Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 15

Chapter 152,986 wordsPublic domain

XXXIV.

Doch op vergelding voor den val des vorsten [462] 2460 Was hij [463] bedacht in later dagen. Eadgils Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen. Hij steunde langs de wijde zee met leger, Met weerbren en met wapens Ochters afkomst. Sinds wreekte die [464] zijn koud en zorgvol dolen {62} 2465 En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer [465]. Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk strijden, [466] Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk, Tot dezen eenen dag, waarop hij diende Te worstlen met den worm. Van woede blakend 2470 Begaf, als een der twaalf, de Gootenkoning Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen, Hoe was verwekt de haat, der helden onheil, Want door ontdekkers [467] hand was 't heerlijk pronkvat Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare 2475 Dertiende strijder die 't ontstaan der twisten Berokkend had. Geboeid en bang in 't harte Zou deze hun de hooge vlakte duiden. Dus toog hij tegen wil en wensch er henen, Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon, 2480 De grafstee in den grond, nabij de baren, Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter, De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom, Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen 2485 Was dit een zaak voor wie het zij der menschen. Daar zat ter klip de kampgeharde koning, Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte, Der Gooten goudvriend. 't Harte was hem weevol, Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was 't noodlot, 2490 Dat groeten zou den grijs, den schat der ziele Opzoeken zou en 't lijf van 't lichaam scheiden. Niet langer zou voortaan de levensadem Des edelmans omhuld zijn met den vleesche. En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: 2495 «Ik heb in mijne jeugd wel menig heerstorm En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche. Ik telde zeven winters, toen de schatheer, Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel. 2500 Hij gaf me goud en maal, gedacht de maagschap. Ik was voor hem op 't huis, zoolang hij leefde, Geen minder man dan een van zijne zonen, Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac. Den oudsten [468] werd op onverdiende wijze 2505 Gespreid het doodsbed door des broeders daden, Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog, Door middel van den pijl zijn vriend en meerdre [469], Toen hij zijn maag, het doelwit missend, doodde, De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies. 2510 Dat was een onverzoenbaar [470] wapenmisdrijf, Begaan te roekeloos en geestafmattend Voor het gemoed [471]. Des ondanks moest de jonker Uit deze wereld ongewroken wijken: Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren, 2515 Dat ginds zijn zoon [472], de jonge, rijdt aan 't galghout. Dan moge hij 't weemoedig lied [473] verheffen, Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt, De raaf tot lust, terwijl hij geene redding Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd. 2520 Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren [474]; Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder [475] Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot, Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag. 2525 Dan in de woon des zoons [476] bestaart hij zorgvol De woeste hal, een wijkplaats voor de winden, Beroofd van 't feestgeruisch. Hij rust de rijder, De held, in 't heuvelgraf {63}. Geen harpgefluister, Geen juichtoon heerscht in 't huis, gelijk voorhenen.

XXXV.

2530 Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied [477], De eene om den eene [478]. 't Leek hem alles Te ruim [479], en veld en woon. Zoo torste woelend De schuts der Wederliên het wee des harten Om zijnen Herebald. Hij kon de bloedschuld 2535 Niet in het minste wreken op den moorder, Ook mocht hij evenmin den strijder straffen Met strenge daân, al was hem die niet dierbaar [480]. In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte, Verliet hij toen der menschen lustgewemel 2540 En zocht het licht van God. Hij liet den zonen [481] Dan na het land met heerschersburcht, als handelt Een schatrijk man, bij 't scheiden uit het leven. Nu was het twist van Zweed en Goot en tweedracht En wederzijdsche kamp langs 't wijde water, 2545 Een felle strijd, als Hredel was gestorven, En krijgsgeducht en koen het kroost zich toonde Van Ongentheow [482]. Zij wilden langs het water Geen vrede voeren, doch volbrachten dikwerf Bij Hreosnaberg [483] gevreesde stroopersvaarten. 2550 Dit alles wreekten mijn verwante vrienden [484], Die list en lagen, naar het werd vernomen; Schoon de eene 't moest betalen met het leven, Met eenen harden koop: voor Hadcyn immers, Den Gootenkoning, werd de kamp verderflijk. 2555 'k Vernam, dat bij den morgen met de bijlspits Een maag [485] den andren [486] op den moorder wreekte, Waar Ongentheow te zamen trof met Eofor {64}. De strijdhelm botste stuk, de grijze Schilfing [487] Hij stortte neder, door het staal bestorven. 2560 De hand [488] geheugde zich de reeks van rampen En trok zich niet terugge tot den doodslag, 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden, Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. 2565 Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. Behoefte had hij geen om bij de Gifden [489], Den Zwaard-Deen, of in 't Zwedenrijk te zoeken Een zwakker kampgezel [490], met goud te koopen. Steeds wilde ik in zijn schaar de voorste wezen, 2570 Ter legerspits alleen {65}. En zoo voor 't leven Zal 'k slagen slaan, zoolang dit lemmer 't uithoudt, Dat mij zoo vaak, voorheen als later, volgde, Nadat ik door geweld Daghrefnes wurger Geworden was, den oorlogsheld der Hugen [491]. 2575 Niet kon hij 't keurjuweel den Friezenkoning, Den borsttooi brengen, want hij viel de vaandrig [492] In dezen krijg, de held in zijne krachten. Niet werd het staal zijn dooder, maar mijn strijdvuist Verbrak het bruisend harte bij 't gebeente. 2580 Nu zal de punt van dit rapier zich kwijten, De hand, het scherpe zwaard om deze schatten.» [493] Voor 't laatst zei Beowulf, zich door 't woord verbindend: «Ik waagde menig kamp in mijne jonkheid; Nu wil ik, grijze wachter van de volken, 2585 Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven, Mocht uit zijn krocht de booze mij bekrijgen.» [494] Hij groette eeniegelijk van zijne lieden, Zijn dappre helmgedosten, voor het laatste, De trouwe tochtgezellen: «'k Zou den degen, 2590 Het wapen naar den worm niet willen voeren, Indien ik wist, op welke wijs ik anders Mijn kampwoord [495] houden kon met dezen daemon; Zooals ik eens met Grendel heb gehandeld. Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur, 2595 Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens Het schild en krijgerkleed. Ik wil niet wijken Een voetbreed voor den hoeder van den heuvel, Den grimmigen dooder; doch nabij den bergwand Gebeuren zal 't aan ieder van ons beiden, 2600 Als Wyrd het heeft beschikt, der menschen Schepper. [496] 'k Ben stoutgestemd van zin, zoodat ik daarlaat De uitdagingswoorden tot den kampgewiekte. Verbeidt gij bij den berg, beschut door 't harnas, Gij strijders in het staal, wie 't best van beiden 2605 Kan onderstaan de wonden na de strijdvlaag. Niet uwe taak is dit, niet toegemeten Aan een der mannen, dan aan mij den ééne, Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte En ridderdaân verricht. Ik wil geweldig 2610 Verwerven 't goud, ofwel zoo rukt de worsteling, Het harde levenseuvel mee uw heerscher.» Nu rees op 't schild de roembekroonde kamper Omhoog, de stoute met den helm, en stapte In zijne rusting onder 't rotsgevaarte, 2615 Slechts steunend op de sterkte van een enkle [497]. Dat blijkt de handelwijze niet eens bloodaards! Toen merkte bij den muur hij, die een menigt Gevechten had bestaan, de uitstekend dappre, De onstuime bij den strijd, als legers stormden, 2620 Dat daar een rotsboog stond, vanwaar een stortbeek Uitbruiste van den berg; het brongeborrel Was brandend door 't vijandig vlammenbraken. Niet was hij bij den buit [498] in staat, een stonde Het ongedeerd te houden in de diepte, 2625 Uit hoofde van het vuur des draaks. De heerscher Der Wester-Gooten liet nu woorden schallen Uit zijnen boezem, want hij was verbolgen. De koengezinde riep, en kampschel bruiste [499] De stem naar binnen onder 't grauw gesteente. 2630 De haat was opgehitst. Der schatten hoeder Vernam de stem eens mans. Er schoot geen stonde Meer over tot het treffen van den vrede. Des vijands adem kwam het eerst te voorschijn Vanuit het rotsgesteent, het gloeiend strijdzweet. 2635 De bodem dreunde. Bij de bergkloof schudde De held het schild, der Gooten heerscher, tegen d'Ontzettingsgast. De zin des ringgekromden Was nu geneigd om een gevecht te aanvaarden. De dappre krijgerkoning had den degen, 2640 't Voorvaderlijke zwaard met vlijmend lemmer Te voren al gevat, en boosheid broeiend Gevoelden beiden ijzing voor elkander. Sterkmoedig stond hij bij den breeden schildrand Der vrienden vorst, terwijl de worm zich ijlings 2645 Te zamen wond. Hem wachtte hij in 't harnas. Roodgloeiend kwam die kronklend aangegleden, Al tuimlend toegeschoten. 't Schild behoedde Den wijdbekenden vorst een korter wijle Dan zijn verlangen zocht, het lijf en 't leven; [500] 2650 Daar hij alsdan den eersten keer, de koene Te midden der gevechten, moest ervaren, Hetgeen hem nooit het noodlot had beschoren. [501] Der Gooten heerscher zwaaide hoog de rechte En sloeg den gloedontzetbre met het slagzwaard, 2655 Zoodat het wapen gleed, het blauwgeglansde, Op zijn gebeente. Minder hevig beet het [502] Dan hij behoefte had de volksbeheerscher Door nood genoopt. Nu was de heuvelwachter Na dezen wapenstrook in wilde stemming. 2660 Hij wierp versmachtend vuur, in 't wijde sprongen De stralen van den strijd. Der Gooten goudvriend Bazuinde geenszins uit zijn zegeluister. Nu zwichtte 't zwaard, het blanke, bij den aanval, Als 't niet gemoeten, 't langbeproefde lemmer. 2665 Het was geen blijde weg, als Ecgtheows afkomst, De stoute, zijne stelling [503] zocht te ontruimen; Naar elders [504] moest hij om des monsters wille Verwisselen van woning. Ieder wezen Zal desgelijks verlaten 't wufte leven. 2670 Het leed niet lang daarna, of nogmaals stieten De kampers op elkaar. De schatbeschutter (Zijn boezem bolde door 't geschuifel) schepte Een tweede male moed; weer duldde doodsangst, Met vuur omvaâmd, die eerst het volk bestuurde [505] {66}. 2675 Niet drongen in een drom de handgenooten Om hem met heldenzin, der eedlen zonen, Maar scholen in het bosch en borgen 't leven. Bij éénen hunner woelde 't hart met zorgen: Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap 2680 Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren [506] {67}.

XXXVI.

Wiglaf, zoo heette hij, de zoon van Weohstan, Een waarde schildgenoot, een vorst der Schilfings [507], Alfheres bloedverwant. Hij zag zijn heerscher De laaie dulden onder 't legermasker. 2685 Hij was alsdan het eigendom gedachtig, Waarmee hem gene vroeger had begiftigd, De weeldevolle woning der Waegmundings [508], Elk volksbezit [509], gelijk bezat zijn vader. Zich houden kon hij niet. Zijn hand omvatte 2690 Den beukelaar, den gelen bast der linde. Hij toog den ouden degen, die het erfstuk Eánmundes, Ochters zoon, was bij de menschen; Aan welken vreugdeloozen zwerver [510] Weohstan Tot dooder werd in 't wapen door de zwaardspits. 2695 En Weohstan bracht daarop aan diens verwanten [511] Den bruingebronsden helm, 't geringde harnas, Het oude zijdgeweer, het werk der reuzen. Dit schonk hem [512] Onela: de legerkleeren Zijns maags, het treflijk heertuig; maar hij repte 2700 Niet van de vijandschap, ofschoon dat Weohstan Toch had ontzield den zoon van zijnen broeder {68} Die kostbaarheên behield hij [513] vele jaren, Rapier en rusting, tot zijn zoon eens roemdaân Volvoeren zou, gelijk weleer de vader. 2705 Hij gaf hem dies te midden zijner Gooten Ontelbre legerkleên, als hij het leven Verliet, de hoogbedaagde, voor de heenreis.-- 't Was de eerste keer voor dezen jongen kamper [514], Dat hij den heerstorm waagde met zijn meester. 2710 Niet smolt zijn moed daarheen, noch miste 't slagzwaard Des vaders in 't gevecht. Dat zou ervaren De reuzenworm, nadat zij slaags geraakten. Wel menig richtig woord verkondde Wiglaf En zei (zijn zin was droef) tot zijne makkers: 2715 «Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen En in de hal aan onzen heer beloofden, Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings Vergelden zouden, mocht hem zulke nooddwang Gemoeten, en den helm en 't harde lemmer. [515] 2720 Daarom toch koos hij ons tot deze kampvaart, Te midden zijner schaar, naar eigen schikking, En maande ons aan tot moed en schonk mij schatten, Omdat hij ons aanzag voor dappre speerlui, Helmvoerders onvervaard; al dacht de heerscher 2725 Dit krachtbestaan alleen tot stand te brengen, De volkenmenner, daar hij 't meest der mannen Roemdaden heeft verricht en stoute stukken. Nu daagde hij de dag, dat onze heirvorst De krachten noodig heeft van kloeke krijgers. 2730 Op! toegestormd, den oorlogsvoogd te steunen, Terwijl de hitte duurt, de wilde vuurvrees. God weet van mij: mij ware 't wenschelijker, Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler [516] Het vuur omving. Niet dunkt me dit betaamlijk, 2735 De schilden weer te brengen naar de woning, Tenzij wij eerst den vijand kunnen vellen En 't leven hoeden van den Wederhoofdman. Ik weet het maar te wel, dat zóó niet waren, Zijn daân van vroeger her, dat deze, de eenge 2740 Der Gootenridders, dulden zou den rampspoed [517] En vallen in 't gevecht. Ons beiden blijve Vereenigd kling en helm met schild {69} en harnas.» [518] Hij stapte door den doodelijken stikwalm [519], Den vorst tot steun aanrukkend met het strijdhoofd [520], 2745 En zei in weinig woorden: «Beste Beowulf, Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger Gezegd hebt in uw jeugd. Gij zoudet nimmer Uw eere laten zinken bij uw leven. Gij daadberoemde, vastberaden heerscher, 2750 Gij moet althans met alle macht uw leven Behoeden. Ik verleen u mijne hulpe.» Na deze woorden kwam het woedend ondier, De gruwe moordgast, voor de tweede male, Omblaakt door 't vlamgeblaas, op zijn bestokers 2755 Zich storten, zijn gehate tegenstanders. 't Rondas verteerde door het vuurgekronkel Tot op den rand. [521] Beschutting kon de rusting Den jongen lansenzwaaier niet verleenen; Maar onder 't schild des bloedverwants verschuilde 2760 De borst zich dan gezwind, omdat het zijne Vergaan was in den gloed. De krijgerkoning Was dan nog eens zijn heldendaân gedachtig. Hij rukte neer met reuzenkracht het kampzwaard, Zoodat het in het drakenhoofd zich hechtte, 2765 Geperst door woest geweld. Daar sprong in splinters Zijn Nageling; het zwaard van Beowulf zwichtte In dit gevecht, het oude, vaalgevlamde. Het was hem niet verleend, dat stalen lemmers Hem helpen konden in den kamp. Zijn handgreep 2770 Was al te kloek, die elke kling, mijns wetens, Bij 't treffen overmocht. Al bracht hij mede In 't krijt het hardste zwaard, het kon niet helpen. Ten derden male was de volksverderver, Het dreigend vuurgedrocht, den kamp indachtig. 2775 Het rukte, nu daartoe zich bood de ruimte {70}, Den sterke tegen, gloeiend, strijdontstoken, En knelde heel den hals met scherpe kaken. Hij [522] werd geheel met hartebloed bedropen, In golven gulpte weg het vocht der wonde.

XXXVII.

2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde, 't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren. Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen Werd heel de hand verbrand des koenen kampers, 2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde; Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523] De ridder in 't kuras; zoodat de degen, De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien Van lieverleên nu aanving na te laten. 2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn. Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen, Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte De Wederschuts den reuzenworm doormidden. Hij velde neer den vijand, dreef de ziele 2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.-- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen-- Den landheer was 't de laatste zegestonde Voor eigen daân, het jongst bedrijf op aarde. 2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak Had toegebracht, te branden, op te zwellen. Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden Hem golfde door de borst, het gift van binnen. Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand 2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte. Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden, Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers, In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon. Nu laafde hem met water [525] eigenhandig, 2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden, De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher, Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm. En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73}, De doodelijke wond: (Hij wist ter dege, 2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen, Het heil der aard; nu was geheel verstreken Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.) «Ik zou mijn zoon de legertooisels laten, Indien mij eenig erfbewaarder ware 2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527] 'k Bestuurde deze stammen vijftig winters; Van al de buren was geen volksgebieder, Die zich vermat door middel van de zwaarden Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen. 2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming, Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist, Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig. Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen, Om 't al verheugen; want de Heer der menschen 2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen, Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam. Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf, Nu nederligt de worm en weedoornageld 2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom. Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds, De gouden have zie, geheel bestare De kunstgesteenten, stralend als de hemel; Opdat ik na de volheid van kleinooden 2840 Het leven des te lichter mag verlaten, De stamgenooten, die ik lang bestuurde.»

XXXVIII.