Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 24
[599] 3156-57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn, want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp vóór den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg.
[600] 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren.
[601] 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook in de Nibelungen.
[602] 3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289.
[603] 3174 Aan hem: aan den draak.
[604] 3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven.
[605] 3177b--81 't Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal.
[606] 3146-85 Het springt in 't oog, dat dit een inlapsel is. Müllenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste van het gansche gedicht zijn.
[607] 3184-85 Volgens Ettmüller. Beowulf had den draak (goudbezitter) niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd; hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192-95 niet in tegenspraak.
[608] 3188-89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het aannemelijkst voor.
[609] 3226: naar den goede: naar Beowulf.
[610] 3232-33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als gestreden werd.
[611] 3236 in 't moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer.
[612] 3239 Niet lag aan 't lot: De bestemming van den schat stond vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden, zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit.
[613] 3242-44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten.
Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij, niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven.
[614] 3257: op den berg: op de walvischhoogte.
[615] 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te beurt vallen.
[616] 3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg.
Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode.
Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe, zooals Socin aanneemt en ook Müllenhoff, die nochtans den inlasscher voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt.
[617] 3264-69 Vertaald volgens Bugge's aanvulling, want de tekst biedt tal van leemten aan.
[618] 3278: in den berg: in den grafheuvel.
Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend; in een later tijdperk komt meer zilver voor.
Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving van de Oudgermaansche begraafplaatsen.
Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een steenen wal omgaf somtijds het gansche.
Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven liggen.
Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de melioribus civitatis.
Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen, welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot.
Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van Attila's begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt.
«Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu funereo.. referebant.» Cap. 16.
[619] 3284-85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten.
[620] 3291-92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27.
[621] 3296-98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning!
Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende volstaan.
De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was, zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke, hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo algemeen in Westvl. als Dendievel.
Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg) van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert.
[622] Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt, die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan.
[623] 1 de wapenjonge heerscher: Hnäf, volgens Bugge.
Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag, vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand?
De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht glanzen, naderen om ons aan te vallen.
[624] 3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een gewei bekroond.
[625] 5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend.
[626] 4-5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst.
[627] 6 het kamphout: de houten lans met stalen punt.
[628] 7 't schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op de schilden.
[629] 8 weedaân: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich de haat der Friezen zal uiten.
[630] 11 lindebast: schild.
[631] 13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo, waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen toe te dienen.
[632] 18 de Strijd-Deen: Sigeferd.
[633] Garulf is een Fries volgens Möller en Bugge.
[634] 22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven.
Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op post staat, aan te vallen.
[635] 18-22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst.
[636] 24 deze dappre: Garulf.
[637] 28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het voorgaande vers.
Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee.
Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van Socin, welke bij swädher = utrumcunque onderverstaat «Schlimmes oder Gutes, Tod oder Leben.»
[638] 32 de beerhelm: everhelm.
[639] 36 Bugges lezing is hier gevolgd.
[640] 46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en Möller.
[641] 49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en Möller.
[642] 51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld.