Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 22
[272] 1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare rivier was.
Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385.
Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae, waar deze in den vorm van ravijn uitmondt.
Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een hert zich zou kunnen redden 1394.
Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren.
Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt, vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts duinen en zandheuvels te vinden zijn.
Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke phantasie is toe te schrijven. (?)
[273] 1399-1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de volkssprookjes te Roeskilde.
Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen?
[274] 1410-15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf, den man van het Noorden «met daden in de vuisten.» Daarom kan ik mij niet met Ettmüller vereenigen, die 1412-15 uitwerpt, als zijnde te zeer zinspreukig.
[275] 1433 d'ontzielden man: Aschere.
[276] 1435 der eedlen telg: Hrodgar.
[277] 1439 hij: Hrodgar.
[278] 1456 zeilstraat: Zee.
[279] 1460-1469a Müllenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel!
[280] 1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel vuur als zwaard beteekenen.
[281] 1489 angstwegen: het krijgspad.
[282] 1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over Brecca's zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht.
[283] 1499 met d'andere: Beowulf.
[284] 1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper.
[285] 1506 voor mij: in stede van mij.
[286] 1516-18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483.
[287] 1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten.
[288] 1523 Vgl. v. 1392 vlg.
[289] 1525-28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer was gedoken.
[290] 1532 dat: zoodat.
[291] 1525-40 Müllenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen, hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken, tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats, kan opwegen.
[292] 1544-45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er, zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588.
[293] 1547 slagzwaard: Hrunting.
[294] de vreemde: Beowulf.
[295] 1551 strijdstraal: zwaard.
[296] 1560 't gebloemde zwaard: gedamasceerd.
[297] 1573 de moegezwoegde: het monster.
[298] 1587 hij: Beowulf.
De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge.
[299] 1585-87 Inlassching.
God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg.
[300] 1592 een ander krijger: dan Beowulf.
[301] 1594 hij: Beowulf.
Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans, die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast het gevecht met den draak gelegd worden.
[302] 1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna wegsmelten. Vgl. v. 1638.
[303] 1605-23a Müllenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval, om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels moeder doodt.
[304] 1632 het negende uur: drie uur 's namiddags.
[305] 1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar.
[306] 1635 de vreemden: de Gooten.
[307] 1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop teruggekomen. Vandaar dat Müllenhoff 1638-43a verwerpt.
[308] 1645-46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848.
[309] 1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er één, nl. Hondsció door Grendel gedood.
[310] 1674 medeërf: Heorots onmiddellijke omgeving.
[311] 1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd.
[312] 1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters (v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht.
[313] 1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval.
[314] 1712b-14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717 vlg.) wordt hetzelfde herhaald.
[315] 1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden, aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het Deensche rijk in het algemeen. Socin.
[316] 1721 voorkamps: kamp uit den voortijd.
[317] 1721-26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den zondvloed.
Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter op het zwaardgevest stond ingegrift.
Eene blijkbare tegenspraak.
[318] 1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift, waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend.
[319] 1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe.
[320] 1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad van het verhaal weer op.
[321] 1735 beter: dan ik.
[322] 1740 Vgl. v. 961.
[323] 1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen hem en Beowulf.
[324] 1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig of gedwongen, zijne Denen.
Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid en verlatenheid.
[325] 1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting een blijk van een slecht vorst.
Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland.
[326] 1755-56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel gestraft.
[327] 1767 hij: God.
[328] 1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning.
[329] 1776 de hoeder: het geweten.
[330] 1778 de moorder: de bekoring.
[331] 1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil verzetten.
Müllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de Ephesiërs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei, in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16.
[332] 1783 des boozen geestes: de bekoring.
[333] 1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals hij eerst uit praalzin deed.
Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden ingeslopen is.
[334] 1787-88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door hoogmoed verblind is. 't Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter, dementat.
[335] 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil.
[336] 1803b-4 door de tooverkunsten van het kwade oog.
[337] 1732b-1805 Müllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak (1732-1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar; het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel en al in overeenstemming met het verhaal.
[338] 1812-13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de oude Grieken er ook over.
Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen onderscheiden.
Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241 vlg.)
Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen dag bij het vuur in de asch zaten gedoken.
[339] 1819 het hoofd: van Grendel.
[340] 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer.
[341] 1837 de zeeliên: de Gooten.
[342] 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering).
[343] 1849 Ecglafs zoon: Hunferd.
[344] 1853 't was een moedig strijder: nl. Beowulf.
Volgens Müllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven dan de afkeurende woorden van vroeger: «hier ging zijn roem te loor»? Vgl. v. 1498.
[345] 1855 de heerscher: Beowulf.
Müllenhoff werpt 1848-53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard medebracht. Vgl. 1645 vlg.
Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode gewezen.
[346] 1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde.
Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne taak gekweten heeft.
Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot; den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot, hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen.
Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde, op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt.
[347] 1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder.
[348] 1875 wapenhout: de lans.
[349] 1880-81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt.
In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding der Scandinavische jongelingen.
[350] 1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was, blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten, omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen hoogen leeftijd dacht.
[351] 1889 den zoon van Hredel: Hygelac.
[352] 1894-95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was.
[353] 1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend.
[354] 1901b-4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus Germ. 15.
[355] 1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912-14.
Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe hoop.
[356] 1920 bij de toespraak: in de volksvergadering.
[357] 1924-25 in het geheim
[358] 1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen.
[359] 1935 der dappren stoet: de Gooten
[360] 1941-42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den landgenooten aldaar welkom wezen.
De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid.
[361] 1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg.
[362] 1976 Hygd: Hygelacs gemalin, Häreds dochter.
[363] 1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho, dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert.
[364] 1986-90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter dood brengen.
[365] 1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van een huwelijk.
[366] 1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen.
Hij maakte een einde aan Thrydho's wreedheid, door haar andere gevoelens in te boezemen, als volgt.
Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn rijk in Sleeswijk.
Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige, voortleeft.
Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man, uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood.
Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden, veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en liefhebbende gade.
Deze lezing is, volgens Müllenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt.
Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning van Mercië, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida.
In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin des eersten Offa's overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich ook bij de Kelten en Romanen voortplantte.
Müllenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator B toe.
[367] 1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders over de gehuwde Thrydho.
[368] 1997 geringer gruwlen: in 't geheel geene gruwelen. (litotes.) Cosijn.
[369] 2000 Offa's halle: in het oude Anglië.
[370] 2005 den heldenvorst: Offa.
[371] 2011-12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn helden van de Angelsaksische volksoverlevering.
[372] 2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs woning. Vgl. v. 1971 vlg.
[373] 2016 vanuit het Zuid: het was middag.
[374] 2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor, een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst vertegenwoordigt zijne onderhoorigen.
[375] 2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast, op den tegenovergestelden bankvloer.
[376] 2029 de mannenkoning: Hygelac.
[377] 2032 Hareds dochter: Hygd.
[378] 2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz.
[379] 2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op «het machtig morgenwee» (v. 132-33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien van het door Grendel aangerichte bloedbad.
Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels daden.
[380] 2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord beteekent hetzelfde als vredeweefster.
[381] 2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest.
[382] 2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader.
[383] 2078 Schyldingsvriend: Hrodgar
[384] 2080-81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante.
Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend.
De episode der Headobarden komt hierop neer:
Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda.
Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden, die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken.
[385] 2085 den heer der Headobarden: Ingeld.
[386] 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal is Heorot.
[387] 2088-89 Een der edelen was belast met het bier in te schenken. Vgl. v. 501.
[388] 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader.
[389] 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda's dooder en den Deenschen hofjonker.
[390] 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld.
[391] 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware tot hofjonker werd gegeven.
[392] 2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen.
Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest?
[393] 2119-20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade.
Voorwaar een echt dramatische toestand!
[394] 2121b-23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft, hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt, dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden.
Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.
Immers Müllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot wraak aanzet.
Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit afzonderlijke epische liederen.
Müllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085-2120a) aan inlasscher B toe.
Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat tot de Herulers behoorde.
Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in 't begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes bericht, dat de Denen van uit Scandinavië (Schonen) afzakkende de Herulers uit hun land verdreven.
Müllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast Hrodgar kan optreden.
Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan.
[395] 2127 't juweel der transen: de zon.
[396] 2131 Hondsció Vgl. 756, 1067.
[397] 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid.
[398] 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen, zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen.
[399] 2162-66 Müllenhoff zet deze verzen op rekening van den nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar zijn zanger de Finn-episode voordroeg.
[400] 2167-70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het gedicht. Vgl. v. 1934.
[401] 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli probrum. Tacitus, Germ. 22.
[402] 2206-7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden koning meer.
[403] 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings, waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg.
[404] 2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met een everkop.
De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde, welke aan Beowulf v. 1034-54 door Hrodgar werden gegeven.
[405] 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood was. Vgl. v. 471.
[406] 2221 op 't voetspoor: onmiddellijk hierop.
[407] 2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken geraakte. Vgl. v. 1222 vlg.
Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben.
[408] 2236-40 Toespeling op Heremod.
[409] 2234-47a Müllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd.
Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als knaap ondernam, en van zijne eigen woorden «Menig roemvol waagstuk bestond ik in mijn jeugd» v. 409?
[410] 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve vierkante meter.
[411] 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts de neef was.
[412] 2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt, heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds vijftig jaar over de Gooten heerscht.
Volgens Müllenhoff zijn de verzen 2258-2465 het werk van B, om de twee deelen aan elkaar te verbinden.
[413] bij de strijdonstuimen: bij de Gooten.
[414] 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval.
[415] 2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter, den koning der Zweden.
Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen).
[416] 2263 zijn zegevolk: de Gooten.
[417] 2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar eens voor.
De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden; er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL-XLI op teruggekomen.
In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier slechts ter loops is aangestipt.
[418] 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen, (v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen ouderdom op 120 jaar aanslaan.
[419] 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338.
[420] 2274-78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige letters na is verloren gegaan.
[421] 2279-80a Vertaald naar Bugges gissing.
[422] 2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere straf onderging, wordt niet vermeld.
[423] 2285-86a bij het zien van den slapenden draak.
[424] 2287 op zoek naar eenen ingang: naar een toevluchtsoord. Vgl. v. 2283.