Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 17
Nu hoopten op den grond de Gootenhelden Een sterken stapel op, omhuifd met helmen, Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers; Als luidde zijne beê. Vervolgens legden 3255 Ze in 't midden neer den hoogvermaarden koning De droeve helden hunnen lieven heerscher. Daarop ontstaken op den berg [614] de strijders Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief zich [615] De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel, 3260 Doorkruist met kreten;--'t windgewentel rustte-- Totdat het had verheerd, de borst doorblakend, Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings. Ook zong alzoo de jonkvrouw [616] jammerspreuken 3265 Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken, Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam, Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte, d'Onmeetbren lijkenoogst, den angst der mannen, En hoon en hechtenis. [617] Nu had de hemel 3270 Den rook verzwolgen {88}. Op de rotskaap richtten De Wederlieden op een lijkenheuvel, Die rijzig was en breed, die in het wijde Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders. In tiental dagen bouwden zij 't gedenkstuk 3275 Des slagberoemden, bij de rest des lijkbrands. Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. Zij borgen ringen in den berg [618] en tooisels, Al zulke sier als krijgsgezinde mannen 3280 Ontvoerden uit de schatten kort te voren. Zij lieten de aard der helden tooi behouden, Het goud in 't zand; alwaar het zit tot heden, Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen. Toen reden rond het graf de wapenwakkren, 3285 Van de edelliên, van alle twaalf, de loten. [619] Zij wilden weder klagen, weer gewagen Van hunnen koning, weder spreuken konden En nopens hem verhalen al het goede. Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden 3290 Zijn heldenfeiten, volgens hun vermogen, Als 't past zijn vorst en vriend door 't woord te prijzen, Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart, [620] Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam. Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders 3295 De Gootenhelden al, de haardgenooten. Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten, Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen, Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. [621]
De Bestorming van den Finnsburg. [622]
Nu {89} hief hij aan de wapenjonge heerscher [623]: «Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er vuurdraak, Niet brandt de horentrans [624] van deze halle; Maar helden rukken aan met legerharnas, 5 Gezwaaiden pijlboog; oorlogsvogels [625] zingen; [626] {90} Het bruin kuras rinkinkt, het kamphout [627] klettert, 't Schild antwoordt [628] aan de schacht. Nu schijnt het maanlicht, Het volle, door de wolk, nu rijzen weedaân [629], Die dezen volkshaat tot volvoering brengen. 10 Op! waakt nu allen op, gij mijne weerbren, Den lindebast [630] gebeurd, gestreefd naar stoutheid, Gevochten aan de heerspits, weest heldhaftig!» Daar hief zich menig held, met goud behangen [631], En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts 15 Sigferd en Eaha, de onversaagde kampers, Zij togen 't staal; Ordlaf en Gudlaf stapten Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve Hij volgde op 't spoor. De Strijd-Deen [632] stuurde Garulf [633] Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven, 20 Zijn krijgssieraden niet bij de eerste reize Zou henendragen naar der halle deuren; Daar hij, de wapenstoute, 't [634] wilde nemen. [635] Maar over allen heen en onverholen Vroeg deze dappre [636], wie de deur bewaarde. 25 «Mijn naam is Sigeferd, hernam de tweede, 'k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een ridder, 'k Beleefde talrijk leed en sture strijden. U weggelegd is dit nu: wat van beide [637] Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.» 30 Nu was het bij den wand gedreun des doodkamps, Nu moest het kille schild {91} ter hand des koenen, De beerhelm [638] barsten. Heel de halle schokte; Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf, 35 En rondom dezen menigeen der dappren. Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, [639] Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik, 40 Dat beter bij der mannen kamp zich kweten En waardiger een zestig zegehelden, Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden De zoete mede, dan aan Hnäf de mannen. Vijf dagen vochten zij, dat van 't gevolgschap 45 Niet één er zeeg; maar zij de deur bezetten. Nu keerde weder een gewonde kamper [640]; Hij zei, gebroken was 't kuras, onbruikbaar Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken. Dan vroeg hem fluks de herder van de volkschaar [641], 50 Of wél de kampers voeren bij hun wonden, Of niet de moed der jonge mannen naliet... [642] {92}
AANMERKINGEN.
Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers naar Socins uitgave en niet meer naar de vertaling verwijzen.
De vertaling in proza, welke ik soms toevoeg, is die volgens den tekst van Socin, tenzij het tegenovergestelde gezegd wordt.
1
thenden wordum wéold wine Scyldinga, leóf land-fruma lange âhte. 30-31.
Zoolang over de woorden ('t bevel) beschikte de vriend der Schyldings, de lieve landvorst lang (het gezag) bezat.
Deze plaats heeft tot veel geschrijf en gewrijf aanleiding gegeven.
Heyne zoekt het ontbrekend voorwerp van âhte uit wordum weóld van het vorige vers op te maken en vult aan: geweald, gezag.
Cosijn verandert lange âhte in lange thrâge: langen tijd.
Regel 31 is dan eene voortzetting van «de eerste gedachte, dat de wine Scyldinga reeds tijdens zijn leven de noodige beschikkingen voor zijne begrafenis genomen had. Daaraan werd vastgeknoopt de mededeeling, dat die regeering langen tijd geduurd heeft.»
Dat nochtans Heynes «kühne Construction door geen enkel voorbeeld gestaafd wordt» kan ik niet zoo grif aannemen. Vgl. v. 1003:
Nô thät ydhe bydh tô befleónne «dat zal niet gemakkelijk zijn te ontvluchten,» waar thät op een zelfst. naamw. dood moet slaan, dat uit voorafgaand aldres or-wêna is op te maken.
Nochtans geef ik toe, dat op eene verminkte plaats als deze laatste niet veel te bouwen is.
Andere verklaringen, b. v. die van Rieger, Bugge en Kluge, laat ik, daar zij mijn bestek te buiten gaan, in het midden.
2
Thâ wäs on burgum Béowulf Scyldinga, leóf leód-cyning, longe thrâge folcum gefraege. 53-55.
Toen was op den burcht der Schyldingen Beowulf, de lieve volkskoning, langen tijd den volken vermaard.
Beowulf leefde langen tijd op zijnen burcht en niet: hij was langen tijd vermaard, alsof hij het nu niet meer was.
lange thrâge bepaalt beter wäs dan gefraege, daarom plaats ik een komma na thrâge.
3
sibbe ne wolde widh manna hwone mägenes Deniga feorh-bealo feorran, feó thingian. 154-56.
Uit vriendschap wilde hij niet tegenover iemand van de macht der Denen het levenseuvel verwijderen, voor geld bijleggen.
sibbe is instrumentalis. Nochtans is de vriendschap eerder het gevolg der verzoening dan wel de oorzaak.
Daarom komt Bugges verklaring, die sibbe als voorwerp beschouwt van wolde en een komma plaatst na Deniga, mij aannemelijker voor.
4
nê thaer naenig witena wênan thorfte beorthre bôte tô banan folmum. 157-58.
Ik vertaal:
Noch een der raden dorst er verwachten
Schitterender voldoening van den kant des moordenaars door middel van de handen d. i. door het zwaard.
Grein:
Erwarten durfte da der Weisen keiner des Mordes Sühngeld aus des Mörders Handen.
Bôte is volgens hem zoengeld en schijnt dit ook te zijn voor Socin, daar hij ter plaatse: Leistung zur Sühne, Genugtuung, Tribut aanhaalt.
Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van feó thingian, en komt nê en beorhtre niet tot zijn recht.
5
nê his mynne wisse. 169.
(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen ter oorzake van God) noch had hij daar lust toe.
Zoo verklaart Wülcker, waarbij Cosijn zich aansluit.
Socin: ook kende hij niet zijne (Gods) liefde, hetgeen, naar hij zelf bekent, stuitend is met het oog op 181-82, «welcher Satz auch das Heidentum der Danen hervorhebt.»
6
fyrst fordh gewât. 210.
de tijd was verstreken.
Ik open hier de parenthese naar 't voorbeeld van Cosijn.
7
flota wäs on ydhum,
bât under beorge. 210-11.
Under beorge is niet onder den berg (Socin), maar bij den berg (Cosijn).
8
streámas wundon sund widh sande 212-13. Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande. (Grein.)
sund is nom. en parallel met streámas.
Socin vat sund verkeerdelijk als acc. op: «de stroomen wonden de zee tegen het zand.»
9
thonne sägdon thät sae-lidhende, thâ the gif-sceattas Geáta fyredon. thyder tô thance. 377-79.
toen zeiden dit zeevarenden, die de kostgaven der Gooten brachten daarheen (naar 't land der Gooten) ten geschenke.
Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden.
Hij leest daarom in plaats van den gen. Geáta den dat. Geátum: zoodat het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten.
Cosijn verandert thyder «daarheen» in hyder «hierheen»; gevers en schippers zijn dan Gooten.
Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.
10
häbbe ic eác geâhsod, that se aeglaeca for his won-hydum waepna ne rêccedh. 433-34.
Cosijn teekent hierbij aan: waepna ne reccedh «hij geeft om geen wapens,» duplici sensu: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest voor geen wapen, natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had door tooverspreuken.
Dit «natuurlijk» wil er bij mij zoo maar niet in.
Beowulf heeft vernomen, dat Grendel niet bang is voor wapens, maar dat geen wapen hem kan deren, omdat het door hem bezworen is, weet hij niet.
Er bestaat toch een verschil tusschen: hij vreest geen wapen en hij heeft geen wapen te vreezen.
Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne eigen woorden 680:
erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht und so sein Alter kürzen, obwol ichs all so könnte. (Grein.)
Welk van beide plaatsen is dan onecht?
Ten slotte zou 792-809 (vert. 808-22) ook geen genade kunnen vinden; wat het geval is bij Ettmüller en Müllenhoff, die deze verzen uitwerpen.
Ettmüllers beweren: «da Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass Grendel nichts von Waffen zu fürchten habe, so werden auch seine Begleiter das gewusst haben» berust juist op die verkeerde opvatting van waepna ne rêccedh. Beowulf wist dat niet en zijne makkers evenmin.
Müllenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al uit de lucht gegrepen. Hij zegt: «792-809. Auch diese Verse sind schon von Ettmüller verworfen.
Beowulf sagt 680 f. «ich will ihn nicht mit dem schwerte hinstrecken und des lebens berauben, obgleich ich es sehr wohl könnte,» theáh ic eal mäge. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem kampfe zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich bedienen.» En hij vervolgt:
«die annahme dieser verse 792-809, dass gegen Grendel mit waffen nichts auszurichten sei, weil er sich hiebfest gemacht hatte, ist daher ganz ungehörig.»
Iets even «ungehörig» is wel Müllenhoffs lezing.
De tekst zegt niet: Beowulfs makkers wisten, dat er met wapens bij Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het tegendeel: hîe thät ne wiston, zij wisten dat niet.
De slotsom van deze uiteenzetting is, dat waepna ne rêccedh enkel en alleen beduidt: Grendel vreest geen wapen, zoodat twee plaatsen gehandhaafd blijven, wier echtheid anders aan gegronden twijfel onderhevig zou zijn.
11
nâ thû mînne thearft hafalan hydan, ac hê mê habban wile dreóre fâhne, gif mec deádh nimedh. 445-47.
Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de redegevende beteekenis van ac = want beter uit.
Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de Angelsaksische wet aan den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf, die van koninklijken bloede was.
Hij vertaalt diensvolgens: «gij hoeft met geene eerewacht mijn hoofd te hoeden,» iets waarvan de ongerijmdheid voor de hand ligt, daar Grendel het lijk zal meevoeren.
12
nô thû ymb mînes ne thearft lîces feorme leng sorgian. 450-51.
mir brauchst du nicht um meines Leibes Nahrung langer dann zu sorgen. (Grein.)
Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge.
De zin komt dus hierop neer: «ben ik dood dan hoeft gij mij den kost niet te geven.»
Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling gezocht moet worden «in de letterlijke opvatting van leng met een negatie. Beteekent dit «niet langer,» dan heeft Bugge gelijk... Maar ne-leng beduidt hier: geen oogenblik, volstrekt niet.»
13
for were-fyhtum, thû, wine mîn Beówulf, ond for âr-stafum ûsic sôhtest. 457-58.
Cosijn verwerpt Bugges vermoeden waere ryhtum thû: door de verplichting, die de waêr, het verbond tusschen vorst en trawant (waêrgengea) oplegt, uit bondsverplichting.
Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet, berust ik met Socin bij de gissing van Grundtvig.
14
thaer wäs häledha dreám, dugudh unlytel Dena ond Wedera. 497-98.
da war der Helden Jubel und nicht wenig Männer der Wedern und der Dänen. (Grein.)
Socin kent insgelijks aan dugudh de beteekenis van krijgsschaar toe; nochtans verwacht men eenen parallelvorm met dreám.
Dugudh kan hier alleen goed zijn, wanneer het häledha dreám nader verklaart. Hymne XI, 11 wordt de aardsche heerlijkheid door dugudhe and dreámas aangeduid. (Cosijn).
15
Breca naefre git ät headho-lâce, nê gehwäder incer swâ deórlice daed gefremede fâgum sweordum . . . . . . . . . . nô ic thäs gylpe; theáh thû thînum brôdrum tô banan wurde. 583-88.
Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat hij in 't vervolg één vers vooruit is op de overige uitgaven.
Ik plaats met Grein nô ic thäs gylpe, dat op zich zelf verstaanbaar genoeg is, tusschen haakjes en laat den zin doorloopen.
Niet bral ik dies d. i. op mijnen zwemtocht, eene swâ deórlice daed. Socins tittels zijn dus overbodig.
16
(swaefon) ealle bûton ânum. Thät was yldum cûdh, thät hîe ne môste, thâ metod nolde, se syn-scadha under sceadu bregdan; ac hê wäccende wrâdhum on andan bâd bolgen-môd beadwa gethinges. 706-10.
(sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen Menschen, dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte, der schuldvolle Schädiger durfte unter Schatten schwingen, sondern wachend harrte er dem Wüterich zum Aerger auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes. (Grein.)
Socins gegevens stemmen hiermede overeen.
De tegenstelling ac: sondern komt niet tot haar recht.
Cosijn plaatst thät wäs-bregdan tusschen haakjes en laat ac, dat hier redegevend is, op bûton ânum slaan; ac: want verklaart alsdan, waarom allen sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na ânum zal dan door een komma moeten vervangen worden.
17
thät wäs tâcen sweotol, sydhdhan hilde-deór hond âlegde, earm ond eaxle (thaer wäs eal geador Grendles grâpe) under geápne hrôf. 834-37.
Socin: onder het ruime dak.
«Under geápne hrôf is op te vatten als under beorge 211 (voor den berg); het «zegeteeken» van Beowulf werd vóór de deur on stapol «op stoep» op het perron gelegd, waar ieder het zien kon.» (Cosijn).
18
thaer wäs on blôde brim weallende, atol ydha geswing(,) eal gemenged hâton heolfre, heoro-dreóre weól; deádh-faege deóg, sidhdhan dreáma leás in fen-freodho feorh âlegde, 848-52.
daar was in bloed de branding golvend, het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed; de den dood vervallen (Grendel) verborg zich, terwijl hij vreugdeloos in de veenverschansing het leven aflegde.
Socin kent hier aan sidhdhan de beteekenis toe van terwijl, zoodat hij Grendel te gelijker tijd laat onderduiken en sterven, terwijl men verwacht, hem te zien sterven, nadat hij ondergedoken is.
Het euvel ware te verhelpen geweest door met sidhdhan eenen nieuwen hoofdzin te beginnen en dit te laten slaan op deádh-faege deóg: «sedert d. i. nadat hij zich verscholen had, legde hij het leven af.»
Cosijns bemerking kan ik niet beamen: «en leest men na een punt sidhdhan, dan begrijpt niemand, waar dit sidhdhan op slaat.»
Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt:
Hij verandert on blôde in blôde, plaatst een kommapunt na heolfre en schrapt ze na weól.
Hij steunt op 1631 lagu drûsade ..... wäl-dreóre fâg, om deádh-faege in deádh-fâge (= wälfâge, bont door den moord) te veranderen.
Vandaar verwerpt hij deádh-faeges deóp «des veegen diep» van Sievers en leest in plaats daarvan deádh-fâge deóp «het moordgepurperd diep.»
Ten slotte is heoro-dreóre weól deádfâge deóp parallel met het voorgaande.
19
word ôdher... sôdhe gebunden 871 d. i. nieuwberijmde woorden.
20
wel-hwylc gecwädh thät hê fram Sigemundes secgan hyrde ellen-daedum. 875-77.
hij zei alwat hij had hooren zeggen van Sigemunds krachtdaden.
Bij Cosijn is wel-hwylc = aêghwylc (iedereen) en nom. sing. in plaats van acc. neutr.
21
Sê wäs wreccena wîde maerost Ofer wer-theóde, wigendra hleó ellen-daedum: he thäs âron thâh. Sidhdhan Heremôdes hild swedhrode, eafodh ond ellen. 899-903.
Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste boven de volken, der kampers scherm door krachtdaden: des nam hij toe in eer. Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af, Zijn sterkte en moed.
Het springt in 't oog, dat Heremod hier met de haren er bij getrokken is. Immers welk verband bestaat er tusschen sidhdhan 902 en het voorafgaande? Hoegenaamd geen.
De verschillende pogingen tot verbetering laat ik onbesproken.
Müllenhoff schijnt mij het ware getroffen te hebben, en het zij mij geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem om op eigen hand tot dezelfde uitkomst was geraakt.
Hij verbindt sidhdhan «nadat» met den hoofdzin sê wäs en plaatst een komma na ellen-daedum.
hê thäs âron thâh komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men vergelijke de vertaling.
Een klein bezwaar heb ik tegen een van Müllenhoffs verdere ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest vóór Heremod maar na Heremod.
1º Het is de natuurlijke uitlegging van den zin: Sigmund was de vermaardste held, sinds Heremods kracht was afgenomen.
2º Heremod komt op de stamtafels der Angelsaksische koningen als voorvader van Wôdan voor en wel op de 6de plaats van bovenaf te beginnen, onmiddellijk voor Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettmüller, Einleitung bl. 7, en Sievers, Beiträge, XVI bl. 361.
3º hê his leódum weardh... tô aldor-ceare 906: «hij werd zijne lieden tot levenskommer» laat ik slaan op Sigmund.
Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij Sigmund) betreurde aerran maelum, in vroeger dagen menig held den tocht van Heremod. Ergo leefde deze naar de voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk dan Sigmund.
22
Hê mid eotenum weardh on feónda geweald fordh forlâcen, snûde forsended. Hine sorh-wylmas lemede tô lange, hê his leódum weardh, eallum ädhelingum tô aldor-ceare. 903-7.
Over de letterlijke vertaling dezer verzen zijn de uitgevers het eens, insgelijks over het feit dat vv. 908-14 van Heremod gewagen; doch de knoop ligt hier:
Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in hoeverre? Immers de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al wild om met de persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet afvragen, wie eigenlijk gemeend is.
Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg staat, doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet, is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit verschillende afzonderlijke liederen.
Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd forlâcen: verraden, on feónda geweald: in de macht des duivels, snûde: door eenen plotselingen dood.
Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen: hine sorhwylmas lemede tô lange, dat eenen goeden, en: he his leódum weard... tô aldor-ceare, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert hij hine sorhwylmas in: sorhwylma hrine: «door den greep der woelende zorgen verlamde hij het volk te lang.»
mid eotenum = onder de reuzen; zoo worden Heremods vijanden geheeten wegens de aanleuning met Sigmund, daar de dichter de eerste Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft vastgeknoopt.
De schering en inslag zijner redeneering is als volgt:
De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot levenskommer wierd 905-7, wordt vergeleken met vroegere tijden, aerran maelum 908-14.
Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde hij niet aan de verwachtingen van zijns vaders raadgevers. Hij ontving niet 's vaders adel, hij verdedigde niet het volk en het rijk der Schildingen. Hij ondernam toen eenen tocht sîdh 909, dien menig wijze man afkeurde: In plaats van het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar elders vertrokken, waarschijnlijk om daar te kampen.
Later kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam over de Schildingen, dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord werd. 903-5. Tot hiertoe Bugge.
Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over boord te werpen, vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden, dan het niet alleen staande gebruik van het enkelv. lemede bij een meervoudig onderwerp, mid eotenum blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd.
Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt Sigmund geheel en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking tusschen hem en Heremod bestond.
Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband gebracht? In de Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet louter toevallig.
Blijkens mijne vertaling betrekt zich hê 903, hine 905, hê 906 uitsluitend op Sigmund. Na tô lange plaats ik een dubbel punt; hê his leódum weardh to aldor-ceare zinspeelt op Sigmunds dood in de macht der Nevelingen.
Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat mid eotenum op zijne plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen, en vervalt alle tegenspraak.
Door Heremods sidh «gang, tocht» is dan zijn vertrek in de ballingschap te verstaan, hetzij hij de tegenkanting moede vrijwillig ging, hetzij gedwongen.
Immers v. 916 wordt gezegd, dat «vervolging, vijandschap» aan Heremod ten deel viel, hine fyren onwôd.
23
stôd on stapole, geseah steápne hrôf golde fâhne ond Grendles hond. 927-28.
(Hrodgar) stond tegen eene zuil, zag naar het steile dak het goudbonte en naar Grendels hand.
sidhdhan ädelingas eorles cräfte ofer heáhne hrôf hand sceáwedon. 983-84.
sinds de edellieden dank aan des helden kracht over den hoogen dakstoel de hand schouwden.
«Het heeft er veel van, alsof de hand later boven of ter hoogte van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter, dank zij Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: ofer heâhne hrôf, über den hohen Dachstuhl hinweg, d. i. den Raum des Dachstuhls ausfüllend; ergo ofer = under!
Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel's hand weer van het dak verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar boven.» Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats heb ik niet kunnen raadplegen.
24
(sceáwedon) feóndes fingras, foran aeghwylc; wäs stêdra nägla gehwylc style gelîcost. 985-86