Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 14

Chapter 143,413 wordsPublic domain

Nu ging de held [372] met zijne handgezellen Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend. 2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis En schreden duchtig door, tot waar zij wisten, Dat binnen in den burcht de hulp der helden, Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning 2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde. Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac: Dat op het erf aldaar de stut der stouten, Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig, 2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen Den voetbereisden gasten opgeredderd. Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover Hij, welke vele kampen had bevochten, Maag over maag, nadat de mannenkoning [376] 2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd Met weidsche woorden. Met de medekannen Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw; Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten. 2035 En Hygelac begon ter hooge halle Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen. De lust hem ledebraakte [378], welke waren Geweest de tochten van de Water-Gooten. «Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf, 2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre Den strijd te zoeken over 't zilte water, Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar, Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen Het wijdberuchte wee? Om deze reden 2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen. Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig; Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven. 2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.» En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: «o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen Aan menig man het wijdvermaarde treffen, Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel 2055 Ontstond op gene stede, waar hij weeën In groote menigt schiep den Zege-Schyldings En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken, Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen 2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven. Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal; Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen Van mijn ontwerp. De schare was in weelde; 2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel Bij hallevrienden grooter medevreugde. Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380], De statige vorstin, langs heel de halle, Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen, 2070 En menig reis bedeelde zij een ridder Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank. De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal Den hoofden aan, den helden aan de slagspits. Ik hoorde deze door de hallegasten 2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen Den helden gaf. De jonge, goudgehulde Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382]. Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen. Den hoeder van het rijk, en tevens rekent 2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384] Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer Een korte wijle na den val des konings, {52} Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.

XXX.

2085 Dan mag 't hierom den heer der Headobarden [385] En ieder krijger zijner lieden krenken, Als hij de zaal betreedt met zijne gade [386], En van de Denen daar een edel krijgsknaap De schare heeft bediend. [387] Aan dezen schittert 2090 Des vaders heertuig [388], hard, verrijkt met ringen, De kostbre have van de Headobarden, Zoolang zij heerschten over hunne wapens; Totdat zij wierpen in het schildgeworstel De lieve makkers met hun eigen leven. 2095 Dan spreekt bij 't bier hij, die bespeurt de halsboot, Een grijze lansheld [389], wien geheugt het gansche, Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele) En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs Des jongen krijgerkonings [390] te ondertasten 2100 Door zijner ziele zucht, en dan de kampkwaal Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden: «Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen, Dien onder 't legermasker voor het laatste Uw vader in 't gevecht eens met zich voerde. 2105 De kostbre kling, als hem de Denen doodden, Als 't veld behielden na den val des helden (Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings? Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels, 2110 Nu praalt hij op den moord en draagt het pronkzwaard, Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.» Zoo maant, herinnert hij hem telken male Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt, Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden 2115 En levenloos de dienaar van de vrouwe [391] Voor 's vaders daân. Vandaar ontduikt de tweede [392] Nog onverlet, hij kent het land ter dege. Dan zal der ridders eed van beide zijden Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld, 2120 En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft [393] Door 't zorggezwalp. Des houd ik niet de hulde, Der Headobarden heertrouw tot de Denen Voor argeloos, {53} noch vast gevest hun vriendschap. [394] Ik wil nu verder weer van Grendel spreken, 2125 Opdat u gansch verneemt, o goudbegever, Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers. Zoodra 't juweel der transen [395] was getrokken Langs 't aardrijk, kwam de vreemdeling, de kwade, De leede nachtbelager ons bestoken, 2130 Alwaar wij wel te moe de zaal bewaakten. Verderflijk viel een kamp ten deel aan Hondscio [396], Geweldig sterven aan den doodbestemde. Hij sneefde 't eerst de staalomgorde strijder: Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder 2135 Van mijn vermaarden maat. Hij zwolg het lichaam Des lieven mans geheel. Met leege handen Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken; Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten. 2140 Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen [397], Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd Uit drakevellen door des duivels toedoen. Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver, 2145 Met menigeen daarbinnen schuldloos bergen. Niet kon hij 't evenwel, zoodra ik woedend In volle lengte rees. Te lang zal 't wezen Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde. 2150 Ik heb, mijn vorst, uw volk [398] aldaar verheerlijkt Door 't wapenfeit. Hij droop dan weg en luttel Genoot hij nog de vreugde van het daarzijn. Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen In Heort, en hoonvol zonk, in 't hart verbitterd, 2155 Hij naar den bodem van de zee te zamen. De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp Mij mild met goud en menigte juweelen, Nadat de morgenschemer was verschenen, En wij gezeten waren aan het feestmaal. 2160 Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend. Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte, De zoete harp, het hout der vriendenvreugde. Te met ontspon hij sproken waar en weevol, 2165 Ofwel de grootgezinde koning zette Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. [399] Dan weer begon de grijze wapenvoerder, Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst, 2170 Wanneer, door winters wit, hij 't aantal nadacht. [400] Wij vonden zoo gezelschapsvreugd daarbinnen Den ganschen dag [401], tot daalde een tweede nachtstond Op 't menschenkroost. Toen was alweer de moeder Van Grendel ras gereed tot leedvergelding. 2175 Daar toog zij troosteloos: de slagdood sleepte Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders. Zij wreekte haren zoon 't ongure zeewijf: Een ridder doodde zij op ruwe wijze. Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman, 2180 Den langbeproefden, 't licht. De Denenlieden Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte, Verbranden in den brand den levenlooze, Noch laden op de mijt den lieven makker: Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam 2185 Des vijands {54} onder aan den val des bergstrooms. Voor Hrodgar was 't het wreedste aller weeën, Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider. Mij bad de koning leedvol bij uw leven, Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel, 2190 Blootstelde mijn bestaan, iets dappers dede. Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens Den wilden, gruwelijken grondbewaker Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed. 2195 Toen hieuw ik af het hoofd in gene grondwoon Aan Grendels moeder met het wichtig wapen. Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven. Nog was ik niet bestemd om dan te sterven; Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders 2200 Met macht van kostbaarheên, de zoon van Healfdeen.

XXXI.

Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder. Volstrekt niet ging mij 't loon, de prijs verloren Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking. 2205 Die haak ik u te brengen, heer der mannen, Eerbiedig aan te biên. Geheel mijn hulde Zij wendt zich weder uwaart [402] {55}. Hoofdverwanten Bezit ik luttel meer, tenzij u, Hyglac [403].» Het everbeeld gebood hij in te brengen, 2210 De hoofdbanier [404] {56}; het kampbeheerschend hoofdscherm, Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard, En sprak dan 't woord: «Hrodgar, de wijze koning, Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk, Dat ik vervolgens zei diens wedervaren, 2215 En hij verhaalde, dat de heer der Schyldings, Vorst Heorogar [405], het lange had bezeten. Toch wilde die aan Hereward, den koenen, Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting, Al schatte hij hem hoog. Gebruik het heilvol.» 2220 'k Vernam, dat na die schatten vier genetten, Gelijk en appelvaal, op 't voetspoor [406] volgden. Van ros en have deed hij Hyglac hulde.-- De magen moeten zich alzoo gedragen, Geen net der valschheid voor den andre vlechten, 2225 Noch 's makkers dood bereiden door een toover. Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel, Aan dezen was de neef geheel genegen. Elk hunner was des andren heil gedachtig.-- Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den halsring [407], 2230 Het kunstig wonderwerk, waarmee hem Welchtheow, De vorstendochter, had bedeeld; daarboven Een drietal slanke, goudgezaalde dravers. Versierd was sinds na 't bootgeschenk haar boezem. 't Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich onderscheidde, 2235 De kampvermaarde man, door dappre daden. Hij leefde volgens eer en velde geenszins De met hem aangezeten haardgezellen. Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte Bewaakte met de meeste macht eens menschen 2240 De reuzengave, hem door God geschonken [408] {57}. Hij leefde lang verguisd, zoodat de Gooten Hem in 't geheel niet hielden voor heldhaftig, En hem de heer der manschap bij de meebank Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden 2245 Zij, dat hij was te loom, een weerloos eedle. Een keer gewerd den luisterrijken kamper Voor elken hoon. [409] De schuts der ridders, Hyglac, De kampberoemde koning, liet het lemmer, Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen. 2250 Alsdan bevond zich in den vorm van slagzwaard Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten. Hij lei 't in Beowulfs schoot en schonk een landmaat [410] Van zeven duizend, burcht en koningszetel. Hun beiden, bij het volk, was 't land vervallen 2255 Met grondbezit en recht op 't erfgoed rustend. Den tweede [411] viel, den beste van geboorte, Er meer, de breede koningsmacht ten beste.-- [412]

Dit viel vervolgens bij de strijdonstuimen [413] In later dagen voor: Sinds Hyglac neerlag, 2260 En Heardred [414] het heirzwaard onder 't schilddek Geworden was tot dooder--daar de Schilfings [415], De stoute krijgerhelden, hem bestormden In 't midden van zijn zegevolk [416] en dezen, Den neef van Hererik [417], door kamp benarden-- 2265 Sinds raakte 't breede rijk in Beowulfs handen {58}. Wel vijftig winters [418] heerschte deze heilvol, (Toen was 't een wijze vorst, een grijze goedsheer) Totdat alsdan begon bij duistre nachten Een draak te heerschen, die een schat behoedde, 2270 Een steile steenrots op de hooge heide. Een steegje lag beneên, vermoed door niemand. Een dienstman, 'k weet niet welke, dook er binnen; Begeerlijk greep hij naar het goed des heidens [419], Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen goudglans. 2275 Nochtans hij gaf ze in later tijd niet weder, Al had hij door een dievenlist den hoeder Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden 't Gewest der mannen, dat hij was in woede. [420]

XXXII.

Noch eigenmachtig werd tot gast des monsters 2280 Noch des gewild {59} hij, wien het zeer zou schaden [421];[422] Maar door het nijpen van den nood ontslipte Een slaaf van zekren heldenzoon de slagen Des haats, van huis beroofd, en borg zich binnen. De schuldgedrukte schouwde dra in 't ronde; 2285 Ofschoon den vreemde schrik en zielsontzetting Bemachtigd had [423], bemerkte toch de ellendige, De armzaalge man, op zoek naar eenen ingang [424], Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk [425] {60}. Er waren vele zulke voortijdsschatten 2290 In 't hol, gelijk in lang verdwenen dagen Ik weet niet welke man 't onmeetlijk erfgoed Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten, Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk. Hen allen had de dood voorheen verdreven, 2295 En nu een enkel nog der schaargenooten, Die 't langst er waarde, een vriendbeweenend wachter, Verlangde dit alleen nog uit te stellen: d'Onmeetbren schat slechts kort te mogen smaken. [426] Er rees geheel gereed een doodenheuvel 2300 In 't veld omhoog, niet verre van de baren, Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte. En wel beveiligd door versperringswerken. Der kostbaarheên en ringen hoeder voerde Er dan den loggen last van bladgoud binnen 2305 En sprak in weinig woorden: «Wil, o aarde, Behoeden, daar de helden dit niet konden, Het eigendom der eedlen. Immers dappren Ontvingen dit van u [427] in vroeger tijden. De lansdood rukte weg, het levenseuvel, 2310 Elk moedig krijger onder mijne mannen, Die 't leven lieten, 't heil des hemels [428] zagen. En niemand heb ik nog, die draagt den degen, Of wischt den gulden kroes, de weidsche drinkschaal; Naar elders is verreisd de ridderschare. 2315 Den harden helm, gesmukt met goudgesmijde, Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering: De dienaars slapen, die het oorlogsmasker Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd, Dat bij 't geworstel boven 't schildgeschilfer 2320 Den beet van 't staal ontbeidde, stuk gebroken Na zijnen heer. Niet zal 't geringde harnas Nog verre, na den val des oorlogsvorsten, Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde, Geen vreugde van 't gezellig hout! [429] Geen havik, 2325 Geen wakkre, klapwiekt langs de woning henen. En 't rappe ros het slaat niet meer de slotplaats. Zoo sleepte van 't geslacht, het levensvolle, Een harde dood er velen verre henen.» [430] Dus somberstemmig kermde hij door kommer, 2330 Na allen nog alleen, en rouwde lustloos Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om 't harte De deining van den dood. De schoone schatten Vond openstaan de aloude schemervijand, Die barnend bergen [431] zoekt, de naakte nooddraak, 2335 En ommevliegt des nachts met vuur omvangen. Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners. Hij zoekt de schatten binnen in den bodem, Alwaar hij wacht houdt bij de heidenhave, Aan winters oud. Niet beter zal 't hem wezen [432]. 2340 Zoo had driehonderd jaar de volksverheerder 't Gezegde goudhuis in den grond bezeten, 't Onmeetbre, tot hem gene man [433] vertoornde In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn meester [434] De gouden vaas en bad den vorst om vrede. 2345 Zoo werd 't juweel ontdekt, de ringenrijkdom Geschend, de wensch des armen mans bewilligd. De meester staarde op 't oud gewrocht der menschen Voor de eerste maal. Als 't monster weer ontwaakte, Was 't strijdgeding vernieuwd. De stoutgestemde 2350 Berook de rots en vond des vijands voetspoor, Die door geheime hulp te gauw ontglipte, Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks. Licht mag zoo met het leven leed, verbanning Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren. [435] 2355 Nu speurde gretig langs den grond de hoeder Der have; want hij wou den dief ontdekken, Die hem bereid had in zijn rust die kwelling, En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten Hij menigmalen om den heuvel henen. 2360 Geen wezen was in deze woestenije; Nochtans hij juichte toe den kamp, het krijgswerk. [436] Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker; Hij merkte dit weldra [437], dat een der menschen Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen. 2365 Ter nauwernood vermocht de schatbeschutter Te wachten tot de schemer was verschenen Des heuvels hoeder was ontbrand in woede; De vijand wou met vuur en vlam vergelden Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen, 2370 Den draak naar wil en wensch. Niet langer wilde Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen, Met vuur gewapend weg. 't Begin was gruwzaam Den lieden in het land, gelijk het spoedig Met scha zou einden voor hun schattenplenger [438].

XXXIII.

2375 De gast alsdan begon zijn gloed te braken, De weidsche heerenhoven [439] weg te branden. Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn. Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler, Niets levendigs er overig te laten. 2380 Het woeden van den worm was wijde zichtbaar, Des doodelijken veete heinde en verre, Op welke wijze deze kampbekneller De helden van de Gooten haatte en hoonde. Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten, 2385 De duistre wonderhalle, vóór den dagstond. Hij had omstrikt met brand de streekbewoners, Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots, Op strijd en wand [440]. Toch faalde die verwachting. Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar 2390 Aan Beowulf, dat zijn eigen dak, het heerlijkst Der huizen, werd verteerd door 't vlamgewentel, Der Gooten giftgestoelt [441]. Dit was den goede In 't harte leed, het hevigst zielelijden. De wijze waande, dat hij, tegen de oude 2395 Geboden in, den Heer, den eeuwgen Heerscher, Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde Zijn binnenst bij die duistere gedachten, Gelijk het geen gewoonte was bij dezen. [442] De vuurdraak had den volksburg met de meerkust [443] 2400 Daarbuiten, heel 't gebied verteerd door vlammen. Des zon de wapenvorst, de heer der Weders, Op wederwraak. Der strijders heul bestelde, Te klinken heel van staal een kunstig kampschild, Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout, 2405 Het lindeschild niet vrijde voor de laaie. Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte, Het einde zien der wisselzieke dagen, Des levens hier omlaag, en 't monster mede. Al had het lang [444] bewaard de macht juweelen. 2410 De uitreiker van den ringensmuk versmaadde Nochtans den ommevlieger aan te tasten Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. Hij vreesde dit gevecht niet voor zich zelven [445], Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm, 2415 Zijn sterkte en stoutheid; want gevaren wagend Had hij voorheen bevochten vele kampen De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning De zegerijke krijger, had gezuiverd En in 't gevecht vergruisd het oir van Grendel, Het heilloos zaad. 2420 Niet kleinst was 't handgemengel [446] Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen, Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend, Bij 't slaggestorm in Friesland was gestorven, De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden, 2425 Gedood door 't staal. Van daar ontsnapte Beowulf Door eigen sterkte en stelde in 't werk de zwemkunst. Hij droeg alleen op de armen dertig rustings [447] Bij 't duiken in den vloed. De Franken [448] dorsten Om 't voetgevecht geenszins praalzuchtig wezen, 2430 Die op hem toe de houten schilden torsten [449], 't Gelukte alleen aan weinigen, om weder Te ontkomen van den kampheld [450] naar de haardstee. En Ecgtheows zoon doorzwom de stille strooming, Een arm verlateling, ten lieden weder, [451] 2435 Waar Hygd hem 't rijk met schat en ringen aanbood En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen In haren zoon [452], dat hij het stamgestoelte Vermocht te houden tegen vreemde heermacht, Thans nu dat Hygelac was overleden. 2440 Niet zouden zij, verlatenen [453], erlangen, Op welke wijs dan ook, van dezen eedle, Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher, Ofwel het koningschap zich wilde kiezen. Nochtans hij schraagde hem aan 't hoofd der schare 2445 In gunst en eer met goedgezinde lessen, Tot Heardred ouder werd, beval den Weders. [454] Hem [455] hadden langs de watren bannelingen, {61} De zonen Ochters [456], opgezocht. Zij hadden Zich tegen hunnen Schilfingheer [457] vergrepen, 2450 Den waardsten zeevorst hunner, welke schatten Deelden in 't Zwedenrijk, een roemvol koning. Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal: Voor zijn onthaal [458] ontving de zoon van Hyglac De doodswond door het zwaaien van de zwaarden. 2455 Nu rukte weer terug, de woon te zoeken, Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van Ongentheow. [459] Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden, Het volk [460] gebieden. 't Was een beste koning! [461]