Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 3
Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten.
Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen, maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den wapendienst vergeldt.
Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst, terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid.
En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom van het gezag.
Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud; de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.
De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer te dienen:
Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen, De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten, Dat ik een meer dan milden goudbegever Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512-15)
Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat niemand er iets op af te dingen heeft:
Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen Het kampgeraas de wijdberoemde koning, De schatheer van den stam; gelijk geen stervling, Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060-63)
Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor toegekende belooning. (3101)
Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs mannen:
Onderwege Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930)
De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen:
Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten, Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen, Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.
Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer.
Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond.
't Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle Germaansche gemoed is gegrepen.
De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt volgenderwijze uitgesproken:
Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel, Aan dezen was de neef geheel genegen. Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226-28)
Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld:
'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden, Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562-64)
Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.).
Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht, van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk steeds welkom is.
Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort.
Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven van Hygelac:
Mij bad de koning leedvol bij uw leven, Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel. (2188-89)
De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat.
Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt, Naar Hygelac het puike pantser henen, Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455-57)
Vóór den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens hem de woorden in:
En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar, De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510-11.)
Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt, wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen.
Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood in het hart.
De vreemden zaten droef van zin en tuurden Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635-37).
Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt:
Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797)
Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken, ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers, op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn bloedverwant is:
Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80)
Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:
God weet van mij; mij ware 't wenschelijker, Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler Het vuur omving. (2732-34)
Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.
Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den vuurspuwenden draak te lijf gaat.
Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer, aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen; het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen aangedropen.
Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer in den steek te laten.
Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader: zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met hunne bloedverwanten.
De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken, Het heele haardgenot en heil, 't zal alles Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen, Verstoken van het landbezit der stammen, Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders Vernemen uwe vlucht vanuit de verte, Uw roemberoofde daad. De dood is beter Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93)
In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel, zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.
Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.
Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.
In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder, Hij door den vloed mij verre voor te bruisen, Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54)
Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.
Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche krijgslieden voor te stellen:
Verzoek hen in te gaan en al te gader Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87)
Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid blijve heerschen.
Elk krijger hier is heel verknocht den andren En mild van zin. (1248)
Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid hun ronduit durft verklaren:
Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht, Den onbesuisden lansstorm uwer lieden Niet zeer te duchten heeft. (607-9)
Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede de Denen hunne gasten bejegenden.
Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren, dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan, zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het andere zal zijn:
De staalomwonden kiel zal over 't water De gaven brengen met de gunstbewijzen. Ik weet, dat tegenover vriend en vijand Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare, In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9)
Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het, ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn treedt.
Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.
Nu wil ik, grijze wachter van de volken, Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)
Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den drakekamp.
Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange leven herinnert hem Wiglaf daaraan:
Beste Beowulf, Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48)
Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de volgende fiere taal:
Dat hij behale, Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven! 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15)
Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:
Gij hebt verkregen, Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren Altoos voor later tijd. (968-70)
Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.
Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet op tegen den roem:
Dit was mijn streven, toen ik steeg te water, De kiel beklom met mijnen drom van dappren, Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde, Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen. Dus zal ik deze ridderdaad verrichten, Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48)
Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder (1518) en met den draak (2609).
Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:
Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid In 't strijden staan. (613)
Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.
Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:
Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt Door 't wapenfeit. (2150)
Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het klaarste blijk is:
Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81)
De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar zijne hulp aan te bieden:
Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning, Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5)
En wat verder:
Hrodgar kan ik wijzen Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede Den vijand vleuglen zal. (280-82)
Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning» heeft opgezocht.
Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.
De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit:
Goudgierig was hij niet. (3185)
Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.
Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten onaangeroerd:
Niet meerder schatten Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten, Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46)
't Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:
Den Heer van alles weet ik dank met woorden, Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder, Voor al de schatten, die ik hier beschouwe; Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde, Erlangen mocht ten bate mijner mannen. Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat, Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95)
Welke edele taal in den mond van eenen heiden!
Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet ten achter bij hunnen vorst.
Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:
Geen enkel stuk alleen zal met den stoute Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels, Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen Ten laatste nog, betaald met eigen leven: De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22)
Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis overschieten! (3123-24)
De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de oogen uitsteken:
Niet een dien 't rouwde, Toen zij in aller ijl naar buiten brachten Den kostbren schat. (3243)
De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:
Zij lieten de aard der helden tooi behouden, Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden, Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.
Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.
Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder vrees noch blaam».
Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet verheven is; integendeel hij is zachtaardig:
Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte Bewaakte met de meeste macht eens menschen De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40)
Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.
In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht hij de anderen er niet aan bloot te stellen.
Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd bieden aan den draak:
Niet uwe taak is dit, niet toegemeten Aan een der mannen, dan aan mij den ééne, Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte En ridderdaân verricht. (2606-9)
Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.
Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden enkel en alleen met zijne Gooten:
U, hoofd der Helden-Denen, U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede: Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert, O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre, Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide, Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34)
Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan te vallen:
De uitreiker van den ringensmuk versmaadde Nochtans, den ommevlieger aan te tasten Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12)
De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp aan te bieden.
De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:
Ik wil hem dus niet dooden met het wapen, Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden. Hij kent de kampgewoonte niet van weder Te schenken eenen slag, het schild te beuken, Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten. Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken, Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98)
Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild tegen den draak te velde trekt:
Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur, Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens Het schild en krijgerkleed. (2594-96)
Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief, de ridderlijkheid, toekennen.
De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid; eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.
Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn nadeel uitvallen.
Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.
Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak, de ophemeling van eigen wapenfeiten.
En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne groote ondernemingen.
Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan dien onweerstaanbaren aandrang:
Zij kenden toch de maat van mijne krachten; Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen Ik bontbebloed terugkwam van den vijand, Alwaar ik vastgebonden had een vijftal, Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers Bemeesterd in het midden van de baren, Benarden nood beleefd, het leed der Weders Gewroken (want zij duldden vele weeën) 't Vijandig volk vergruisd. (419-27)
Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht, hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.
Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede, de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.
Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt, ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach van tevredenheid weet te onderdrukken.
Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude blijspel.
Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den zwemwedstrijd en voegt daarom toe:
Niet bral ik dies. (598)
Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten volle erkend worden.
Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696) en dat hij hem niet kon beletten te vluchten:
Ik kon hem, daar het God niet gunde, Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980-82)
Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder, dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:
Mij was het strijden Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689)
Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was.
't Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft.
De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd; want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf:
Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498)
Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten; doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult, heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.
De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw «met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.
Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten, die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden van de vroegere barbaarschheid?
Het antwoord luidt bevestigend.