Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 5
«Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning, Chochilaicus geheeten, over zee Gallië aan met eene vloot. Na aan wal gestapt te zijn verwoesten zij een pagus (gouw) van Theodoriks gebied, zij maken gevangenen en bereiden zich om naar hun vaderland terug te keeren, na de schepen zoowel met de gevangenen als met den overigen buit te hebben beladen.
Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting dat de schepen in volle zee waren, om daarna zelf te volgen.
Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk door de buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert naar die streken af met een groot leger en eene groote oorlogstoerusting.
Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de vijanden in een scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de landzaten terug.»
De andere Frankische bron, Liber Historiae (Gesta regum Fraticorum,) zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt tevens de streek aan met den naam van pagus Hattuarius.
De koning der Franken, waarvan sprake is, is Clovis' oudste zoon, Theodorik I van Austrasië, de held van meer dan een epischen zang.
Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning Theodorik den Groote, werd hij Theodorik de Frank of de Huge geheeten, en als zoodanig verschijnt hij onder den naam van Hug-Dietrich in de Duitsche heldensage.
Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers eenige schriftelijke oorkonde omtrent Clovis' zonen ten dienste stond, moeten zij deze wetenschap uit de epische overlevering der Franken opgedaan hebben [14].
Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat toevalligerwijze in een handschrift van Phaedrus uit de 10e eeuw is opgenomen:
In de 9e en 10e eeuw waren nog in een eiland, aan de Rijnmonding gelegen, reuzig groote beenderen te zien, welke naar het volksgeloof aan koning Hunglac, waarvan wondere zaken verteld werden, zouden hebben toebehoord [15].
Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen zulken diepen indruk op de overwinnaars had te weeg gebracht, dat de herinnering ervan na vier eeuwen nog niet was uitgewischt.
Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest zijn op het gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den Beowulf.
En inderdaad het verhaal van den Frankischen geschiedschrijver stemt in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving, welke het epos ons op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der Deensche Gooten onder hunnen koning Hygelac, een naam, die volgens de wetten der woordafleiding aan Chochilaicus beantwoordt.
Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van het volk deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald, zoodat Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef Beowulf, met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong, nadat al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten.
Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat niets in den weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te nemen, juist wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon geen ander, noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten ons epos van hem gewaagt.
Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende benamingen aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg; immers Friezen, Hetwaren, Franken en Hugen zijn in den grond een en hetzelfde volk.
Hugen is de naam, welken de Noordsche volken van de 6e tot de 11e eeuw aan de Franken toekenden. Eigenlijk heetten zoo de bewoners van Hugmerki «de mark of het grensgewest der Hugen», op de grenzen van Saksen en Friesland; daarna werd de naam door de Saksen en Scandinaviërs aan de Franken in het algemeen gegeven [16].
De Pagus Hattuarius behoorde tot Friesland, dat zich in den breeden zin van het woord van af de grenspalen van Denemarken tot aan de Scheldemonden en de poorten van Brugge uitstrekte.
Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische Franken, zoodat de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt Friezen en onder staatkundig Franken heeten [17].
Leo plaatst de gouw der Hattuariërs op den rechter oever der Maas, langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van Kleef, Gelder en Meurs, zooals Müllenhoff zegt.
Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover doorgedrongen, en deze overrompeling van de binnenlanden door middel van de riviermondingen bleef in 't vervolg de krijgskunde der Noormannen.
MYTHOS.
Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage?
Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door Ettmüller, Leo en anderen, doch vooral door Müllenhoff is ontworpen, die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen.
Wij hebben er reeds op gewezen, dat Müllenhoff bij de Angelsaksen eenen alouden, mythischen held aanneemt, Beów(a) of Beáw(a) genaamd, den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen Beowulf versmolt; zoodat de daden van Beówa op Hygelacs neef werden overgebracht.
Daar Müllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden:
Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend; heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in den held van ons epos is schuilgegaan?
I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen, waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn.
Al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan, den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen.
In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf, dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Geát genoemd worden.
Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch wezen.
Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germanië geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te danken hebben.
Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens en kleinoodiën.
Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodiën op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving der Germaansche kustbewoners.
Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee nakomelingen Scyld en Beowa.
Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een en hetzelfde wezen.
Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa is de «schermheer, de met het schild dekkende» en vertegenwoordigt het koninkschap.
Beá van de wortel bhu «zijn, wonen, worden, wassen,» verpersoonlijkt het vreedzame verblijf in woningen [18].
Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht.
Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis, waaruit blijkt, dat Geát, een der voorloopers van Wodan, als eene godheid werd aangemerkt:
Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in Script. Rer. Brit. blz. 468.)
II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in Engeland inheemsch?
Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogieën op de Angelsaksische leest geschoeid zijn [19].
Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Müllenhoff in eenige Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan hamm «Beowa's hoeve», Grendles mere «Grendels meer», Grindles bec «Grendels beek», Grindeles pytt «Grendels moeras», en Béas brôc «Beaws broekland.»
Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was.
III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van het watermonster Grendel.
Hoe weet Müllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond: dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den deftiger naam van petitio principii bestempelt.
Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles mere geeft ook geene uitkomst; wél, indien de twee namen te zamen voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband tusschen Beowa en Grendel aan te nemen.
Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt van Müllenhoffs gezamenlijk betoog.
IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet, dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos.
Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf(1) voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en Beowulf de Goot of Beowulf(2), de held van het gedicht.
In Beowulf(1) steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf(2) werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf(1) geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt.
Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf(1).
Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogieën; dus is Beowulf(1) voor Beow verschreven.
Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend.
Müllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. «afstammelingen van Scyld» zijn bijgenaamd.
De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf(2) wordt toegeschreven, zoo ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf(2) zijn overgebracht.
Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd met den geschiedkundigen neef van Hygelac.
V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf(2) ten grondslag?
Beowulf is de lichtheros, welke in 't voorjaar de overstroomende zee terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt.
Müllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt:
Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter:
1º De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land der Finnen d. i. Lapland bereikt.
Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in het voorjaar de winterstormen der zee overwint.
De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers Brecca «die door de golven breekt» is vorst der Brondigen d. i. de branding. De naam zijns vaders Beánstan hangt samen met bauni «walvisch».
2º Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel en dezes moeder.
Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de wilde Noordzee voor.
3º Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt te hebben.
De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den rustigen zomertijd.
De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen, doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor de deur.
VI. Müllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr, vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr.
De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust der Noordzee leefden «proximi Oceano Ingaevones»; hiertoe behoorden dus ook de Angelen en Saksen.
Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten.
VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland werd overgeplant.
Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen, zooals Müllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene twistvraag, welke wij in het midden laten.
Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock en Nathanaël Müller zich niet voor een Freyr--maar voor een Thorheld uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf(1), die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf(2), die alleen Thor voorstelt.
Na Müllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid, maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken.
1º Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen.
2º Indien de naam van Beowulf(2) den halfgod Beowa verkeerdelijk tot Beowulf(1) herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen, daar Sceaf, Scyld en Beowulf(1) alleen de voorvaders van de Deensche koningen en niet van Beowulf(2) geworden zijn.
Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang?
Dat die invloed op zoo'n goeden weg is blijven steken, is des te meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf(2) identisch is met Beowulf(1), ten minste volgens Müllenhoff.
3º Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom bewaart de Widsidh er dan het zwijgen over?
4º Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring, dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden.
Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft.
Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar makende tarnkappe.
Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting.
Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen dit eene: homo sum!
Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen van een gewoon sterveling te boven gaan?
Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod.
Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden.
Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd, zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor zoo iets houde!
Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet de draak in tal van mythen eene rol speelde.
Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt; want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund, Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage.
Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den Beowa-mythos te maken heeft.
5º Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog van Müllenhoff draait.
Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa, Beowulf) moeten zijn.
Men ziet, hoe Müllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken.
Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas Miller in The Academy (1894, 12 May).
Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere, welke in het «Cartularium Saxonicum» no 677 voorkomen, Grendel niet een eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het afwateringsmeer, het turfmeer.
Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt.
De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Müllenhoffs uitspraak, op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt:
«Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprünglich von dem mythischen Beav ihrer genealogie erzählten.....» Men kan het Thorpe dus niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen.
GEÁTAS.
Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn niet de Denen, maar de Geátas; Beowulf(2), dien wij in 't vervolg kortweg Beowulf zullen heeten, was een Geát.
Welk Germaansch volk beantwoordt aan de Geátas? [20]
De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Geátas voor Angelen; Ettmüller, Thorpe en Müllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden; want de vorm Geátas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de Zweedsche landstreek Westergötland bedoeld wordt.
Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm «Jutten» in 't Angelsaksisch Eótas, Jotas, (Oudnoordsch Jótar) en niet Geátas moest opleveren.
Halen wij Bugge's voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen.
Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In de vertaling van Beda's werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred, die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door Geátas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geáta fruman vertolkt.
Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging, dat de Geátas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk zeevolk aanwijzen.
Geátas en Swéon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn.
Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland.
Hygelac, koning der Geátas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Geátas de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden.
Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is, doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.
Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden, doch niet van de Zweden.
Dat ons epos Geátas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk een afzonderlijk rijk uitmaakten.
B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn de Geátas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar Engelsche Jutten.
Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: «De Jutarum origine (Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.»
Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda's tijd nog den naam van Jutten voerden.
Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten zijn derhalve de Geátas.
Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche Jutten eene scheidslijn te trekken.
Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Möller geen van de Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in, waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen het land verdeelde. [21]
NATIONALITEIT VAN DEN BEOWULF.
Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen dichter is, blijft tot nog toe de twistappel.
Drie punten vergen vooraf de aandacht: