Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 20

Chapter 203,638 wordsPublic domain

Zou eordhbûendra «landbewoners, menschen» niet in den engeren zin van burchtbewoners kunnen opgevat worden; ofwel is soms eardbûendra «goed-woonbewoners» te lezen?

Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel van meer bevoegden onderwerp.

B. ten Brinks gegronde opwerping is dan ontzenuwd.

DRUKFOUTEN.

Eenige teekens zijn met onduidelijke letter gedrukt:

Bl. 97, regel 22-23, lees: zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd worden.

Ib. regel 26, lees: òfer lágustráetè.

Bl. 98, regel 11, lees: × ´ -` ×´ × ` ^.

Ib. regel 16, lees: ^ -´` × -´ ×`.

Bl. 147, v. 136, lees:

Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.

Zinstorende fouten zijn de volgende:

Bl. 106, regel 18, staat:

De metaphoor of uitgewerkte vergelijking; lees: .... of onuitgewerkte vergelijking.

Bl. 118, regel 7-9, staat:

De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den eenzamen schatbezitter uit de Hredelepisode en in Beowulfs laatste woorden tot Wiglaf; lees: ... in de rede van den eenzamen schatbezitter, in de Hredelepisode en in Beowulfs laatste woorden enz. Andere misstellingen, als verkeerd geslacht, verkeerde interpunctie enz. gelieve de lezer zelf te verbeteren.

AANTEEKENINGEN

[1] De reeds vermelde Beowulf (Biewulf) is een Angelsaksisch gedicht der VIIIe eeuw, dat misschien wel nooit uit dien tongval in het Dietsch werd overgebracht, maar toch in de volste mate onze belangstelling verdient, om het tooneel, waar het speelt--op de Noordzeekusten, op de Maas en de Niers--en om de nauwe verwantschap, welke er bestond tusschen onze vaderen en den Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen als geloofspredikers zond en wiens taal zooveel overeenkomst met die der Friezen heeft.

Everts, Geschiedenis der Nederlandsche Letteren, blz. 8.

[2] Origines du Duel Judiciaire par le P.-C. de Smedt, Paris 1894. (Extrait des Etudes Religieuses, Philosophiques, Historiques et Littéraires).

[3] Celebrant carminibus antiquis, quod unum apud illos memoriae et annalium genus, Tuisconem deum terra editum et filium Mannum, originem gentis conditoresque. Germ. C. 2.

[4] Caniturque adhuc barbaras apud gentes. Annal. II, 88.

[5] De origine actuque Getarum C. 3. Uitgave van Savagner, Paris, 1883.

Hier zijn de volgende teksten nog bij te voegen: Quemadmodum in priscis eorum carminibus paene historico ritu in commune recolitur. ib. C. 2.

Adhuc hodie suis cantionibus reminiscuntur C. 4.

Ut ipsi suis fabulis ferunt C. 5.

Vgl. Kurth, Hist. Poét. des Mérov. Chap. I. Les Sources.

[6] Kurth t. a. p.

[7] Jonckbloet wijst er reeds op, dat bij Gregorius van Tours in de eerste boeken een zwakke, maar toch duidelijke nagalm van de heldensage vernomen wordt. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 69.

[8] Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 25.

[9] Vgl. Kurth, bl. 486.

Deze wet, welke hij met den naam van transfert épique bestempelt, doet zich vooral in de Frankische sage gelden. Zoo maakte in de voorstelling van het volk Clovis plaats voor Dagobert I en deze voor Karel Martel, tot de laatste eindelijk in Karel den Grooten opging, bij wien het epos, als verblind door zijnen glans, bleef staan.

[10] Kurth, blz. 225-26.

[11] Kurth, blz. 3.

[12] Kurth, blz. 334.

La défaite c'est la muse épique par excellence!

L. de Monge. Etudes morales et littéraires. II, blz. 67.

[13] Onze eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich voorzeker niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige volksepos, en toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in Frankrijk aan, waar dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters, beeldhouwers, schilders en geleerden de nederlaag van hun «année terrible» als om strijd trachten om te scheppen; terwijl het zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht, om het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken.

Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine gevonden.

[14] Kurth, bl. 344.

[15] Müllenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van eenen walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn.

In de ontdekking van zulke versteende overblijfselen ziet Kurth de verklaring van het zoozeer verbreide volksgeloof aan het vroegere reuzendom.

Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de Origines Antwerpianae van Goropius Becanus gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt, die den naam van Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen op de aldaar bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den reus zouden zijn.

Becanus, die als natuurkundige zich minder met hersenschimmen paaide dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van een olifant is en bewijst het door het versteende geraamte van zulk dier (mammouth?) te beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het aanleggen van het kanaal van Willebroek opgedolven had.

Génard in zijn prachtwerk Anvers à travers les âges spreekt integendeel van walvischbeenderen.

[16] Kurth, blz. 342.

[17] Kurth, blz. 338, 528. Jonckbloet I, 71. Kurth is niet ongenegen in de Hugen met Ettmüller, Van den Bergh en Winkler de Chauci van Tacitus te zien.

[18] Zoo duidt ook Nathanael Müller den naam van Beowulf.

Thorpe ziet er eene samentrekking in van beadowulf d. i. strijdwolf; Cosijn verklaart den naam door «zegewolf»; anderen zien er weer «bijenwolf» d. i. specht in.

[19] P. u B. Beiträge: Sceâf in den Nordischen Genealogien, door Sievers.

[20] Wij vertalen op het voorbeeld van Cosijn Geátas door Gooten, want Angels. eá vertegenwoordigt de Nederl. scherplange oo. Zoo laten wij de verschillende meeningen onaangeroerd en voorkomen wij tevens de verwarring met de vermaarde Oost- en Westgoten der geschiedenis.

[21] P. u. B. Beiträge, XVII: Goten und Ingvaeonen.

[22] Het scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te staan, omdat zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen bogen, maar al te zeer in Noordschen nevel gehuld is.

[23] Het Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en nochtans worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van de spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den aard onzer taal.

De Germaansche talen hebben dit voor op de Romaansche, welke hunne toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en Latijn, dat zij door middel van de samenstelling nieuwe woorden uit eigen boezem kunnen scheppen.

«Stel wachters bij de bronnen!» Doch de wachters laten deze levende bron onzer moedertaal van lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er bij gebaat zijn, wanneer het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche regelmatigheid, ten laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal hebben afgelegd?

Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk in de poëzie, vandaar dat de dichters ze niet versmaden, zelfs degenen die er den staf over breken, als b. v. Bilderdijk.

Ik lees in Urzijn en Valentijn:

Maar kunstgeleerde dapperheid Betemt het woest geweld.

Hij schrijft goudgevloekt, godverwaten, kunstversierd, landverwezen, wondgeslagen en andere.

Schaepman bracht aan den dichter van «het Menschdom verlost» deze verkeerde woordverbindingen onder het oog, doch deze wees den beoordeelaar op zijn eigen vers in de Keizersklok:

Zoo roept de wapenbode In 't goudgestikte kleed.

Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja «met onbeklemde borst» aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in?

Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.

Wat verstaat men door den aard onzer taal?

Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen.

Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche poëzie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten.

Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het Grieksch en Sanskrit te wijzen.

Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur van het huis?

Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen, zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op.

Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek, koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter, regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak, enz. enz.

Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:

«De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is, omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen: vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.»

Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte voetjes der Chineesche dames.

Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk, wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht, luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig, kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen, vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek, het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk, levensgevaarlijk, enz. enz.

Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen der gewestspraak.

Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren, den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op éene lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde woorden, in plaats van hun «moers taal» te spreken, om het met Kegge onbewimpeld uit te drukken.

[24] Het Fransche volksepos «La Chanson de Roland» is van Germaanschen oorsprong.

Vandaar de eigennamen als Durandal voor Roelants zwaard en Joyeuse voor dat van den Keizer «à la barbe fleurie».

[25] 4 Scheving: zoon van Scef of Sceáf, welke naam Schoof beteekent. Vgl. v. 47 Nota.

[26] 5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen op. Ettmüller.

[27] 15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn voorafgegaan, moesten kenmerken.

[28] 18 hem: Beowulf, zoon van Schyld.

[29] 14b-18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand.

[30] 19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen held Beáv of Beóv zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot, den held van het gedicht.

[31] 20 de Schedelanden: het Denenrijk.

[32] 24 in d'ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden.

[33] 28b Ingeschoven.

[34] 31 Schildings: Denen.

[35] 42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36.

[36] 47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Anglië wordt ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld, maar aan Sceáf, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer, den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede:

Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Sceáf (Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones et Gothos constituta.

Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettmüllers inleiding.

Volgens Nathanaël Muller moet Sceáf de Germaansche Ulysses geweest zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae terras... Germ. Cap. 3.

De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met de sage van Sceaf overeen.

[37] 48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken van de aanwezigheid eens konings. Ettmüller.

[38] 53 beneên de wolken: op aarde.

[39] 56 Schyld was gestorven.

[40] 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene leemte vertoont.

[41] 64 Schilfing: Zweed.

Ettmüller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende, van Beowulf den Goot, die nochtans de held van 't epos is. Een bewijs, onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is.

[42] 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7.

[43] 73-74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel «is ten eenenmale onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen de historie hier licht geven.» Cosijn. Ook werpt hij het vers uit, evenals Ettmüller.

[44] 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot.

[45] 83-86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX.

[46] 90b-103a Ingelaschte verzen, volgens Müllenhofs indeeling, terwijl Ettmüller minder juist ook 103b-106 verwerpt.

[47] 107-118 Ingeschoven plaats.

[48] 115-118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten van Kaïn afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke oudheid. Vgl. v. 1283 vlg.

[49] 119 hij: Grendel.

[50] 127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614.

[51] 129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127.

[52] 151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar winters te tellen.

[53] 160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude rechtspleging.

[54] 161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd.

[55] 164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en schildknapen der middeleeuwen.

[56] 172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte Grendel zulks niet.

[57] 168-73 Inlassching.

[58] 179 Den Godentempels. Ags. hearg-träf. «Götterzelt, Tempel.»

De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus zoowel «heilig bosch» als «tempel».

Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars burcht een offerwoud bevond.

En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het Herthadal, vroeger ook het «heilig woud» geheeten, hetgeen volgens de oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich het Herthameer, dat vroeger het «heilig meer» genoemd werd.

Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar van Merseburg.

Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg, het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, «Goten und Ingvaeonen».

Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich volgens hem niet op Rügen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist het Herthameer in de nabijheid van Lerje.

Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst.

[59] 181 wurggeest: duivel.

[60] 183-191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen wij reeds in de Inleiding.

[61] 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar.

[62] 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op.

[63] 199 de Gooten. Vgl. Inleiding.

[64] 206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn.

Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven Vgl. v. 2047.

[65] 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant Tacitus. Germ. 10.

[66] 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand.

[67] 216 Het was hoog tij.

[68] 220 gebonden kiel: beslagen kiel.

[69] 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat.

[70] 228 Wederlieden: Gooten.

[71] 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden, hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt: Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961.

[72] 252 uwer een: Beowulf.

[73] 253 huisman: in tegenstelling met edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann, der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof zu eigen hat. Socin.

[74] 285-87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in 't ongeluk zijn!

Nuchtere opmerking van interpolator La Palice.

Müllenhoff schrapt 282b-284.

[75] 296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960-61.

[76] 305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum gestant. Tacitus, Germ. 45.

Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben.

[77] 308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje en omstreken:

De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer 5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering, zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden vroeger nog te zien zijn geweest.

In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee, welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313); hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen (309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken.

[78] 312 De machtige: Hrodgar.

[79] 331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt.

[80] 333 Kamper: Wulfgar.

[81] 338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren maar met hun vijftien. Vgl. v. 211.

[82] 359 bij de schouders: ter zijde, niet recht vóór hem.

[83] 373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een Wulfing, gepleegd en «had Beowulf meegenomen». Cosijn.

Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen, een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon beklommen. Vgl. v. 469 vlg.

[84] 377 vriend: Hrodgar.

[85] 378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de Wulfings. 't Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn.

[86] 382 Wester-Denen: Denen.

[87] 392 Oost-Denen: Denen.

[88] 399 De sterke: Beowulf.

[89] 401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve buiten moesten blijven.

[90] 402 de wapenstoute: Wulfgar.

[91] 416 Vgl. v. 206.

[92] 423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet te zien op v. 585.

[93] 429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370 vlg.

[94] 435-36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen.

[95] 442b-43 Christelijke wereldbeschouwing.

[96] 448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd.

[97] 454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode gewasschen en gekleed.

De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam.

[98] 458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de Volundarkvitha der Edda.

De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is, volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt.

In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald:

Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door 's konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten.

Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de tanden borstspelden voor de koningsdochter.

Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het opstel van J. Kleyntjens «Een Eddalied vertaald en opgehelderd,» voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch België over de Oudnoordsche letteren verschenen is.

L'Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894-95.

[99] 459 Het noodlot is onwankelbaar.

[100] 464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten minste als nauw ermede verwant.

Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven, vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466).

Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De plaats is vrij duister.

Müllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis.

Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld wordt, is in de Duitsche heldensage bekend.

Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman van Diederik van Bern (Theodorik de Groote).

[101] 466 hem: Ecgtheow.

[102] 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota.

[103] 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken Grendel.

[104] 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het nachtleger. Vgl. v. 1260.

[105] 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden.

[106] 501 aalkan: bierkan.