Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 21
[107] 507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang, vóór Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota.
[108] 508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men loslaat.
[109] 529 Heado-raemen. Müllenhoff schrijft Heado-reámen (Strijd-Reámen) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs eá = au).
[110] 531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80.
[111] 592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee.
Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche sage van Egil.
[112] 598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen in den hoogsten graad verafschuwd.
Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche «blague», schijnen er niet op gebeterd te zijn.
[113] 595-99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten zijn.
[114] 604 uw heerscher: aan uwen heerscher.
[115] 607-9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om!
Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten uit te spreken.
[116] 610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken.
[117] 614-15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot.
[118] 631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes.
[119] 632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen.
Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen.
[120] 633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang.
[121] 634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was.
[122] 652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand.
Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen, sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het uitdeelen van geschenken aan elk der gasten.
Mullenhoff ziet in vv. 624-55 eene inlassching, omdat Wealchtheow opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar gezegd, dat hij de zaal verlaat.
Staat er niet v. 934-35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog v. 676.
[123] 665 't bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven tegenover Grendel.
[124] 673 Zoo gij er het leven van afbrengt.
[125] 677b-81 Christelijke overweging.
[126] 679-81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden.
[127] 690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg.
[128] 694-95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen, zooals het eenen ridder past.
[129] 711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens.
Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag.
Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke denkbeelden.
[130] 714b.-23 Ettmüller en Müllenhoff beschouwen deze regels als van lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in aantocht is.
[131] 730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde.
[132] 740 der halle monding: de deur.
[133] 750-51 Hier wordt, als zoo dikwerf in 't gedicht, de ontknooping in het verschiet gesteld.
[134] 755-58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt, is Hondsció, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131.
[135] 760 met hand en voeten: met huid en haar.
[136] 762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf.
[137] 764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota.
[138] 771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538.
[139] 770-73 Overtollige uitbreiding.
[140] 772-73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger, een bloedbad aan te richten.
[141] 781-82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang.
[142] 785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den burcht. Vgl. v. 142 vlg.
[143] 786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik, eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking, oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende.
[144] 793 menig meebank: die in 't midden van de zaal verplaatst waren. Vgl. v. 1260.
[145] 800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83.
[146] 812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum est. Tacitus Germ. 14.
[147] 808-22 Ettmüller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435 vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. Müllenhoff wijst ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk voor. Vgl. Aanmerkingen.
[148] 834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte.
[149] 851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij herhaling terug.
[150] 854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer.
Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar:
«Nog kent gij niet de plek» en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige meer. Vgl. v. 1387 vlg.
[151] 865 Ingelascht vers.
[152] 871 tusschen tweelingzeeën: tusschen Noord- en Oostzee.
[153] 876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo'n pluimpje, ofschoon het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De grijsaard komt mij al te jammerend voor.
Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. «sua... fortia facta gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.»
[154] 881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh voorgesteld.
[155] 886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand.
[156] 889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals.
[157] 892 Fitela: Sinfjötli in de Edda, de oudste zoon en neef van Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond.
[158] 896 der reuzen: Nevelingen.
[159] 900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat der Nevelingen.
Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf daardoor den schat der Nibelungen.
[160] 917 bij 't reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij.
De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne gevangenschap.
[161] 912-16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod.
[162] 920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een levenslange kommer.
Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen verraderlijk gedood werd en in 's vijands handen, d. i. de macht des duivels, geraakte. Ook volgens Müllenhoff slaat v. 918-920 op Heremod.
[163] 922 't vertrek des koenen: van Heremod.
[164] 921-27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde verwachtingen bedrogen had.
Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde.
[165] 927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf.
[166] 929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod.
Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de Sigmund--Heremodepisode met den held van het gedicht.
Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742 vlg. en 2236 vlg.
De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de Noordsche sage van Ali frokni (de koene).
[167] 932 morgenlicht: morgenzon.
[168] 934 het wonderfeit: de arm van Grendel.
[169] 938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle.
[170] 941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd vóór de deur, op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon.
[171] 945-46 Ingelascht.
[172] 957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder «Hredels eenige dochter» kende, al blijft ook haar naam in het duister.
[173] 976 in zijnen tooi: wapenrusting.
[174] 991 de groote dagvaart: dag des oordeels.
Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong.
[175] 1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld.
[176] 1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van den vorigen zin worden opgemaakt.
[177] 1017-20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede.
[178] 1016-22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren, wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld na het feestmaal.
Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel.
[179] 1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur 's morgens en een 's avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen.
Immers het was nog morgen (931-35) en later wordt gezegd, dat zij den ganschen dag tafelden (2171).
Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten somtijds hunne paarden draven (876).
Het feestmaal duurde tot 's avonds. Vgl. 1256, 2171.
[180] 1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent.
[181] 1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke overlevering van zijnen tijd.
[182] 1038 den vorst: Beowulf.
[183] 1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232.
[184] 1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst.
Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr.
[185] 1067 den man: Hondsció. Vgl. v. 2131.
[186] 1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen adem genoemd.
[187] 1069-76 Stichtelijk gerijm.
[188] 1073-76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven.
[189] 1078 Hnäf: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen, koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier vermelde gebeurtenissen.
[190] 1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd.
[191] 1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen.
[192] 1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende Denen. Vgl. 1161 vlg.
[193] 1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen, ofschoon hunne bondgenooten; want Hnäf behoorde tot de Hokingen en Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen.
[194] 1085 't Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren, de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg.
De kamp, waarin Hnäf verraderlijk viel onder de slagen van Finn en zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf.
[195] Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hnäf, en Finns gemalin. In Widsidh heet Hnäf de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd, doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg.
Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettmüller.
[196] 1086 Eotentrouw: Friezentrouw.
[197] lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden.
[198] 1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden 's nachts in Finsburg overvallen.
[199] 1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander stonden.
[200] 1096 Hengest: Hnäfs opvolger als bevelhebber der Half-Denen.
[201] 1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen.
[202] 1099 Zij: de Friezen.
[203] 1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen, alsof het zijne eigen Friezen waren.
[204] 1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders.
[205] 1111 volgens 't oordeel van de raden: in geval van oneenigheid zouden de raadslieden uitspraak doen.
[206] 1112 hunner: Denen.
[207] 1114-15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder van Hnäf.
Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf de dooder was.
1110-11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116-18;
1112-15 dien der Denen.
[208] 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de Friezen en de Denen moest beschenken.
[209] de koenste wapenkrijger: Hnäf.
[210] 1122-24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27.
[211] 1127 op 's broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnäfs brandmijt.
[212] 1130 bij den schouder: van Hnäf.
[213] 1133 heuvel: grafheuvel.
[214] 1137 beide stammen: Friezen en Denen.
Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht:
Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De vorst der Half-Denen, Hnäf, bevelhebber van den Deenschen koning, en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.
Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten.
Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnäf als bevelhebber, en een vredesverdrag komt tot stand.
Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen, worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen door de raadslieden worden bijgelegd.
Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit met het leven boeten.
Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan beide stammen.
Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van Hnäf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft.
[215] 1139-41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij gevolg moet de Finsburg, waar de in 't vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland, maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn.
[216] 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste in schijn.
[217] 1152-56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar, derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken.
[218] 1157-60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren.
Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen.
Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn.
Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn is, evenals Hnäf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal'deens veldheer was.
[219] 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in 't Finsburglied te zamen vermeld worden.
[220] na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken.
[221] 1161-67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze voor:
Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf.
Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en Hnäf verraderlijk gedood had.
Zoo werd de ontknooping bespoedigd.
Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik naar de Aanmerkingen.
Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden tekstwijzigingen met zich brengt.
[222] 1175 de edelvrouwe: Hildeburg.
[223] 1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf.
Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten broeder. Vgl. 62.
[224] 1182 Vgl. 1032 Nota.
[225] 1186-87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds laakbare daad.
[226] 1196 den held: Beowulf.
[227] 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund.
[228] 1200 christelijke opvatting.
[229] 1201-3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was.
[230] 1210 daar: tegenover Hrodgar.
[231] 1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs a). Hij staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk is 't een mythisch wezen.
[232] 1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens bezaten. 't Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda, de beroemde halsband van Freyja.
[233] 1217-20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband, had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf.
[234] 1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de 4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage.
Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen burcht verborg.
Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook:
2047 Wilen tere stonden Hadde mine here mijn vader vonden Des conincs Ermelincx scat In eene verholne stat.
2374 Daer suldi vinden oec die crone Die Ermelync die coninc droech.
[235] 1222 en koos zich 't eeuwig heil: hij trad in een klooster; zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt.
B. Symons toont aan, hoe deze plaats van 't gedicht den sleutel geeft tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt.
Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat.
[236] 1223 des rings: Beowulfs halssieraad.
[237] 1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding.
[238] 1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was.
[239] 1226 hij sneuvelde.
[240] 1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen tocht terug: XXXIII, XXXV, XL.
[241] 1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de overmacht bukken (Vgl. v. 3020.)
[242] 1240 mijn zoon ook: Ettmüller maakt de opmerking, dat Wealchtheow den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal regeeren.
[243] 1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam en wilvaardig.
[244] 1255 met menig edele: nochtans liet maar één ridder nl. Aschere er het leven.
[245] 1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had vóór zijnen strijd met Grendel beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van Heorot. Vgl. 614 vlg.
[246] 1259 als vroeger: voor twaalf jaren.
[247] 1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken of kermisbedden te plaatsen.
[248] 1262 Wie die beór-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere, daar er geene verdere melding van wordt gemaakt.
Probably some lines are wanting. Thorpe.
[249] 1267-71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi armati agunt. Tacitus Germ. 13.
Ad convivia procedunt armati ib. 22.
Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen.
[250] 1273 een: Aschere.
[251] 1278 een wreker: God.
[252] 1277-79 Christelijke voorstelling.
[253] 1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk.
[254] 1292 die: Beowulf.
[255] 1283-99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen.
[256] 1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte.
[257] 1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota.
[258] 1304 een omkeer: eene verandering ten kwade.
[259] 1306-8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder minder schrik in dan dat van haren zoon.
Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels moeder overwon.
[260] 1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen.
[261] 1315 wien overviel de vrees nl. de Denen.
[262] 1318 een ridder: Aschere.
[263] 1325-26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur had neergelegd.
[264] 1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder hadden hun slachtoffers geëischt.
[265] de vorst: Hrodgar.
[266] 1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch.
[267] 1355-57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn.
[268] 1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden, zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader v. 1363.
[269] 1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340.
[270] 1368-69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen, zooals een vorst pleegt te doen.
[271] 1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom.