Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 23
[425] 2284-88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al verminkten tekst.
[426] 2297-98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog lang de schatten te kunnen genieten.
[427] 2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden.
[428] 2311 't heil des hemels: Angs, sele-dreám; het kan ook beteekenen het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige drinkgelagen.
[429] 2324 gezellig hout: de harp.
[430] 2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet.
Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren.
Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere redenen toe.
Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten; ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven, als de volgende:
en luttel genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152.
nu 's legers leidsman 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127.
Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen onmiskenbaar is, door Keltischen invloed.
[431] 2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn.
[432] 2339 niet beter zal 't hem wezen: vingerwijzing op de ontknooping.
[433] 2342 gene man: de dief.
[434] 2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De «heldenzoon» (v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders zijn. Müllenhoff.
[435] 2353-54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden.
[436] 2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen, die hij zou aanrichten.
[437] 2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355).
[438] 2374 schattenplenger: Beowulf.
[439] 2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399.
De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor de daden van zijnen slaaf.
Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve.
Zulke hoeve bestond in 't Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen, buiten bijgebouwen en stallen.
De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen behoeften moest voorzien.
Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt.
[440] 2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van den grafheuvel.
[441] 2392 giftgestoelte: koningshalle.
[442] 2392b-98 Christelijke overweging.
[443] 2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij zee. Vgl. v. 1971 vlg.
[444] 2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340.
[445] 2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar wel zijnen vuurgloed.
[446] 2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL.
[447] 2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg.
[448] 2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren.
[449] 2430 die hem aanvielen.
[450] 2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen.
[451] 2433-34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot Jutland al zwemmende af.
[452] 2437 haren zoon: Heardred.
[453] 2440 verlatenen: de koningslooze Gooten.
[454] 2444-46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf de voogdijschap uit.
[455] 2447 hem: Heardred.
[456] 2448 de zonen Ochters: Eánmund en Eádgils.
[457] 2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood van Ongentheow.
[458] 2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen, omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen.
[459] 2455-56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug.
[460] 2458 het volk: over het volk.
[461] een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450.
[462] 2459 des vorsten: Heardred.
[463] 2460 hij: Beowulf.
[464] 2464 die: Ochters afkomst, Eádgils.
[465] 2465 rijksheer: Onela.
Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel (vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst, Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen Eánmund en Eádgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow, waren opgestaan.
De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred.
Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug.
Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en ondersteunde te dien einde den banneling Eádgils in zijnen krijg met den Zwedenkoning.
Eádgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap.
[466] 2466 Met dit vers laat Müllenhoff het oorspronkelijke lied beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar.
[467] 2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas.
[468] 2504 den oudsten: Herebald.
[469] 2507 vriend en meerdre: Angs freáwine d. i. heer en vriend, Herebald was ja de oudste.
[470] 2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen.
[471] 2512 voor het gemoed: van Hredel.
[472] 2515 zijn zoon: Hadcyn.
[473] 2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied.
[474] 2521 vroegstgeboren: Herebald.
[475] 2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de jongste zoon?
[476] 2525 des zoons: Herebald.
Müllenhoff neemt niet aan «dass der junge, noch nicht dem knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im bogenschiessen übte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.» Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen ontwassen is?
Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen?
[477] 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te verlichten.
[478] 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald.
[479] 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken.
[480] 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer.
[481] 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac.
[482] 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter.
[483] 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in 't land der Gooten; volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming.
[484] 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac.
[485] 2556 een maag: Hygelac.
[486] den andren: Hadcyn.
De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van Hygelac, Ongentheow doodde.
Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer dan eens gezien hebben.
[487] 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow.
[488] 2560 de hand: van Eofor.
In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld.
[489] 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd.
[490] 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf.
[491] 2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmüller ziet er de Chauci in.
Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen.
[492] 2575-76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen.
[493] 2495-2581 Voor Müllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd.
[494] 2582-86 Ettmüller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen wat Beowulf boven (2495-96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken.
Ettmüller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later heeft uitgebreid.
[495] 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg.
[496] 2600 Heidendom en Christendom.
[497] 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte.
[498] 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn.
[499] 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg.
[500] 2647-49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen schild verleende hem geene voldoende bescherming.
Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg.
[501] 2650-52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben, hetgeen hen nog nooit overkomen was.
Anders Socin: «er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte». Vgl. in voce môtan.
Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting en later het reuzenzwaard, had aangetast!
[502] 2656 minder hevig beet het: het drong in 't geheel niet door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765.
[503] 2666 Zijne stelling: het terrein vóór de schatkamer. Beowulf had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633.
[504] 2667 Naar elders: hij moest sterven.
[505] 2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf.
Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne makkers sloegen op de vlucht.
[506] 2679-80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds tot zwijgen brengen.
[507] 2682 een vorst der Schilfings: der Zweden.
Müllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden.
[508] 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan Beowulf ook verwant was.
[509] 2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar.
Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den inval van Onela in 't Gootenland en zelfs Eánmund had gedood.
[510] 2693 vreugdeloozen zwerver: Eánmund en Eádgils waren bannelingen. Vgl. v. 2447.
[511] 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Eánmund.
[512] 2698 hem: Weohstan.
[513] 2702 hij: Weohstan.
Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel:
Weohstan heeft Eánmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal, aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Eánmund, den zoon van Ochter, zijnen broeder.
Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.
Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van edelmoedigheid.
[514] 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf.
[515] 2715-19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14.
[516] 2732-34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te overleven.
[517] 2738-40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van ons twaalf te sterven.
[518] 2713-42 Müllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering te houden, vooral met het oog op v. 2730-31. Buitendien schijnt de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden genomen. Vgl. 2675 vlg.
Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti in den mond worden gelegd en welke Saxo in 't Latijn weergeeft.
De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt.
[519] 2741-43 Wij beiden zullen te zamen strijden.
[520] 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm.
[521] 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690.
[522] 2778 Hij: Beowulf.
[523] 2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd, waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764.
[524] 2795 naar elders: naar de hel.
[525] 2809 met water: er ontsprong immers eene beek.
[526] 2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher.
[527] 2819-20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen.
De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren, zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow, doch vooral bij Beowulf.
[528] 2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes).
[529] 2835 den sluimer: doodslaap.
[530] 2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer.
Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning.
Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene, rechts van den ingang, de voornaamste.
Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht, de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen.
Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus op de onderste eereplaats.
De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde door den voornaamsten gast.
Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820, 2063, 2027.)
De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst.
Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de tafels of banken naar den bodem in 't middenvak der zaal waren verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303).
[531] 2850 het leger: het goud. Ettmüller.
[532] 2852 Ook (zag hij) kruiken staan.
[533] 2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas.
[534] 2866 de krijger: Wiglaf.
[535] 2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf.
[536] 2877 de bode: Wiglaf.
[537] 2878 door 't goud genoopt: genoopt door 't verlangen om het goud aan Beowulf te toonen.
[538] 2896 hier: op aarde.
[539] 2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten.
[540] 2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk.
[541] 2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter dichterlijke benaming in.
[542] 2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen.
[543] 2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen.
[544] 2917 Christelijke inlassching.
[545] 2924-41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats.
[546] 2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken.
[547] 2955-57 Inlassching.
God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen, dat hij de meester is.
[548] 2962 de schuwbren: de tien lafaards.
[549] 2969 de beste nl. helmen en pantsers.
[550] 2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar deze hem in den steek lieten.
[551] 2978 Ofschoon Müllenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens v. 2980-82 zeer bescheiden heeten.
[552] 2981 hij: de draak.
[553] 2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus, Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark), waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven.
[554] 2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen.
[555] 2992b-93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex acie recessisse. Tacitus, Germ. 14.
[556] 2995 het landgoed: Beowulfs hof.
[557] 3001 die: een bode.
[558] 3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch gebruik.
De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren 's nachts bij het lijk blijven waken.
[559] 3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de vierde maal in herinnering gebracht.
[560] 3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der geschiedenis.
[561] 3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge.
[562] 3029-30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden.
[563] 3031 hem: Hadcyn, de Goot.
[564] Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed.
[565] 3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63.
Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen.
[566] 3042-44 Hij wilde hen in 't gevecht dooden door het zwaard en de overgeblevenen ophangen.
Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde der vogels.
[567] 3046 den hopeloozen: den Gooten.
[568] 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden.
[569] 3058 het varensvolk: de Gooten.
[570] 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden.
[571] 3063 Zij: de Gooten.
[572] hun: de Zweden.
[573] 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen; Hredel zelf was immers gestorven.
[574] 3068a dit ziet op de ontknooping.
[575] 3069 hem: Ongentheow.
[576] Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten.
[577] 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar Wulf, die hem dezen slag had toegebracht.
[578] 3075 zoon van Wanred: Wulf.
[579] 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk.
[580] 3089 hun: aan de Gooten.
[581] 3090 Eofor beroofde Ongentheow.
Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring te voorkomen.
Oorlog met de Franken of Friezen.
Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar halskleinood meester. XIX.
Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig schilden op den arm, door in 't water te springen, nadat hij al zijne Frankische aanranders had verslagen. XXXIII.
Beowulf doodt den Frank Däghrefn met de vuist, zoodat deze in de onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV.
Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap tusschen Gooten en Franken. XL.
Oorlog met de Zweden.
Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred.
Eerste oorlog:
XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac, ofschoon de eerste bij 't Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.
XL, XLI. Verhaal van den bode:
De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). 's Morgens daagt Hygelac op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049 vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan (3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow (3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld moeten ruimen.
Tweede oorlog:
XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden, en Beowulf beklimt den troon.
XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Eánmund en Eádgils, die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een inval in 't land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den troon beklimmen.
Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt, wreekt Beowulf Heardreds dood door Eádgils te ondersteunen, die Onela van 't leven berooft.
[582] 3096 de Gootenkoning: Hygelac.
[583] 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252.
[584] 3101 Niemand schatte het loon te gering.
In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning toegekend als hier door Hygelac. Bugge.
[585] 3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene huwbare dochter zou gehad hebben. Müllenhoff stelt te recht deze verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt, dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan ik hem geen gelijk geven.
[586] 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels slachtoffers.
[587] 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt wel wat laat.
[588] 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel.
[589] 3118-22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de heele schat in den lijkheuvel begraven werd.
[590] 3124-27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her patron, is compelled to wander abroad. Thorpe.
[591] 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen.
[592] 3131-35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving.
[593] 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg.
[594] 3003-3137 Müllenhoff ziet er het werk van den interpolator in.
[595] 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen.
[596] 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in 't land der Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder: aan den voet.
[597] 3146-47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst.
[598] 3152 't genot der luchten: genotvolle lucht.