Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 18

Chapter 183,720 wordsPublic domain

Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats sluit zich bij Socin aan.

Sievers plaatst een dubbel punt na fingras, zoodat foran aeghwylc tot wäs behoort; hij leest stîdhra (hard) in plaats van stêdra (vast):

«van voren was elk der harde nagels het meest gelijkend op staal.»

Cosijn houdt het met het Hs: steda en slaat aêghwaêr (in plaats van aêghwylc) voor, dat met een gen. van plaats verbonden wordt: aêghwaêr steda, op alle plaatsen (waar nagels groeien). Wij krijgen dus:

«Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de punten der nagels) het meest gelijkend op staal d. i. hard als staal.»

25

Nô thät ydhe bydh tô befleónne (fremme se the wille!) ac gesacan sceal sâwl-berendra nyde genydde nidhdha bearna grund-bûendra gearwe stôwe, thaer his lîc-homa leger-bedde fäst swefedh äfter symle. 1003-9.

nicht leicht wirds einem, dem zu entfliehen (vollführ' es wer da will!) sondern suchen soll der Seelentragenden der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder, mit Gewalt genötigt die wartende Stätte, allwo sein Leichnam dann am Lagerbette fest (nach den Mahle) schläft.

Aldus Grein, doch met de beteekenis van symle: beständig. Deze gebrekkige plaats biedt twee moeilijkheden aan:

1º Waarop betrekt zich thät 1003?

Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit aldres or-wêna «aan 't leven vertwijfelend» het antecedent dood opmaak.

2º Ziehier der lange rede korten zin: de dood is niet gemakkelijk te ontvlieden, want iedereen zal sterven!

Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen: lîc-homa is lichaam en niet lijk; leger-bedde fäst is «gekluisterd op het rustbed» en niet op het doodsbed, waarvoor on wälbedde 965 en deádbedde fäst 2902 voorkomt.

fremme sê the wille is eene flauwe opmerking.

Men zou eerder: «volvoere hij wat hij wil» of iets dergelijks verwachten.

26

fore Healfdenes hilde-wîsan 1065

Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de oogen d. i. in tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens krijgsoverste.

Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der Angels. taalkennis zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de moeilijkheid niet uit den weg te ruimen zijn door Healfdenes in Healfdena te veranderen? De vertaling zou luiden:

Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd In 't bijzijn van den vorst der Hallef-Denen

d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen voor elkaar gebruikt worden. Vgl. 1091.

27

thonne heal-gamen Hrôdgâres scop äfter medo-bence maenan scolde. 1067-68.

Na heal-gamen plaats ik een kommapunt en onderversta wäs: nu was er hallevreugd.

Derhalve moet er bij Socin, indien zijn heal-gamen nom. sing. geen vergissing is, noodwendig een scheiteeken volgen.

De uitgevers zien in heal-gamen een acc. afhangende van maenan; thonne leidt alsdan den bijzin in:

(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de hallevreugde langs de medebanken moest verkonden.

Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm: healgamen maênan.

28

thät hê ne mehte on thaem medhel-stede wîg Hengeste wiht gefeohtan, nê thâ weá-lâfe wîge forthringan theódnes thegne. 1083-86

dat hij geenszins vermocht op de onderhandelingsplaats aan (met) Hengest den kamp te kampen, noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te ontrukken aan 's konings veldheer.

Wîg komt tweemaal voor; buitendien zeggen 1085-86 in den grond hetzelfde als de twee voorafgaande verzen.

Waar blijft dan de kracht van nê: noch 1085, dat toch iets anders moet te berde brengen?

Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe verandering van wîg Hengeste wiht gefeohtan in wiht Hengeste widh gefeohtan: Finn kan noch een voordeel verkrijgen, noch datgene behouden wat hij nog bezat.

Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd.

29

hire selfre sunu. 1116.

Sunu is niet acc. sing. als bij Socin en Ettmüller, maar acc. plur.: «die eignen Gebornen.» (Grein.)

30

Gewiton him tha wîgend wîca neósian, freóndum befeallen Frysland geseón, hâmas ond heá-burh. 1126-28.

In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges opvatting der Finnepisode af.

De wîgend: strijders zijn voor hem andere Denen, die inmiddels zijn overgekomen, om hunne vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren, te bezoeken.

heà-burh is dan de Finnsburg en bevindt zich in Friesland.

Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na deze versterking, nog den ganschen, langen winter blijft dralen, alvorens zijn opzet uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een onbeduidend hoopje geslonken zijn?

31

odh thät ôdher côm geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh, thâ the syngales sêle bewitiadh, wuldor-torhtan weder. 1134-37,

totdat een ander jaar gekomen was in het hof, zooals het nu nog doet, indien men voortdurend op den gunstigen tijd let, op het heerlijk heldere weder.

Socin vat thâ the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op; dit laatste ook Grein.

Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn.

De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. thâ zich niet alleen betrekt op geâr; maar ook op een woord, dat volgt, op wuldor-torhtan weder.

Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam, welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom.

Cosijn verdedigt deze opvatting.

Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen:

odh thät ôdher côm geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh, wuldor-torhtan weder, thâ the syngales sêle bewitiadh?

32

worod-raedenne. 1143.

Möller en Bugge vertalen dit woord door Gefolgschaftsverhältnis, leenmanschap.

Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat worod-raedenne alleen «troepschap, troepuitmaking, troep» kan beteekenen. Mijn «wapenlieden» is eene toenadering tot deze beteekenis.

33

swâ hê ne forwyrnde worod-raedenne, thonne him Hûn Lâfing hilde-leóman, billa sêlest, on bearm dyde: thäs waeron mid Eotenum ecge cûdhe. 1143-46.

Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg, die voorslaat, Hûnlâfing niet te scheiden en als den naam van één persoon te beschouwen. De zin is alsdan:

Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te sluiten (tot de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een der samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de Friezen beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede diensten had bewezen).

Moet men Hûnlâfing met Bugge in twee of met Cosijn in een woord lezen? Adhuc sub judice lis est.

Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest niet meer noodig had Finns leenman te worden, daar hij het al was; immers had hij hem niet sinds een jaar als koning aanerkend?

34

ne meahte wäfre môd forhabban in hredhre. 1151-52.

niet kon (Finns) weifelende levensgeest zich houden in de borst.

d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het hoofd, dat ne meahte forhabben: zich niet inhouden, zich niet betoomen beduidt. Vgl. 2610 ne mihte thâ forhabban: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden, maar zijne hand greep het schild enz.

Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat meahte slaan òf op (Finnes) môd òf op Finn zelf.

De zin is in deze veronderstelling:

Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning, nadat Gudlaf en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden verweten. Bij die verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen toorn niet in zijne borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed zich niet betoomen.)

Wie van beiden heeft het ware voor?

35

Ad. 1158.

Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog geschaakte Deensche vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt nergens. Vgl. vert. 1085 nota.

Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is sprake van Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg.

36

heal swêge onfêng 1215.

Socin behoudt de lezing van het Hs. «de hal ontving het gejubel» d. i. de hal weerklonk van het gejubel.

«Maar de uitdrukking is te singulier»; vandaar dat Cosijn healsbêge onfêng: «Wealchtheow ontving de halsboot» voorslaat.

37

druncne dryht-guman, dôdh swâ ic bidde 1232

ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte. (Grein.)

Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel hebben, zooals Sievers zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat moeten zij dan doen?

Sievers verandert dôdh in dô en doet het op het boven aan Beowulf gerichte verzoek slaan.

Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind te blijven en verandert is 1229 in si (sî) d. i. in de bijvoegende wijs. In hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de oude uitgevers dient te raadplegen: «Grade die älteren Editoren haben manchen guten Gedanken gehabt, der nie recht zur Geltung gekommen ist.»

Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij Ettmüller, welke bij thut wie ich bitte aanteekent: «trinket und seid in Eintracht fröhlich.»

Ik stel voor na swâ een komma te plaatsen: dôdh swâ, ic bidde: «doet alzoo, ik verzoek het u.»

swâ ziet alsdan terug op 1229-30 hêr is aeghwylc eorl ôdhrum getrywe enz.

38

beór-scealca sum fûs ond faege flet-räste gebeág. 1241-42.

Grein: der Bierdiener mancher; Socin in voce beór-scealc: einer von Hrodgârs Gefolgsleuten.

Daar sum in beide beteekenissen voorkomt, staat de keus vrij; vooral nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen beór-scealc rept, geene uitkomst oplevert.

39

thaer on bence wäs ofer ädhelinge ydh-gesêne headho-steàpa helm 1244-46.

An der Bank war da offen sichtbar über dem Edelinge der ragendhohe Helm. (Grein.)

Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn dan Beowulf. Of is hier soms béor-scealca sum, ofwel de veel later genoemde Aschere gemeend? Voor Socin, in voce ädheling, is het Beowulf.

Doch Beowulf was er niet, näs Beowulf thaer 1300, later wordt hij geroepen 1311.

Bij gevolg blijft er niets anders over dan het enkelv. ofer ädhelinge in het meerv. ofer ädhelingum te veranderen.

Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche krijgers.

40

thät gesyne weardh, wîd-cûdh werum, thätte wrecend thû gyt lifde äfter lâdhum, lange thrâge äfter gûdh-ceare. 1256-59.

thätte wrecend thâ gyt lifde «dat er nog een wreker leefde» is volgens Ettmüller, Grein en Müllenhoff niemand anders dan Grendels moeder.

Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan lange thrâge, eenen langen tijd?

Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert Grendels dood!

Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder onmogelijk kan bedoeld worden. Grendel had gedurende twaalf jaren in Heorot vreeselijk huisgehouden, na dien langen tijd zou God hem straffen.

Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den christelijken nadichter.

41

thonne wê on orlege hafelan weredon, thonne hniton fêdhan, eoferas cnysedan. 1327-29.

Is het wel noodig met Socin eoferas overdrachtelijk te verstaan voor koene krijgers? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op elkander instormden?

De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij winnen.

Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel wolf geheeten, maar nergens ever: heore-wearh 1268, freca Scyldinga 1564.

Cosijn stelt voor de interpunctie te wijzigen; dan vervalt het boven gezegde.

Hij plaatst thonne hniton fêdhan tusschen haakjes en ziet in eoferas eenen acc. beheerscht door cnysedan:

«Als wij in den oorlog het hoofd beschermden (terwijl de voetknechten op elkander stieten) en de helmevers verbrijzelden.»

42

ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341.

Cosijn bewijst uit andere teksten, dat faehde staelan niets anders kan beteekenen dan «veete, vijandschap bedrijven.»

Socins verklaring: «Grendels Mutter hat uns fernerhin ihre Feindschaft auferlegt» kan dus niet in aanmerking komen.

43

lond-bûend 1346 nom. plur.

Dit zal wel eene drukfout wezen voor acc. plur.

Eveneens fyr 1367, waarbij het acc. sing. en niet nom. sing. moet heeten.

44

thâ wäs hwîl däges, aer hê thone grund-wong ongytan mehte. 1496-97.

er was de duur van eenen dag mede gemoeid, alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken.

Müllenhoff kent aan hwîl däges de beteekenis toe van eine stunde tages en niet ten onrechte.

De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om den bodem van het meer te bereiken, daar hij zich 's morgens op weg begeeft en om 3 uur 's namiddags weer terug is 1601.

Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg. aanstonds, sôna, roodgekleurd zijn?

Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook weer eenen ganschen dag in beslag nemen!

45

swâ hê ne mihte nô (hê thäs môdig was) waepna gewealdan. 1509-10.

Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig) over de wapens te beschikken.

Om wille van de juiste verdeeling van het vers verbinden Sievers en Cosijn de ontkenning nô met de parenthese: nô hê thäs mödig wäs; daar nô als begin van het laatste halfvers meer voorkomt.

46

Oferwearp thâ wêrig-môd wigena strengest, fêdhe-cempa, thät hê on fylle weardh. 1544-45.

Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der strijders, der voetkampers, dat hij kwam te vallen.

Cosijn brengt de vertaling dezer verzen volgenderwijze terecht:

oferweorpan beteekent «omverwerpen» en is overgankelijk. Ter wille van deze plaats fabriceert men een intransitief oferweorpan in den zin van «struikelen.»

De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van andleán Beowulf op den grond. Ze is wêrigmôd, doordat ze on flet gebeáh. In plaats van strengest leze men strengel en voege aan fêdhecempa eene n toe, die het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus fêdhecempan acc.

47

rodera raedend hit on ryht gescêd ydelîce, sydhdhan he eft âstôd. 1556-57.

Sorin verbindt in voce ydelîce dit laatste met âstôd:

de hemelbestuurder besliste het volgens recht, met gemak stond hij daarna weder op

In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende wijze, waarop hij de scheiteekens plaatst, immers het komma na ydelîce moet wegvallen en na gescêd staan.

Sievers verbindt ydelîce met gescêd:

God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond Beowulf weder op.

Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling.

Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf weder laat opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat bemerken.

Vgl. v. 1662: «God verleende mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag hangen.»

48

hwîlum hê on lufan laetedh hworfan monnes môd-gethonc, maeran cynnes. 1729-30.

Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan den hartelust eens mans van vermaard geslacht.

Cosijns verklaring geeft niet alleen aan lufa = liefde de juiste beteekenis, maar past ook het beste in den samenhang:

God laat zijnen geest (môd-gethanc) verkeeren (ontbranden) in liefde (on lufan) voor eenen man enz.

Heyne-Socin kennen aan lufa de beteekenis van «Grundbesitz, Ländereien» toe, ofschoon zij luf-tâcen 1864 door «Liebeszeichen» heáhlufan 1955 door «hohe Liebe» en lufian 1983 door «lieben» weergeven.

49

heht thâ se hearda Hrunting beran, sunu Ecglâtes, heht his sweord niman, leóflîc îren; sagde him thäs leánes thanc. 1808-10.

Deze plaats is voor verschillende verklaringen vatbaar. Grein vertaalt:

Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert empfangen, das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe.

Het onderwerp van heht 1808 en 1809 is se hearda d. i. Unferd; sunu Ecglâfes is bijstelling van se hearda.

Integendeel, het onderwerp van sägde is Beowulf.

Zoo blijft de lezing van het Hs. leänes, dat «loon, vergelding» beteekent, doch hier dienst moet doen in den zin van «geschenk, Liebesgabe.»

Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen, dat Beowulf het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets waarvan het gedicht geene melding maakt.

Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd? Buitendien biedt het onderwerp van sägde iets onregelmatigs aan, want het is niet hetzelfde als dat van heht in den onmiddellijk voorafgaanden zin.

Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die onregelmatigheid langzamerhand gewend heeft.

Grundtvig slaat eenen anderen weg in:

De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen aan Ecglafs zoon, hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard te nemen, hij (Beowulf) zei hem dank voor het geleende.

Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk; sunu nom. is suna dat. geworden en het minder gepaste leánes zeer gelukkig veranderd in laenes: het geleende (zwaard).

Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht sunu, de lezing van het Hs., te behouden: sunu. is acc. sing.; heht 1809 sleept eenen acc. c. inf. na zich.

heht sunu Ecglâfes his sweord niman: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon zijn zwaard zou terugnemen.

Socins slordige interpunctie brengt hier alweer op een dwaalspoor. Ofschoon hij in sunu acc. sing. ziet, deelt hij den zin juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na Ecglâfes wegvallen; anders blijft de zin raadselachtig.

50

gif him thonne Hrêdhrîc tô hofum Geáta gethingedh. 1837-38.

indien dan Hredric aan het hof der Gooten een verdrag sluit.

gethingan: «einen Vertrag machen.» Socin.

Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat gethingan beteekent besluiten (te gaan), het verbum meandi zijnde uitgelaten; dus zich opmaken.

51

hruron him teáras blonden-feaxum: him wäs bega wên, ealdum infrôdum, ôdhres swîdhor, thät hîe seodhdhan (nê) geseón môston. 1873-76.

Bugge voegt nê 1876 bij; immers Hrodgars tranen zijn dan vooral verklaarbaar, wanneer hij vreest, dat hij Beowulf niet meer terug zal zien.

Socin teekent bij infrôdum dat. plur. aan. Ik vraag me te vergeefs af, hoe het meervoud kan gewettigd worden.

Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier doen? Is Hrodgar en Beowulf gemeend, dan is de keuze van het woord wat den laatste betreft niet gelukkig.

52

oft nô seldan hwaer äfter leód-hryre lytle hwîle bon-gâr bûgedh. 2030-32.

Bugges verandering van hwaer «ergens», dat vrij kan gemist worden, in waere schijnt mij prijzenswaardig toe.

Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust de moordspeer door vergelijk (waere) eenen korten tijd na den val des vorsten.

Freawares «mariage de raison» mag wel een vergelijk heeten.

53

Socins unfaecne nom. sing. 2069 in plaats van acc. sing. is blijkbaar eene drukfout.

54

hió thät lîc ätbär feóndes fädhmum. 2129.

Socin in voce fädhm: «instr. plur. feóndes fädhmum».

Hij laat dus feóndes van fädhmum afhangen, hetgeen den volgenden zin geeft:

Grendels moeder vervoerde het lijk door de hand des vijands d. i. door hare eigen vijandelijke hand.

Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel eenvoudiger feóndes met lîc te verbinden: «het lijk des vijands»?

55

gên is eall ät thê lissa gelong. 2150-51.

geheel mijne liefde wendt zich nog uwaart.

Bugge vat gên op als weder, opnieuw:

Mijne geheele liefde wendt zich weder uwaart nl. zooals vroeger.

Zóó is de zin veel natuurlijker.

56

hêt thâ in beran eafor, heáfod-segn. 2153.

heáfod-segn is eene verklaring van eafor en beteekent de voornaamste banier, evenals in het voorgaande vers ic lyt hafo heá fod-mâga «ik heb luttel hoofdverwanten» heá fod-mâga «voornaamste verwanten» wil zeggen.

Cosijn slaat het compositum eoforheáfodsegn (everhoofdbanier) voor.

57

näs him hreóh sefa ac hê man-cynnes maeste cräfte gin--fästan gife, thê him god sealde, heóld hilde-deór. 2181-84.

Socin, in voce healdan, brengt onder meer deze plaats overeen met 1955 welke behelst: hióld heáh-lufan «zij bewaarde hooge liefde.»

Diensvolgens zou het hier moeten luiden: «hij hield d. i. bewaarde de geweldige gave,» the greatest strength possess'd bij Thorpe.

Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt:

nicht war das Herz ihm wild, sondern mit der grösten Kraft vom ganzen Menschenvolke hielt die grossfeste Gabe, die Gott ihm schenkte, der Edeling der Kampftheure.

Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht, wél indien wij healdan, den zin van bewaken en aan ac eene redegevende beteekenis toekennen, welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw, want (ac) hij bewaakte (d. i. beteugelde) zijne reuzenkracht.

58

eft thät geióde ufaran dôgrum hilde-hlämmun, sydhdhan Hygelâc läg ond Heardrêde hilde-mêceas under bord-hreódhan tô bonan wurdon; tha hyne gesöhtan on sige-theóde hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas, nîdha genaegdan nefan Hererîces. Sydhdhan Beówulfe brâde rîce on hand gehwearf. 2201-2209.

Grein vertaalt letterlijk:

Das fügte sich darnach in folgenden Tagen durch Heerkampfs Getümmel, seit Hygelak lag und dem kühnen Heardred die Kampfschwerter wurden unter des Schildrandes Schirm zum Mörder, da ihn suchten in dem Siegesvolke die harten kampfkühnen Headoskylfinge und heftig angriffen Hereriks Neffen. Drauf kam das breite Reich dem Beowulf zur Hand.

Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft hier geen licht. Voor Müllenhoff lijdt het geen twijfel of deze zin is onvolledig:

Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in eft thät geeóde ufaran dôgrum 2201 hat das thät keine beziehung im vorhergehenden... Der satz is unvollstandig....

Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit sidhdhan beginnenden satze 2202-2207 noch einen subjektsatz mit thät folgen zu lassen, sondern brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit sidhdhan fort 2208.

Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief nemen, dat er niets anders op te vinden is?

Twee verklaringen, zijn mogelijk:

1º eft thät geeóde slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt; na hilde-hlämmum plaatse men een dubbelpunt en vertale ond door ook, zooals Heyne in zijne vrije vertolking doet; de hoofdzin is: Heardrêde hilde-mêceas tô bonan wurdon.

Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde daarna in later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd ook voor Heardred het kampzwaard ten dooder, daar enz.

Het valt nochtans te bezien, of ond (en), evenals in de klassieke talen, in den zin van ook voorkomt.

2º Ond behoudt de beteekenis van en; de hoofdzin is: sydhdhan Beówulfe brâde rîce on hand gehwearf; de punt na Hererîces valt dan weg. Van het eerste sydhdhan 2202 hangen twee bijzinnen af: läg en tô bonan wurdon; thâ hyne... nefan Hererîces is een tusschenzin; het tweede sydhdhan dient alsdan om het eerste in het geheugen terug te roepen:

Dit gebeurde in volgende dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was en het zwaard voor Heardred tot dooder was geworden, daar hem enz., sedert kwam het rijk in Beowulfs handen.

De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk bezwaar zijn, vooral voor Duitsche recensenten.

59

2215-22. Bugge herstelt den tekst als volgt:

thaer on innan gióng nidhdha nâthwylc, neóde tô gefêng haedhnum horde; hond ätgenam seleful since fâh; nê hê thät sydhdhan âgeaf, theáh the hê slaepende besyrede hyrde theófes cräfte: thät se thióden onfand, by-folc beorna, thät hê gebolgen wäs.

Insgelijks 2233:

nealles mid gewealdum wyrmes weard gäst sylfes willum.

Socins theow (slaaf?) 2225 zal wel theów moeten luiden.

60

2228-32. Bugges aanvulling van den tekst wijzig ik volgenderwijze:

secg synbysig sôna onwlâtode. theáh thâm gyste gryrebrôga stôd, hwädhre earmsceapan innganges thearfa feásceapen, thâ hyne se faer begeat, sinc-fät geseah.

Bugges tittels tusschen het 3de en 4de vers zijn weggelaten en de punt na begeat vervangen door een komma: Ofschoon (theáh) de vreemde indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak, toch (hwädre) had hij de vaas bemerkt.

Men vergelijke de vertaling.

61

2380-97. Socins opvatting van deze gansche plaats, waarin de oorlog met de Zweden behandeld wordt, stemt niet overeen met die van Bugge, Müllenhoff en Grein.

Ziehier zijne uiteenzetting: