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel, maar een echt Oudengelsch gewrocht.

Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders.

Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt.

De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinaviërs (Denen en Zweden).

«Man vergegenwärtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und dem Dänenkönige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu gewinnen, dass hier eine Humanität sich äussert, von der die ältere Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Völker kein Beispiel bietet.»

Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische sagen den echten naam van den held kent, welke Bjólfr zou moeten luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf tot de vorming onzer heldensage.

TIJD VAN VOLTOOIING.

Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt.

Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht moet tot stand gekomen zijn.

Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen sprake zijn vóór 515-20, toen de inval van Hygelac plaats greep.

Van den anderen kant moet het gedicht vóór de 9de eeuw, d. i. vóór de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest; hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?

In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos noodzakelijkerwijze vooropstelt.

Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden, verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom.

Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het Northumberlandsche rijk in 't begin der 7de eeuw, onder de regeering van Eádwini.

Hij was het die Bernicië en Deira tot één rijk vereenigde, zijn gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde, de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving, in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging.

Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu zijne hoogste macht.

Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der 7de eeuw in het naburige rijk Mercië zijn beslag kreeg, vooral door toevoeging van episoden.

Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid.

HET HANDSCHRIFT.

Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft, naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke de tweede, die zich vooral door het gebruik van ió in plaats van eó kenmerkt, bij het woord môste v. 1940 begint.

Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek van het British Museum.

Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:

Al de handschriften der Angelsaksische poëzie zijn van eene betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die (gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef; maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van, dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden, afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde, zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden.

DE VERSBOUW.

Algemeene Bemerkingen. De versbouw van den Beowulf is aan alle Duitsche volken gemeen en bestaat in het rijmlooze geallitereerde vers.

Het geallitereerde vers is, ten minste bij de Westgermanen, uit twee deelen nl. halfverzen samengesteld, welke door de stemrust gescheiden zijn.

Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel verbindt, brengt de eenheid tot stand.

Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van denzelfden regel volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus; integendeel, er heeft wisseling van verscheiden bepaalde versmaten plaats.

Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van beweging.

Maken we dit klaar door eene veronderstelling.

Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in hetzelfde stuk aan ééne verssoort houden, b. v. hexameter, alexandrijn, vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche zanger in den bouw zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen hexameter gekozen hebben, dan van een alexandrijn, dan weer van de vijfvoetige jambe, enz.

Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde vers afwisselen?

Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te onderscheiden: sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan voor het halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier.

Wij zullen in breede trekken een begrip geven van beide theorieën en verwijzen voor de bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide geleerden in den «Grundriss der Germanischen Philologie.» [22]

I. TWEE HEFFINGEN.

Bouw van het halfvers in 't algemeen. Sievers onderscheidt er de volgende bestanddeelen:

1º de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (´); zij zijn twee in getal.

2º de onbetoonde lettergrepen of dalingen (×).

3º de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving, dienst kunnen doen voor dalingen b. v. kérkdeu×r, of voor bijheffingen (`) b. v. wíndmòle×n.

Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.

Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in het halfvers:

A -´ × | -´ × B × -´ | × -´ schema 2 + 2 C × -´ | -´ ×

D -´ | -´ -` × schema 1 + 3 -´ | -´ × -`

E -´ -` × | -´ schema 3 + 1 -´ × -` | -´

Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A, drie voor C, vier voor D, twee voor E.

In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E.

Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het tweede halfvers.

Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers, alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan.

II. VIER HEFFINGEN.

ten Brink's stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af.

Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten, waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt.

Dit grondschema is voor het halfvers:

× ×´ × ×` | × ×´ × ×`

Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen: twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen.

Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (×). Het halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat wij met ten Brink a zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan, naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen.

b De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den voet omgezet:

× ×` × ×´ | × ×´ × ×`

c In den 3den en 4den voet:

× ×´ × ×` | × ×` × ×´

d In 1,2 en 3,4:

× ×` × ×´ | × ×` × ×´

e 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven.

× ×´ × ×´ | × ×` × ×`

Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te zeggen over de quantiteit en de betoning.

Quantiteitsregel: Eene more (×) kan ingevuld of gedekt worden zoowel door de korte als lange lettergreep (×).

Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep, welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.

Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee medeklinkers gesloten worden.

De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1º alle eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2º bij de veellettergrepige alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels.

De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen, die den klemtoon hebben.

De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt, b. v. kerkdeùr, windmòlen; en in het algemeen aan die lettergrepen, welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd, waardoor zij in kracht winnen.

Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien de lettergreep er voor vatbaar is.

Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.

Keeren wij nu terug tot de versmaat.

Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm a b. v.:

gewâ´t him thâ` to wárodhè = × ×´ × ×` × ×´ × ×`

Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.

Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven:

a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen;

b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (-) welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden.

Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.

a. Met pooze in 't begin:

wî´ge ùnder wáeterè = ^ ×´ × ×` × ×´ × ×`.

Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep:

mýnelìcne mâ´ddum = ^ ×´ × ×` × -´ ×`.

(-´ ×` staat voor ×´ × ×`, zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd worden.)

b. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep van straete:

òfer lágustráetè = ^ ×´ × ×´ × -´ ×`.

c. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep van aedelinga:

aédelìngà gedrýht = ^ ×´ × -` ×` × ×´.

d. òfer géofenès begóng = ^ ×` × ×´ × ×` × ×´.

e. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep van ydha:

átol y´dhà gethrìng = ^ ×´ × -´ ×` × ×`.

Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen zijn; ontbreekt één der bijheffingen, dan is het vers onvolledig.

In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen worden:

1º door de pooze, b. v.

a. geslô´h thî`n faéder = × -´ -` ×´× ^`.

2º Ofwel, en dit heeft slechts in één geval plaats, worden twee heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ééne lettergreep gedekt, zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt:

a. hâ´`m gesô´htè = ^ -´` × -´ ×`.

Men zou dus bij het lezen há-a-àm moeten scandeeren.

Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en vierheffingstheorie.

Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten wij aan meer bevoegden over.

Nochtans al is het waar, dat Sievers' meening meer aanhangers telt, toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van allen grond ontbloot is, als hij zegt:

«Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmöglich sein dürfte, Verse zu lesen, wie es unmöglich gewesen sein muss, Verse darnach zu bauen.»

EPISCHE STIJL.

Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, poëzie van proza weet te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren, vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen.

Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een dichterlijk beeld voor den geest roepen.

Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch, Angelsächsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886.

Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cêne daadkoen, blôd-fâg bloedbont, heoro-blâc bleek door het zwaard, zwaard-gedood, wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rôf kampberoemd, beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-seóc krachtberoofd, gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met glanzend zadel, sae-mêde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk, enz. [23].

Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die, welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het volk, betrekking hebben.

Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan de Oudnoordsche letteren ontleend is.

De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden:

De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam; het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels (beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven; het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz.

Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach neerleggen, enz.

Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild, speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke door Kenningar worden uitgedrukt.

Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding, 9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom van de epische taal in den Beowulf te toonen.

Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger:

Cempa, wîga, ôretta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc (legerheld); gûdhwîga (kampstrijder).

Wij voegen erbij:

häledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn, magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld); hilde-mecg, beado-rinc, gûdhrinc, headho-rinc, gûdh-beorn (kampheld); fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesîd, dryht-guma (schaargenoot); waepned-man (wapenman).

Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen:

Bode haalt aan: lindhäbbend, rondhäbbend, bordhäbbend (schildhebber); searohäbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca (schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wîgfreca, hildfreca (kampwolf); hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).

Hier behooren nog bij:

fêdha, fêde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca (wolf); gûdh-freca (strijdwolf); gâr-wiga, äsc-wiga (speerkamper); lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga (schildkamper).

Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, heàdu, brim, lagu, lagu-streàm, eàgor-streàm, êg-streàm, geofen, wäd, flôd, waeg.

Buitendien nog: brim-streàm, farodh, ford, streàm.

Kenningar voor zee.

Bode teekent aan: fîfelcynnes eard (gebied der zeegedrochten); ganotes bädh (bad der duikereend); hronrâd (walvischweg); swanrâd (zwaneweg); segelrâd (zeilstraat); ydha ful (der golven beker); seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); flôdes wylm (vloedbranding); sealt wäter (zout water); seo fealu flôd (de vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); gârsecg.

Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen aangevuld worden: brim-wylm, flôd-ydh, holm-wylm, wäter-ydh, saewylm (zeegegolf); sundgebland, ydhgebland (zeegemengel); brimlâd, lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wälm (branding); waeg-holm (golvenzee); deóp wäter (diep water); wîd wäter (uitgestrekt water); holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wäteres hrycg (waterrug); ydha gewealc (golfgewentel); ydhgewin (golfgeworstel).

De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt, de samenstelling.

Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrâd, swanrâd.

Welk is de natuur der Kenningar?

Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of zaak, ééne eigenschap, één deel in het licht te stellen, hetzij door middel van ontleding, hetzij van vergelijking.

Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding.

Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid, dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf, b. v. kampwolf.

De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus eene groote rol in den Beowulf.

Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven?

Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers, als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm te voldoen.

Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184-87:

Zij kenden niet den meester, Der daden doemer, geenen God, den heerscher; Zij konden niet des hemels heul bekennen, Den God der glorie.

De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne kunst te toonen.

Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: «Les excellents poètes nomment peu souvent les choses par leur nom,» dat kan ik Bode niet toegeven.

Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen, dus ongeveer in den aard van de Précieuses, over welke Molière zich vroolijk maakt.

Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke poëzie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten?

Indien men in Bode's lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs- en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin betreft, zijn bijgekomen.

De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos.

Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.

Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte.

Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze beeldspraak.

De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te spreken.

De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag van den overdrachtelijken stijl.

Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een levend wezen.

Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking.

De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid, welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting.

Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken.

Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf, maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats.

De eerste de beste zal zeggen: «zijne oogen schoten vuur,» bij het zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat.