Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 4
Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.
Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de Germaansche stammen thuis hoort.
Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn, die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.
Bloedwraak is de heiligste plicht.
Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten daarin te kort.
Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes Zich niet de krijgers, door het nat bedronken, In deze drankzaal met de grijns der degens Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88)
Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt: 't is Grendels moeder.
Nu daagde een ander machtig euveldader, Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64)
De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen:
En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. (1365)
Wij zien ook, dat Beowulf na zijne troonsbeklimming zich met Eadgils verbindt, om wraak te nemen over den dood van Heardred, die vroeger in den oorlog met de Zweden gevallen was.
In deze twee voorbeelden kan men ten minste de wraakoefening billijken, wel te verstaan van het heidensch standpunt beschouwd der betrokken personen; doch er doen zich ook gevallen voor, waar de denkbeelden, die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van eenen held vormden, geheel en al worden omvergegooid; want tegenover dezen plicht houden alle andere plichten op.
De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke daden; zij veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en huichelarij.
Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in bezongen worden?
Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het oogenblik nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij aan Finn, den Friezenkoning:
Dat hunner niemand, noch door woord noch werken, Het bond ooit breken zou, door arglist letten. (1112-13)
Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den vorst, blijft den langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste verstandhouding:
In alles een bij Finn; (1143)
terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de onfeilbare wraak uitbroeit.
Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.
Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:
Dan zal der ridders eed van beide zijden Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld, En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)
De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken plotselingen omkeer, want er staat:
Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer Een korte wijle na den val des konings, Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84)
Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen bloedverwant niet wreekt.
Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen verhaal van koning Hredel.
Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is de ijzeren wet.
Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt over het verlies van zijnen oudsten zoon!
Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren; Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.
Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet straffen, want het is ook zijn zoon!
Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren, Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout. Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen, Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt, De raaf tot lust, terwijl hij geene redding Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19)
Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want
het leek hem alles Te ruim, en veld en woon. (2531)
De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:
In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte, Verliet hij toen der menschen lustgewemel En zocht het licht van God. (2538-40)
Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.
Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:
(ik) zocht geen moordlist, Noch legde menig eed af onrechtmatig. Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen, Om 't al verheugen, want de Heer der menschen Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30)
CHRISTENDOM.
Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos heeft uitgeoefend.
Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid gemakkelijk te onderkennen is.
Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.
Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo trad de ééne God in de plaats van het heidensche godendom.
De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw beginsel kan slechts gedijen door zich bij 't bestaande aan te sluiten, maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband te brengen.
1º Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd.
Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen; hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz.
God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht, zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het terugzien van Beowulf.
Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon.
Hemel, hel en duivel worden ook genoemd.
2º Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen: dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kaïn, en in de christelijke zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen.
3º Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie, de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder, de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer des levens, der daden rechter enz.
Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler der glorie, roemvervuller geheeten wordt.
Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van den duivel gezegd werden.
Sterven wordt omschreven door: in 's Heeren hoede sterven; het heil des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken.
Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft.
4º Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet hij tot tweemaal uitschijnen:
En wien de dood dan wegrukt, Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442) De wijze Godheid zal daarop de zege Verbinden aan de hand van een van beiden, De heilige Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt (699-701).
Deze opvatting ontstond in 't begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom [2].
Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich tegenspreken.
De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche tooverkunsten om Grendel te bezweren:
Dat waren zoo hun zeden, Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182-84).
Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt:
O Wacht u voor dit zoo verwaten streven, Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste, En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend welzijn (1794-96).
Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op 't goud, de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan het noodlot:
Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459).
't Noodlot sleepte De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481).
Zelfs wordt het op ééne lijn met God genoemd:
Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid Met Wyrd en moed des mans (1070-71).
HELDENSAGE EN VOLKSEPOS.
Het volksepos put zijne stof uit de heldensage.
Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden tot middelpunt.
De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.
Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman Hildebrand en dezes zoon Hadruband.
Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de Finnsburg voor oogen.
Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt; nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen.
Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt.
Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten [3]. In zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren het volk van het Romeinsche juk bevrijd had [4].
Jornandes [5] getuigt hetzelfde van de Goten:
«Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden te hebben gehad.»
De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen, waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen; voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan.
Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila spreekt, buiten kijf de volkspoëzie geraadpleegd.
Savagner erkent dit in zijne inleiding:
«...l'on ne peut reconnaître et déterminer les passages que Jornandès doit à Cassiodore, ceux qu'il doit à d'autres auteurs, ceux enfin où il prétend s'appuyer sur les antiques traditions et sur les chants nationaux des Goths.» bl. VII.
Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard.
De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae Saxonicae op.
Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen uitsluitend de geschiedenis van Denemarken [6]. Van al de Germaansche stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te zijn aan epische overleveringen.
Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den weg geruimd [7], een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet om historie en dichterlijke overlevering te schiften.
Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen gehad hebben dan de levende volksoverlevering.
Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch volk in de schaduw gesteld worden.
Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of van een treffend natuurverschijnsel.
Geven wij hier het woord aan Jonckbloet [8]:
«Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.
Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door één begaafde ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van mond tot mond voortgeplant wordt.
Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven, werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspoëzie. En geen afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen, omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen om haar te vormen.»
De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der wandeldichters gebleven is.
Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk reeds in de kiem vertoonde, de Wîdsîdh of Verbereisde, hun oudste letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de destijds bekende helden der volksverbeelding.
Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele wisselvalligheden onderhevig moest zijn.
Dit springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in aantal moesten toenemen.
Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was, er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets nieuws werd opgenomen.
Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen worden overgedragen [9].
Dit zien wij in de Sigmund-episode.
Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de tegenwoordige beteekenis van het woord.
Niet alleen was de dichter, ten minste voor 't Angelsaksisch, aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde, aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde en geliefkoosde voorstelling gemaakt had.
Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden:
«Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut Teil blosser Reproduktion in sich enthält.»
Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing, welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde, of er christelijke denkbeelden bijtrok.
Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot één geheel vereenigde: het volksepos was geboren.
F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden zijn.
De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere pad der vroegste middeleeuwen.
Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage; uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid?
Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden: geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding.
Gaan wij elk der drie punten na:
Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest; 't is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis vóór de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken, welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman, en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen.
Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van Gallië en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden [10].
Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans voor het volksepos verschenen [11].
Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft, moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht, dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering bestaat er niet.
Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag is. De reden ligt voor de hand [12].
Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is.
Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven [13].
Stappen wij over tot het tweede punt.
De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken, met de mythische of heroïsche, d. i. met overleveringen van goden en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der natuurkrachten.
De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar één voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd, die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden.
Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die meening deelde.
Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft.
Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.
Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten, zijn overgebracht.
GESCHIEDENIS.
De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene nederlaag en wel de inval, welken de Deensche koning Chochilaicus in 515 in de gouw der Hattuarische Franken ondernam.
In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen, welke, blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van geschiedkundigen aard moeten zijn.
Wij bedoelen namelijk den oorlog met de Zweden, waarvan geen geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt hier niet in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol speelt, zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het ontstaan van het gedicht.
De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze den strooptocht van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt.
Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als volgt: