Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 2
De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in levenden lijve voor het voetlicht.
Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.
Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen geven van
DE BESCHAVING IN DEN BEOWULF.
Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving, zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden.
Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden.
Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours, wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving, niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden.
Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling, waarop wij ons geenszins bij de «Noordsche barbaren» verwachten, en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen.
Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk, geestelijk en zedelijk gebied.
Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden.
De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed; hij voert het leger ten strijde.
Van Hrodgar heet het:
Nooit aan de legerspits, als lijken vielen, Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055-56.)
Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst, wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden.
Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen (geogodh).
Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper krijgshoofd.
Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar, De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam, De breede jonglingschaar. (65-68.)
Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten.
De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we, dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:
Geheel mijn hulde Zij wendt zich weder uwaart. (2206.)
De dienstman ontving van den vorst: 1º huisvesting en voedsel:
(Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.)
2º zijne wapens; Wiglaf zegt:
Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen En in de hal aan onzen heer beloofden, Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings Vergelden zouden enz. (2715-18.)
3º allerhande geschenken, kleinoodiën, paarden en vooral spiraalvormige ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken; 4º daarenboven een aandeel in den krijgsbuit:
Niet lag aan 't lot wie rooven zou den rijkdom. (3239.)
en 5º ook landerijen. Beowulf zegt van Hygelac:
Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. (2565.)
Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:
Hij was alsdan het eigendom gedachtig, Waarmee hem gene vroeger had begiftigd, De weeldevolle woning der Waegmundings, Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685-88.)
Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen, dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam behoorend eigendom aan enkelen toewees.
De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig.
Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak.
In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet des konings uit.
Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer (Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester (Wulfgar); hofmeester (1835).
Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre van daar.
Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet weelde, dan ten minste welvaart.
Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het medeërf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden.
Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht,
De trots gebouwde zaal in bonten goudglans. Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld Bij 't menschdom, waar de machtige verwijlde. De vuurglans lichtte over vele landen. (310-13.)
Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen:
De baan was bont bevloerd. (321.)
De schepen zijn met een zeil en met kunstig gesmukten steven voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een beker de ronde doet, wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook wijn geschonken. De beschrijving van den drakeschat met zijn schemerenden standaard en kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke de koning ten geschenke geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het goudsmeden, die alleen bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene aanzienlijke hoogte had bereikt.
Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang en de zucht tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de uitrusting.
Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen:
De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis, Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (3123-24.)
Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm draagt een gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal vervaardigd, zoo Beowulfs helm:
Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (1478)
Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het zwaard met deugdelijk ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest overtreft ze alle; enkel aan het schild wordt minder pracht ten koste gelegd; het is gewoonlijk van lindenhout en slechts bij uitzondering van staal en wel dan, als het voor Beowulf zake is zich voor het vuur des draaks te beschutten.
Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is zadel en tuig met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning ondernomen, en alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de voorloopers kunnen beschouwd worden van het zoo geliefkoosde tijdverdrijf der Engelschen.
Stappen wij over tot de verstandelijke ontwikkeling.
De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe ervaring, voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek van het epos aanzien worden.
Hrodgar is de «wijze heerscher» (1428) «door jaren wijs» (1758) «bekend door kundigheden.» (930)
De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak wordt op prijs gesteld. In de Finn-episode treden zij als scheidsrechters op.
Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch zet deze zijn plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn voornemen:
Bij lang niet laakten wijze liên die reize. (208)
Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere, des konings
alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349)
Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den arm genomen:
Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276)
Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op vermaardheid in twee woorden samen:
Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte En wijsheid van gemoed. (1738)
Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven stond bij deze ernstige mannen?
Eene wijze rede wordt op ééne lijn gesteld met het kostbare goud: Beowulf «opent de schatten des woords» (261) en verzoekt om met Hrodgar «den woordenschat te mogen wisselen.» (367)
Voor deze «barbaren» bestond het ideaal van den held niet alleen in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart en geest!
Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.
De kustwachter zegt:
Ja, een scherpe schildman Van beide weet bescheid, van woord en werken.
Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit:
Van geenen man nog hoorde Ik op die jonge jaren rijper rede. Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig, Aan woorden wijs. (1884-87)
Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert, ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!
Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd.
Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog aangeschreven, de kunst om (882) «naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden» d. i. stafrijmen te vinden.
Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden.
Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is, wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens, in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis.
In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der poëzie schering en inslag is van het volksepos.
Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde.
Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde dierbaren:
De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder In klaaggezang. (1130)
Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en vindt nog alleen vertroosting in de poëzie:
Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530)
Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs brandmijt:
Zij klaagden lustverstoken Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings. Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken, Door zorgen aangezet enz. (3262-66)
Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:
Zij wilden weder klagen, weer gewagen Van hunnen koning, weder spreuken konden En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88)
Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van de harp.
Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen, zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.
Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen, zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.
Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend. Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte, De zoete harp, het hout der vriendenvreugde. Te met ontspon hij sproken waar en weevol, Ofwel de grootgezinde koning zette Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. Dan weer begon de grijze wapenvoerder, Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst, Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70)
Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert, waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op, terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit, dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.
Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)
Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.
Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug in zijne verschansing.
Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer: De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht, doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in den rug heeft aangetast.
Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.
Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den toon geven.
De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis der hofgebruiken.
Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het woord dan ook van latere Engelsche vinding.
Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen stempel op het dagelijksch verkeer.
Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust, aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.
Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (241)
Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:
'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger Dan uwer een, dien ridder in de rusting. Voorwaar geen huisman is 't, gedost in 't wapen, Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. (251-54)
Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip.
Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen, alvorens bij den koning toegelaten te worden.
Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche begrippen.
Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter zijde, aan zijnen schouder, want:
Hij kende de handelwijs van 't hof. (360)
Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede, dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt hem eene eereplaats aangewezen.
Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen rang overeenkwam.
Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is teruggekeerd en deze hem «op heusche wijs» ondervraagt, op deze voor hem belangrijke omstandigheid te wijzen:
Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen Van mijn ontwerp. (2062-64)
Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den koning toespreekt. Weidsche benamingen als «de hooge heerscher, de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings» enz. worden hem toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends, niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt.
Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow tot haren heer en gemaal:
Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker, O goudbegever. Wees nu wel te moede, O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten Met milden mond. (1189-92)
Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde het de voorname toon van het hof.
Immers wordt niet van haar gezegd:
Dan Wealchtheow naakte, Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig. Zij groette, goudgekleed, de hallegasten. Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer, De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624-28)
Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979)
Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde edellieden gedroegen:
'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders, Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. (1025-26)
Zij dronken met waardigheid:
Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd Hun hart ophaalden, menig medebeker Met waardigheid ontvingen. (1028-30)
Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen te voorschijn.
Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is; doch dit vergde de wellevendheid.
Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel:
Hij schatte dit geschikt een kampvriend En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer Van 't staal met woorden. (1851-53)
Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken?
Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed; dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die hen deden handelen.
Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil heeft bereikt.
Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.
Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de Denen aangericht, en gedurende al dien tijd
broeide hij voortdurend, De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192-93)
want hij
had der trouwen, Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492-93)
Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige verademing, daar Grendels moeder Aeschere «des konings meest beminden kamper» doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch:
Naar welstand vraag me niet. De nood is weder Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere, Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346-48)
Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer zal weerzien:
Hierop kuste De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings, Der helden besten, zijnen hals omvattend. Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914-17)
Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag.
Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede morgen zal dagen:
Niemand hunner hoopte Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten, Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. (705-7)
Op het punt van in 't grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te strekken, mocht hij er het leven bij inschieten:
Indien ik eens in uwen dienst het leven Verlaat, dat gij voor mij, den overledene, Voortaan vervullen zult de plaats van vader. O, Wees de wachter van de wapenlieden, Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505-9)