Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 19
Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen vader opgestaan 2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten 2380 en naar Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred onder ons niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund geweest zijn, welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom onmiddellijk doodt 2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar ondertusschen zijn vader Ochter schijnt gestorven te zijn.
Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil hij zich op Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot vijand. Eadgils doet eenen inval in het land der Gooten 2394-95, maar wordt door Beowulf gedood 2397.
In Socins stelsel is helm Scylfinga 2382 Ochter en niet Onela, Ongentheówes bearn 2388 kleinzoon en niet zoon, wordt freónd «vriend» van het Hs. in feónd «vijand» veranderd, en gestêpte «ondersteunde» in gestepte van gesteppan: stappen, trekken.
Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor, want 1º Heardreds dood blijft in het duister.
2º Eadgils kan niet naar Zweden terugkeeren, waaruit hij door Ochter verbannen is; daarom vindt Socin er een middeltje op, 't is van Ochter intusschentijds te laten sterven.
3º Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten overeen met de overeenkomstige Zweedsche sage van Ali.
4º Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit pleit er voor, dat hij de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is. Vgl. 61 (Heorogar, Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn, Hygelac).
Afgezien van de handschriftelijke lezing freónd geeft Bugges verklaring rekenschap van alle bijzonderheden, terwijl Heardreds dood bij Socins opvatting de groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat Heardred door den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen.
Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid ware zeker niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan schoon gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan.
62
he gewräc sydhdhan cealdum cear-sîdhum. 2396-97.
er rächte seitdem mit kalten Kummerfahrten. (Grein).
Bugge ziet in cealdum cear-sîdhum de natuurlijke koude, daar de kamp, waarin Adhils (= Eadgîls), volgens de overeenkomstige noordsche sage, Ali (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir plaats had.
Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt cealde cearsîdhas, want gewrecan beteekent wraak nemen over (of straffen) en de ellips van hit (dit, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak voor zijne koude, kommervolle omzwervingen als balling.
63
rîdend swefadh, häledh in hodhman 2458-59.
de rijders slapen, de helden in het graf.
Socin: rîdend, häledh nom. plur.
Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen: «der Reiter schlummert;» er is immers sprake van Herebeald alleen.
64
thâ ic on morgne gefrägn maeg ôdherne billes ecgum on bonan staelan, thaer Ongentheów Eofores niósadh. 2485-87.
Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat de eene broeder (Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar (Ongentheow) heentrok.
Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten overvloede aan: staelan = ten laste leggen, als mnl. banen.
De strijd wordt dus als een rechtsgeding voorgesteld:
Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander (Hadcyn) den dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den dood met het zwaard op hem verhaalde, wreekte.
Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht gesteld, ziet Socin voorbij.
65
symle ic him on fêdhan beforan wolde, âna on orde. 2498-99
Socin verstaat beforan: vroeger, van den tijd, welke toch reeds in symle besloten ligt.
On orde «aan de spits» vergt eenen parallelvorm, daarom geef ik beforan weer door vooraan.
66
sê the aer on folce weóld 2596. aer: «von langen Zeiten her.» Bugge.
Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat deze woorden eerder beteekenen «die toen van zijn volk verlaten was, er niet meer over te bevelen had.»
Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt 2597-2600.
67
sibb aefre ne mäg wiht onwendan thâm thê wel thencedh 2601-2.
Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum Blutsfreunde auf keine Weise beseitigt werden.
Voor hem is onwendan onovergankelijk en sibb nom.
Cosijn wijst er op, dat een intr. onwendan alleen in den zin van «terugkeeren» voorkomt.
Men zal dus wiht als nom. sing. en sibb' als acc. sing. dienen aan te nemen: onwendan is dan «keeren, verhinderen zich te uiten.»
68
ond his mâgum ätbär brûn-fâgne helm, hringde byrnan, eald sweord etonisc, thät him Onela forgeaf, his gädelinges gûdh-gewaedu, fyrd-searo fûslic: nô ymbe thâ faehdhe spräc, theáh the hê his brôdhar bearn âbredwade. 2615-20.
dem Sippen er raubte den braunschönen Helm, die Brünne von Ringen, das enzische Altschwert, das ihm Onela gab, seines Gatelinges Gundgeraethe, das köstliche Kriegszeug.--Nie von diesem Kampf ersprach, obgleich er an Brüders Söhnen Balthaten übte.
Uit deze vertaling van Ettmüller blijkt dat gûdh-gewaedu en fyrd-searo parallel zijn met helm, byrnan, sweord; him 2617 is Eanmund; het onderwerp van spräc 2619 is Weohstan.
De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van het zwaard, dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij, Weohstan, rept nooit een woord van dat wapenfeit.
Grein slaat denzelfden weg in als Ettmüller, als blijkt uit de volgende verzen:
und entführte seinen Maagen den braunbunten Helm, die Brünne die geringte, das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab, seines Verwandten Waffenrüstung, die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach er nicht, obgleich er seines Bruders Gebornen tödtete.
Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel onderhevig. Ätberan beteekent niet rauben, entführen maar aanbrengen, ergens heen voeren.
Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen welke «Maagen» Grein bedoelt?
Ontvoerde Weohstan aan Eanmunds magen d. i. Onela het zwaard?
Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de oorlogswet de overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen?
Ofwel ontvoerde hij het zwaard his magum d. i. ten voordeele van zijn eigen magen, ergo van Wiglaf?
Doch dat druist in tegen 2621, waar volgens Weohstan het zwaard zelf behoudt.
Greins vertaling van «his mâgum ätbär» is dus voor verscheiden uitleggingen vatbaar.
his mâgum ätbär beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan Onela den krijgsroof.
Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist aanmerkt, het enkelv. his maege i. e. Onelan te lezen. Thät him Onela forgeaf: (het zwaard) dat Onela aan Eanmund had gegeven.
thät slaat, blijkens Cosijns terechtwijzing, grammatisch op sweord, logisch op de drie spolia, die 2618 als gûdh-gewaedu worden aangeduid.
his gädelinges, dat onmiddellijk volgt op thät him Onela forgeaf, is niets anders dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele: «het zwaard dat Onela aan Eanmund had gegeven, het strijdgewaad van Onela's Eanmund;» immers «het strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela's) bloedverwant» zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het ééne woord Eanmund.
nó ymbe thâ faehdhe spräc: «Weohstan sprak niet over dat gevecht.» Zoo heet het bij Ettmüller en ook bij Grein; want in dezes vertaling «um die Feindschaft sprach er nicht» kan er zich slechts betrekken op het onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan.
De vraag ligt hier voor de hand, waarom Weohstan nooit sprak van zijn heldenfeit?
Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het antwoord schuldig blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden tot verzwijging, vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die wapens, dat hij ze jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf toevertrouwt, vooraleer deze volwassen is.
Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals volgt:
Ik plaats een punt na etonisc; thät him Onela forgeaf is een hoofdzin; thät is aanwijzend voornaamwoord en him ziet terug op Weohstan; na fûslic kome een punt te staan.
Het onderwerp van nô ymbe thâ faehdhe spräc is Onela en niet Weohstan.
De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft eenen goeden zin:
Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met toebehooren. Onela wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden; hij verweet zelfs niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van zijn eigen broeder, gedood had.
Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche oorlogsrecht, verplicht was zijnen neef te wreken.
Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak is.
69
Byrdu-scrûd 2661
Ik heb dit woord door schild weergegeven; immers Cosijn teekent hierbij aan:
«De beteekenis Schildschmuck, die dienst moet doen om glossatoren uit de verlegenheid te helpen, is geheel verzonnen. In geen geval kan het schild hier gemist worden: ergo is byrne een lapsus memoriae voor bord (schild).»
70
raesde on thone rôfan, thâ him rûm âgeald. 2691
raste gegen den Ruhmvollen, da er Raum ihm gab. Grein.
Het handelt zich hier over den derden aanval van den draak op Beowulf.
Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze «beschikbare ruimte» met den samenhang laat overeenbrengen. Had de draak dan te voren niet genoeg plaats, om aanvallender wijze te werk te gaan?
In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval gewaagd.
Buitendien greep het gevecht plaats niet in het hol, maar aan den ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee eerste aanvallen.
Daarom komt mij Ettmüllers vertaling da er ihm reichlich vergalt gegrond voor; al is het ook waar, dat bij Socin alleen gildan en niet âgildan met de beteekenis van loonen, betalen verschijnt.
71
ne hêdde hê thäs heafolan, ac sió hand gebarn môdiges mannes. 2698-99.
hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de hand verbrandde des moedigen mans.
Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit, dat uit Beowulfs vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het drakenhoofd is gebleken.
Hij vat hoofd in den letterlijken zin op.
Niet zoo Cosijn, voor wien thaes heafolan «capitis sui i. e. vitæ suae» is.
De kracht van ac komt in deze opvatting ten volle uit:
Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand verbrandde enz.
72
feónd gefyldan (ferh ellen wräc) 2707.
Zij velden den vijand (het leven verdreef de kracht).
d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo ook Grein.
Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van zich uit te drukken.
Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke voorstelt:
feónd gefylde, feorh ellen (ellor) wräc.
Cosijn keurt deze lezing goed; ellen komt nog voor in de plaats van ellor: elders; wräc is onovergankelijk op te vatten.
73
hê ofer benne spräc 2725.
hij sprak over zijne wonde.
Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan ofer toe. Men zal nochtans vruchteloos in Beowulfs rede eene toespeling op zijne wonden zoeken.
Daarom geeft Cosijn de keus tusschen post vulnus acceptum en over de wond sc. gebukt.
74
thâ hê bi sesse geóng 2757.
Socin in voce sesse: «nach dem Sitze» en hij voegt er de verklaring aan toe: vor der Drachenhöhle.
Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers Wiglaf trekt wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk gezegd:
gefrägn sunu Wihstânes... hring-net beran... under beorges hrôf: ik heb vernomen dat Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf bracht d. i. er geharnast binnenging.
Buitendien bevindt zich het goud niet voor het drakenhol, maar er in.
75
bill aer gescôd (ecg was iren) eald-hlâfordes thâm thâra mâdhma mund-bora wäs 2778-80.
Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat:
De degen des ouden heerschers (Beowulf)--van staal was het lemmer--had hem (den draak) eer geschaad, die der schatten hoeder was geweest.
Wülcker ziet in aer-gescôd eene samenstelling, evenals Thorpe, en laat bill aer-gescôd afhangen van genôm 2777:
Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met bronzen scheede) van den eersten bezitter (de man van edele afkomst 2234) insgelijks uit de schatkamer mede.
Cosijn leest met Rieger eald-hläforde dat. sing. Men raadplege de vertaling.
76
symle wäs thy saemra, thonne ic sweorde drep ferhd-genîdhlan 2881-82.
Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp van wäs. Cosijn verbindt wäs met Beowulf: en ik begon den maag te helpen (te zwakker werd hij nl. Beowulf) toen ik den levensschadiger met het zwaard sloeg. symle wäs thy saemra is dan een ingelaschte zin.
77
ac wäs wîde cûdh, thätte Ongenthió ealdre besnydhede Hädhcyn Hrêdhling widh Hrefna-wudu, thâ for on-mêdlan aerest gesôhtan Geáta leóde Gûdh-Scilfingas 2924-28.
es ward ja weithin kund, dass Ongentheow des Alters beraubte den Hädkynn den Hredling beim Hrefnaholze, da aus Uebermut zum ersten kamen zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.
Blijkens deze vertaling beschouwt Grein leóde als acc. en Gûdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de Gooten aan en niet omgekeerd.
Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar de Gooten zijn de aanvallers.
Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied.
Verder dient for on-mêdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen tot ontzet opdaagt.
Daar nu de aanvallers alleen «overmoedig» kunnen heeten en niet zij die aangevallen worden, ergo...
Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht.
Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag schonk, ond-slyht âgeaf; dus waren de vijandelijkheden niet van hem uitgegaan.
Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat leóde als nom. en Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden.
78
häfde Higelâces hilde gefrûnen 2953.
Thorpe: he of Hygelac's warfare had heard, hij had Hygelacs krijgsgeduchtheid vernomen.
Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in voce gefrignan alleen aanteekent «erfragen, durch Erzählen erfahren.»
Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij werkelijk door Hygelac verslagen was 2947-49, en niet omdat hij duchtte met Hygelac slaags te geraken. gefrignan beteekent hier: ondervinden, uit ervaring weten.
Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein.
79
under eord-weall 2958.
Niet onder maar vlak bij den aarden wal, als under beorge «bij den berg» 211. Cosijn.
80
freodho-wong thone fordh ofereódon 2960.
sie eilten fürder über das Friedefeld. Grein.
Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral op deze episode het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door freodho-wong «versterkte stelling.»
't Is de fästen of eordh-weall 2951, 2958 en niet de benaming van eene bepaalde plaats Friedensfeld oder Schutzfeld, als Socin aan de hand doet.
81
sydhdhan Hrêdhlingas to hâgan thrungon 2961.
als da die Hredlinge gen Gehöfte drangen. Grein.
Cosijn brengt weer deze plaats terecht:
haga volgens Socin «eingefriedigtes Grundstück, Gehöft, kleines Landgut,» dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij Waterloo.
Bedoeld is de bordhaga of wîghaga, waarbij man aan man met schild aan schild palstaat tegen den aanvaller.
't Is de scild-weall 3119, de Germaansche testudo.
82
ac hê hyne gewyrpte, theáh the him wund hrine 2977.
maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had aangetast.
Cosijn merkt hierbij aan: «Socin blijft hier hine gewyrpan door aufspringen, erheben verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan heb aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.»
Hine gewyrpte: hij herstelde van zijne wonde.
Grein heeft verkeerdelijk «sondern wälzte sich.»
83
thone the aer geheóld widh hettendum hord ond rîce, äfter häledha hryre hwate Scildingas. 3004-6.
Uit geheóld hwate Scildingas trekt Thorpe het besluit, dat Beowulf na Hrodgars verscheiden ook over de Schildingen of Denen zou geheerscht hebben; misschien is voor Scildingas Scilfingas (Zweden) te lezen, zoodat Beowulf, die Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het land veroverde.
Müllenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze herhaling van het gelijkluidende vers 2053.
In alle geval verwerpt hij de wijziging in Scilfingas, omdat juist tegen de Zweden of Schilfingen schat en rijk moest beschermd worden.
Ik zie niet in hoe geheóld t. a. p. regeeren kan beteekenen, ofschoon gehealdan met twee beteekenissen «bewaren, beschermen» en «regeeren» verschijnt.
Geheóld heeft drie voorwerpen: hord, rice, Scildingas en behoort dus eene beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is.
Geheóld hord: «hij heerschte over den schat» geeft geenen goeden zin in de verbinding met de bepaling widh hettendum «tegenover de haatgezinden.»
Integendeel «hij beschermde tegen hen schat, rijk, de Schildings» biedt geene zwarigheid meer aan.
geheóld hord ond rîce doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de Zweden 2392; hwate Scildingas integendeel op zijnen kamp met Grendel.
Grein vertaalt geheóld door er behauptete; onder dit opzicht ten minste wijkt mijne vertaling niet van de zijne af.
84
aer hî gesêgan syllîcran wiht, wyrm on wonge 3039-40
Zij zagen eerst een zeldzamer wezen, den worm op het veld.
Dit «eerst» klinkt nog al vreemd. Cosijn verandert aer in aeft (eft) daarna.
Bugge lascht de ontkenning nê in en neemt eene leemte aan van een vers:
banon eác fundon bennum seócne, (nê aer hî thaem gesêgan syllîcran wiht) wyrm on wonge:
Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd, (nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen dan dit) den worm op het veld.
85
3049-74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten bij de door Bugge gewijzigde volgorde der regels.
Zijne indeeling is: 3070-74; 3075-76; 3059-69; 3077.
Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik 3075-76 er onmiddellijk aan vast, zoodat hê 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf terugziet.
86
näs he gold-hwät: gearwor häfde âgendes êst aer gesceáwod 3075-76.
Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen heeft uitgelokt blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij Ettmüller, wiens verklaring met den samenhang strookt; iets wat voor eene bedorven plaats als deze bevredigend mag heeten.
Eene afdoende oplossing is niet te verwachten.
Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor:
«In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen vóór zijn dood des eigenaars nalatenschap nauwkeuriger beschouwd»; want Wihstan had hem alleen een klein deel der schatten kunnen toonen.
87
nû sceal glêd fretan (weaxan wonna lêg) wigena strengel 3115-16.
nu zal de gloed vreten (wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder.
De parenthese levert geenen op zich zelf staanden zin op; vandaar dat Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten, de zwarte vlam verslinden enz.
weaxan zou parallel zijn met fretan en iets overeenkomstigs beteekenen.
Grein stelt zich de zaak ook zoo voor:
Nun soll die Glut fressen, schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden stärksten.
88
3151-57. Bugge herstelt de gapingen als volgt:
swylce giômor-gyd sió geó-meowle aefter Beówulfe bunden-heorde song sorg-cearig, saede geneahhe, thät hió hyre hearm-dagas hearde ondrêde, wälfylla worn, wîgendes egesan, hyndo ond häftnyd, heóf on rîce wealg.
Wat het laatste halfvers betreft: heóf on rîce wealg:
het gejammer in een vreemd rijk, houd ik het liever met Socin, die met het Hs. leest: heofon rêce swealg «de hemel slurpte den rook op.»
89
.... hornas byrnadh naefre? 1.
branden niet de horens (horentrans).
Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden van de door een der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling weggelaten.
90
Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt:
ac hêr fordh beradh fyrdsearu rincas, flacre flânbogan, fugelas singadh. 5-6.
letterlijk:
maar hier brengen helden het legerharnas aan, den zwaaienden boog, vogels zingen.
18-21 Thâ gyt Gûdhdene Gârulf styrode, thät hê swâ freólîc feorh forman sîdhe tô thaere healle durum hyrsta ne baere, nû hîe nîdha heard ânyman wolde.
Zijne verandering van Gûdhere, een eigennaam, in Gûdhdene, Strijd-Deen draagt Jellineks goedkeuring weg.
hwearf flacra hraew hräfen, wandrode 34.
91
Céled bord 29 «het koude schild» Jellinek.
De oorspronkelijke tekst heeft celaes, waarvoor men gewoonlijk celod leest, dat ook duister is.
Jellineks verbetering céled, koud past zeer goed bij het door den nachtelijken dauw genette schild.
Tot staving hiervan wijst hij op gâr morgenceald «de morgenkoude speer» Beowulf 3023.
92
De vertaling, welke wij van dit raadselachtig brokstuk geleverd hebben, steunt op Socins uitgave van 1883 en volgt in hoofdzaak de zienswijze van Möller.
Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een duidelijk inzicht van het geheel.
Er hapert iets aan Möllers en Bugges opvatting: Garulf, de zoon van Gudlaf, Gûdhlâfes sunu 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn, terwijl volgens het fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een Deen is.
Vandaar dat Möller Gûdhlâfes 33 door Gûdhulfes vervangt. Jellinek ruimt deze tegenspraak uit den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen.
Zijne uiteenzetting komt hierop neer:
Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha, aan de andere door Ordlaf, Gudlaf, Hengest en Garulf.
In overeenstemming hiermede dient na sylf 17 en na Gârulf 18 een punt te staan en die na lâste 17 weg te vallen.
Het onderwerp van styrode 18 is Garulf; Gûdhdene slaat op Hengest.
De vrije vertaling luidt alsdan:
«Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en Hengest zelf. Ook volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde den Strijd-Deen (Hengest) toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij den eersten aanval moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn, nîdha heard, het hem ontnemen wilde.»
Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht terug te trekken, wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt is en hij vraagt diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur, daar waar zich Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt zich daarop bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen.
Ofwel «U staat hier gereed, al wat gij van mij moogt verlangen» d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel ligt er iets uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men aannemen, dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft.
Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst zou kunnen opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de schijnbare tegenspraak met wat volgt opgeheven.
Wij hebben hier te doen met een hysteronproteron d. i. op de ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een verschijnsel waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld aanwijst.
De «gewonde held» wund häledh 43 is een Deen, die zich naar het binnenste des burgs terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat door folces hyrde 46 «de herder des volks» Hengest gemeend is.
Bugges verbetering: hwearf flacra hraew hräfen, wandrode, waar hwearf op ongewone wijze met acc. en niet met een voorzetsel verschijnt, verandert hij in:
hwearf lâdhra hreás, hräfen wandrode: «de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde enz.»
Ten slotte ziet Jellinek in headho-geong cyning 2 «de kampjonge koning» niet Hnäf, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt mij eenigszins duister voor.
Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later vorstenloos theóden-leáse (Beowulf 1104) waren?
B. ten Brink breekt eene lans voor Möllers verklaring:
Indien Garulf, die ealra aerest eordhbûendra valt, tot de verdedigers van den burcht behoort, dan volgt daaruit, dat gedurende vijf dagen niet alleen niemand van de verdedigers viel, maar ook van de aanvallers; hetgeen ongerijmd is.