Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 16

Chapter 163,134 wordsPublic domain

'k Vernam, dat onverwijld de zoon van Wichstan Na deze woorden zijn gewonden koning Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten, 2845 En dat hij onder 't rotsdak voorwaarts rukte In 't ringnet, zijn gevlochten oorlogsrusting. De zegerijke zag bij 't gaan ter zitplaats [530], {74} De koene ridder, vele schijfsieraden, Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem, 2850 De wondren langs den wand. Hij zag het leger [531] Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers, Ook kruiken staan [532], der voortijdsmenschen kroezen, Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels. Daar rustte menig helm, aloud en roestig, 2855 En menig smuk des arms, met smaak gevlochten. Licht kan zulk goed, zoo'n goudschat langs den bodem, Verblinden wie 't ook zij der menschenzonen. [533] Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren! Daar zag hij insgelijks een standerd liggen, 2860 Geheel van goud, hoog boven op de have. Het was het heerlijkst wonderwerk der handen, Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot er, Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte En in het rond beschouwen al de schatten. 2865 Van draak geen zweem, hem had toch 't zwaard verdorven.-- Ik hoorde, hoe de krijger [534] in den heuvel De schatten roofde, 't oud gewrocht der reuzen, Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede 2870 De banderol, het luisterrijkste teeken. De degen had geschaad den schatbeheerscher [535], (Van staal was 't lemmer) hem, die lange jaren De hoeder was geweest van die juweelen {75}. Hij had verbreid de heete brandontzetting, 2875 De moordgewiekte, om 't goud, bij middernachten Totdat hij sneefde door den dood der wapens. De bode [536] liep, verlangend naar de weerkomst, Door 't goud genoopt [537]: hem kwelde 't nieuwsverlangen, Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher 2880 Der Weders levend weder zoude vinden, In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede, Alwaar hij kortelings hem had verlaten. Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester, Zijn bloedbegruisden vorst, aan 's levens grenspaal. 2885 Alweer begon hij dien met nat te werpen, Totdat de punt der woorden door het hulsel Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide, De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.) «Den Heer van alles weet ik dank met woorden, 2890 Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder, Voor al de schatten, die ik hier beschouwe, Omdat ik deze vóór mijn stervensstonde Erlangen mocht ten bate mijner mannen. Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat, 2895 Nu lenig gij de nooddruft van de lieden. Ik mag voortaan niet langer hier [538] vertoeven. Beveel den strijdberoemden [539], op te richten Een heuvelgraf een heerlijk, na de houtmijt [540], Niet verre van der baren voorgebergte. 2900 Het zal aldaar, mijn mannen tot gedachtnis, Zich hemelwaarts op Hrones klip [541] verheffen, Opdat nadien de zeebezeilers 't heeten De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems Ver henendrijven door der golven duister.» 2905 Vervolgens hief hij van den hals de goudwrong [542], De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder, Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm, Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen: 2910 «Van heel ons maagschap, van de Waegemundings Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming, De krijgers in hun kracht. Ik volg hun voetspoor.» Dit was des grijzen jongste woord in 't binnenst 2915 Van zijnen boezem, voor hij koos de vuurmijt, Het heete strijdgegolf [543]. Vanuit het harte Ging zijne ziel het heil der heilgen zoeken. [544]

XXXIX.

Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem 2920 Den liefste zag, op d'uitgang van het leven, In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder, Van 't levenslicht beroofd, de gruwbre gronddraak, Daar neder, door den stervensnood bedwongen.-- De kromgewonden worm hij kon niet langer 2925 Beschikken over dezen schat van ringen; Want hem had weggerukt de snee der wapens, Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling, Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden, Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon 2930 En langer niet bij middernacht door 't luchtruim Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde Gedreven door het vuistgeweld des vorsten. Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens, 2935 Der mannen in het land, der machtbezitters, Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel, Van in te gaan op 't snuiven van den gifdraak En met de hand de ringzaal aan te randen, Indien hij daar den wachter wakend aantrof, 2940 Genesteld in den berg. Zoo werd aan Beowulf Zijn gansche puikschat door den dood vergolden, [545] En bracht het elk van beiden tot den eindpaal Van 't wufte leven.--'t Leed hierop niet langer, Of zij verlieten 't houtgewas de lafaards, 2945 De loome trouwverzakers, tien te zamen, Die welke 't flus niet waagden, met de speren Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten. Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden En wapenrustings, waar de grijsaard rustte; 2950 Naar Wiglaf zagen zij. Hij zat de voetheld Vermoeid nabij den schouder van zijn meester En wekte hem met water [546]. Niet gelukte 't. Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne, Op aard des hoofdmans leven tegenhouden, 2955 Noch wijzigen in 't minst den wil des Scheppers. De macht der Godheid wilde gansch het menschdom Met daân beheerschen; als Hij doet tot heden. [547] Nu waren gramme woorden bij den jonker Voor allen licht te ontvangen, die te voren 2960 Verloren hadden hunne heldenkoenheid. En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan, De held in 't hart bedroefd, de schuwbren [548] schouwend: «Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren, Dat uw gebieder, die u bood die schatten, 2965 Dat strijdgewaad, waarin gij staat gestoken-- Toen deze bij den bierdisch menigmalen Aan zijne halgenooten helm en pantser Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden, De beste [549], die hij, 't zij nabij of verre, 2970 Maar ergens vinden kon--dat die den kamptooi Geheel en al verdeed [550] op doembre wijze, Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen. De volksbestuurder had volstrekt niet noodig Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten. 2975 Toch gunde God, de gever van de zege, Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer, Toen hij behoefte had aan heldenkrachten. Ik kon hem luttel lijfbeschutting schenken [551] Bij 't strijden, doch begon niettegenstaande 2980 Den maag te helpen boven mijn vermogen. Te zwakker werd hij [552], toen ik met den zwaarde Hem wondde, dien belager van het leven {76}, Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst. Den heer omstuwden al te weinig helpers, 2985 Als de oorlogsstond zich op hem nederstortte. De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken, Het heele haardgenot en heil, 't zal alles Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen, Verstoken van het landbezit der stammen. [553] 2990 Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders Vernemen uwe vlucht vanuit de verte [554], Uw roemberoofde daad. De dood is beter Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven.» [555]

XL.

Alsdan beval hij, 't kampbedrijf te konden 2995 Bergopwaarts langs de zeekaap naar het landgoed [556], Alwaar 't gevolg der mannen heel den morgen Angstvallig nederzat, de schildbezitters, In twijfel tusschen deze twee: den doodsdag Ofwel de wederkomst des dierbren konings. 3000 Geenszins verheelde 't nieuws, het ongehoorde, Die [557] over 't strandgebergte kwam gestoven, Maar voegde toe aan allen volgens waarheid: «Nu is de wenschvervuller van de Weders, De vorst der Gooten vastgeboeid op 't doodsbed, 3005 Bewoont de lijkstee door des monsters daden. Aan zijne zijde rust de lijfbelager, Zieltogend door den dolksteek. Met den degen Vermocht hij niet den worm te slaan een wonde, 't Zij min of meer. Wiglaf, de zoon van Wichstan, 3010 Zit over Beowulf, de eene ridder boven Den levenloozen heen; hij houdt de lijkwacht [558] Bij deze dooden, voor den vriend en vijand. Nu staat een oorlogstijd den stam te wachten, Wanneer de val des vorsten aan de Franken 3015 En Friezen wordt bekend gemaakt in 't wijde. De vijandschap, de harde, met de Hugen [559] Was dan ontstaan, toen Hyglac kwam gestevend Met eene legervloot naar 't land der Friezen, Alwaar hem velden in 't gevecht de Franken 3020 En met geweld door overmacht bewerkten, Dat zwichten moest de staalomgorde strijder En zonk in zijne schaar. Niet zou de heerscher Nog schatten aan de krijgstrawanten schenken. Sinds werd ons Merewingers gunst [560] geweigerd. 3025 Ook hoop ik in 't geheel geen vrede of vriendschap Van 't Zwedenvolk. Het was toch verre ruchtbaar, Dat Ongentheow aan Hadcyn, zoon van Hredel, Het leven bij het Ravenbosch [561] ontrukte, Alwaar in overmoed der Gooten mannen 3030 Het eerst de Schilfings hadden aangeschonden [562] {77}. Doch schielijk schonk hem [563] Ochters oude vader [564] Den tegenhouw, de grijze, grimvervulde; Hij velde neer den watervoogd, bevrijdde Zijn vrouwe [565] hij, de grijze, zijne gade, 3035 Beroofd van goudsieraden, Ochters moeder En Onela's; hij zette zijn belagers Toen na, tot zij, beroofd van hunnen rijksvorst, Ter nauwernood het Ravenbosch bereikten. Alsdan omsloot hij de aan het zwaard ontslipten 3040 Met een geweldig heer, de wondverzwakten, En dreigde heel den nacht het arme hoopje Herhaald met wee. Hij sprak het uit, hij wilde Hen met den morgen door het lemmer dooden, Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. [566] 3045 Doch troost verscheen opnieuw bij 't daggeschemer Den hopeloozen [567], toen zij Hyglacs horen, Der trompen klank vernamen, nu de kloeke Kwam aangerukt op 't spoor der ridderschare.

XLI.

Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar 3050 Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen, Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten. Nu stapte heen de stoute [568] met de makkers, De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken; Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte. 3055 Hij had 't gevecht van Hygelac ervaren {78}, Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten Het varensvolk [569], of voor de zeebezeilers Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade; 3060 En dicht bij zijnen aardwal {79} dook weer de oude. Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden, En Hygelac ter hand gesteld hun standaard [570]. Zij [571] stapten over hun [572] versterkte stelling {80}. Nu drongen Hredels drommen [573] naar de schildspits {81}. 3065 Aldaar werd Ongentheow tot staan gedwongen, De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer; Zoodat de volksbeheerscher had te dulden 't Geweld alleen van Eofor. [574] Woedend tastte Hem [575] Wulf [576] aan, zoon van Wanred, met het wapen, 3070 Dat door den strook het bloed ontsprong in stroomen Vanonder 't hoofdhaar. Doch hij bleek niet bloode De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk Den doodelijken slag op slimmer wijze, Zoodra zich hemwaart had gekeerd de koning. [577] 3075 Niet kon de kampgewende zoon van Wanred [578] Den ouden held een tegenhouw bestemmen, Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam Op 't hoofd, dat hij genoodzaakt was te nijgen Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde. 3080 Niet was hij toch bestemd om reeds te sterven, Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder {82}. Dan Eofor liet, de forsche leenman Hyglacs, Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder, De aloude reuzenkling, den helm, hun kunstwerk [579], 3085 Inbreken boven op de schildverschansing. Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken; Hij was ter dood gewond. Er waren velen Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten, Daar 't hun [580] was toegevallen 't veld te houden. 3090 Terwijl beroofde de eene ridder d'andren, [581] Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting, Het harde zwaard met greep, den helm benevens En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig. Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk 3095 Een loon met zijne liên en deed diensvolgens. Het kampgestorm vergold de Gootenkoning [582], Hij Hredels zoon, zooras hij 't huis bereikte, Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten. Aan ieder hunner schonk hij honderdduizend [583] 3100 Aan landerijen, met gedraaide ringen. Niet onderwond zich eenig man ter wereld Dat loon te laken [584], sedert zij de lofdaad Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor Alsdan met zijne dochter [585], met zijn ééne, 3105 Den pronk van 't hof, tot pand van zijne hulde. Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat Van 't krijgervolk; waarom ik vreeze koester, Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht, Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher 3110 Van 't leven is beroofd, die land en schatten Weleer behoedde tegen haatgezinden, De dappre Schyldings na den dood der helden [586] {83}; Die voorstond 't nut des volks en nog daarboven Het ridderwerk volbracht. Het ware 't beste, 3115 Ons thans te haasten [587], om den volksbeheerscher Te zien en naar de branduitvaart [588] te brengen, Dengene die met ringen ons bedeelde. Geen enkel stuk alleen zal met den stoute Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels, 3120 Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen Ten laatste nog, betaald met eigen leven: De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken; [589] De man geen tooisels dragen tot gedachtnis; Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben 3125 Om haren hals, maar deze zal rouwzinnig, Van 't goud beroofd, wel meer dan eene reize Het vreemde land betreên, nu 's legers leidsman [590] 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. Hierom wordt menig speer, de morgenklamme [591], 3130 Door vuisten vastgekneld, omhoog geheven Met handen. Geenszins zal het harpgefluister De dappren wekken, maar de donkre rave Zal, vlammend over dooden, veel verhalen, Den arend melden, hoe het maal haar meeviel, 3135 Toen zij de riffen met den wolf beroofde.» [592] Zoo zei de koene strijder [593] nare konde En geenszins loog hij nopens lot en woorden. [594] Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig [595] In tranen badend onder 't aargebergte [596], 3140 Het wonder waar te nemen. Daar ontdekten Ze op 't leger in het zand den levenlooze, Dengene die hun vroeger ringen gunde. Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre, Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders, 3145 Door wondren dood het leven had gelaten. Vervolgens zagen zij zeldzamer schouwspel [597]: Den reuzenworm, den woestaard nederliggend Daar op den bodem tegenover Beowulf. {84} De vlammendraak, de stugge dreiggestalte, 3150 Was door het vuur gezengd. Hij was wel vijftig Voetmaten lang op 't leger. Hij vermeide Zich met den nachtstond in 't genot der luchten [598] En zeeg dan weder neer en zocht de holte, Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd; 3155 Hij had het eind van 't holverblijf genoten. Daar stonden kruiken nevens hem en kroezen; Er lagen schalen met onschatbre zwaarden, [599] Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten In 't ingewand der aard sinds duizend winters [600]. 3160 Alstoen [601] werd deze reuzig groote rijkdom, Het goud der voortijdsmenschen, met een toover Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal; Tenzij dan God, de ware zegekoning, (Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde 3165 Het had vergund den goudschat op te breken, Juist zulk een, als hem docht te zijn het voegzaamst.

XLII.

Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels {85} De hooggeroemde heerschers [602] diep betooverd, Die 't hier verscholen, dat hij schuld zou dragen 3170 Aan 't wanvergrijp, in 't vloekverblijf gegrendeld, In hellekluisters vastgeklonken worden, Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren. Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde: Aan hem [603], die wederrechtig in den rotswand 3175 De have had bewaard, (hem had de wachter [604] Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete Met kracht gewroken was. Het is iets wonders, Wáár 't wezen zal, wanneer een wapenkrijger, Een krachtberoemde, 't eind bereikt des levens; 3180 Als langer niet de man de medehuizing Bewonen mag te zamen met de magen. [605] En zoo gebeurde 't Beowulf, als hij opzocht Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist hij, Waardoor geschieden zou zijn levensscheiding. [606] 3185 Goudgierig was hij niet [607]: hij had volgaarne Des goudbezitters gunst gezien te voren. {86} En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan: «Wel menigwerf om wille van een enkle Zal menig oorlogsman vervolging lijden, [608] 3190 Als 't ons nu overkomen is. Wij konden Den dierbren heer, den herder van de volken, Niet helpen met een raad: dat hij den hoeder Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde, 3195 Zijn krocht bewonen tot het eind der wereld. Ons trof een harde lot. De kostbaarheden Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd. Te machtig was de buit, die mijn gebieder Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen, 3200 In 't ronde 't al gezien, 't sieraad der woning; Daar mij gegeven was, vergund de toegang, In 't minste niet genoeglijk, in den aardwal. Ik greep in aller haast met beide handen Een groote reuzenvracht van keursieraden 3205 En droeg ze weg van daar naar mijnen meester. Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol. Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats stichtet, Een hoogen heuvel, volgens dezes daden, 3210 Beroemd en rijzig; daar hij in het ronde Der mannen waardste kamper was ter wereld, Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden. Welaan, nu voortgerept een tweede reize, Gezien en opgezocht de kunstverzaamling, 3215 De wonderdingen onder deze wanden. Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk. De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde, Als wij te voorschijn komen en vervolgens 3220 Ons aller vorst, den dierbren man, vervoeren, Waar hij in 's Heeren hoede lang zal wijlen.» De zoon van Wichstan liet vervolgens weten, De wapenstoute held, aan tal van strijders, Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand 3225 De mutsaards brengen moesten uit de verte, De legerhoofden naar den goede [609] henen. «Nu zal (bij 't zwellen van de zwarte vlammen) Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden, {87} Die dikwijls heeft getrotst den ijzerhagel, 3230 Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen Heenbruiste boven eene schans van schilden, En, vliegensreede door zijn veeruitrusting, De schacht zijn diensten deed, den schicht vervolgde.» [610] Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan 3235 Uit 's konings stoet de zeven beste strijders En trok in 't moordvertrek [611] als een van 't achttal. Een fakkel hield er een der oorlogshelden In zijne hand, die aan het hoofd vooropging. Niet lag 't aan 't lot [612] wie rooven zou den rijkdom, 3240 Nu zonder hoeder hoegenaamd de helden Hem opgestapeld zagen in de stede, Daar rusten roestverweerd. Niet een dien 't rouwde, Toen zij in allerijl naar buiten brachten Den kostbren schat. [613] Zij schoven mee het monster, 3245 Den reuzenworm, langs 't oeverrif en lieten Hem grijpen door de golf, der have herder, Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens 't Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre, Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte 3250 De vorst gebracht, de grijze wapenvoerder.

XLIII.