Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 13
Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen, 1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste Der wapens was het; enkel woog het zwaarder Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren. Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf, 1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig, Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend. Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze Naar binnen drong en brak de beenderwervels, Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde. 1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig, En over 't werk verheugd de wapenkrijger. Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert. 1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman, Verwoed en vastberaân. Niet was het wapen Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde 1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden, Door dezen aangedaan den Wester-Denen, Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer En vijftien in den slaap van 't volk der Denen 1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde, Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding De onstuime held, tot waar hij afgestreden En zielloos Grendel liggen zag op 't leger, Gelijk voorheen de worsteling in Heorot 1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar, 1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren. De grauwgebaarde grijsaards onderhielden Zich al te gader over hem, den goede, Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk 1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher. 't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf. Toen was het negende uur [304] des dags genaderd. Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings, En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305]. 1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307] De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder, 1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid De banden slaakt der vorst, de waterboeien Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.-- De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten, 1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer: Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig, Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij, 1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren Der boozen, dook naar boven door het water. Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd, De wijde watervlakte, waar de daemon Zijn levensdagen achter had gelaten, 1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden. Nu praalde hij op zijne prooi der diepte, Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde. Nu gingen hem te moet en dankten Gode 1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen. Den opgewonden werden helm en harnas Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water, De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad. 1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat, Den welbekenden weg. De koene mannen Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte: Iets moeitevols voor elk der moedvervulden. 1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal, Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten, En op het medeërf [310] begaf kloekmoedig 1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher. Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning, De man, door daden koen, door moed verheerlijkt, De slaggeharde held, te groeten Hrodgar. Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren 1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken, Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe. De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.
XXV.
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: «Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der Schyldings, 1685 Wij brachten vroolijk tot een zegeteeken U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt. 'k Volvoerde 't nauwlijks met gevaar van 't leven: Ter nauwernood in 't worstlen onder 't water Bestond ik deze daad. Mij was het strijden 1690 Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling, Schoon deugt de degen; maar de Heer der menschen Verleende mij, dat 'k aan den muur zag hangen Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen; 1695 (Hoe vaak geleidde Hij de vriendenloozen!) Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in 't worstlen (Daar gunstig was de kans) der woning wachters [312]. Het kampzwaard teerde weg, 't getogen lemmer Op 't oogenblik, waarop het bloed ontspatte, 1700 Het heetste wapenvocht. Van daar ontvoerde Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte Ik de euveldaân, de doodskwaal van de Denen, Gelijk het paste. Dit beloof ik heden: Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd 1705 Met uwer helden stoet en elken strijder Van uwe mannen, meerderen of mindren; Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten, o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal, Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.» 1710 Nu werd den ouden held de gouden handvat, Het grijze wapenhoofd [313], ter hand gegeven, 't Aloud gewrocht der reuzen. [314] Dit geraakte Nu in 't bezit, dit werk der wondersmeden, Des Denenvorsten, na den val der duivels. 1715 De wrevelzieke man, Gods tegenwrijter, Had moordbelaân verlaten deze wereld, Zijn moeder mee. Nu viel 't te beurt den waardsten Der wereldvorsten bij de beide zeeën, Die schatten deelden op het Schedeneiland [315]. 1720 Toen zeide Hrodgar;--hij bezag de handgreep, Het oude stuk, waarop 't ontstaan des voorkamps [316] Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining, Het overstroomend nat de reuzenstammen. Zij bleken boos. 't Geslacht het was weerbarstig 1725 Den eeuwgen Heer. Des gaf hun de Albeheerscher De slotvergelding door den vloed der golven. [317] Op 't hechtbeslag van heerlijk goud was tevens Beteekend, trouw gezet, gezegd in runen [318], Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen 1730 Met slankgewrongen, slangomslongen handgreep. [319]-- Toen nam het woord [320] de wijze zoon van Healfdeen, En ieder zweeg: «Voorwaar, dit zal hij zeggen, Die onder 't volk bevordert recht en waarheid, Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer, 1735 Dat deze dappre beter [321] werd geboren. Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf, Uw roem gevaren over alle volken. Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte En wijsheid van 't gemoed. U wil 'k bewijzen 1740 Mijn dankbaarheid, als wij voorheen bespraken. [322] Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting, Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was Heermod [323] Voor 't zaad Ecgwela's, voor de Zege-Schyldings. Niet groeide hij tot lust der Denenlieden, 1745 Maar wel tot lijkenval en stervenslijden. Dolzinnig doodde hij de dischgenooten, Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam scheidde [324] De hooge heerscher, ver van 't heldenwoelen. Ofschoon een machtig God hem met de weelde 1750 Der heldenkracht en sterkte had verheerlijkt En over alle mannen heen verheven, Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten. Hij deelde geene ringen [325] aan de Denen, Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde 1755 Ervoer hij, dat hij drang om zijn vervolging Te harden had, het eindelooze lijden. [326] Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid. Ik sprak, door jaren wijs, voor u die spreuken. Een wonderbare zaak is 't om te zeggen, 1760 Hoe dat een machtig Schepper aan het menschdom Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles. Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde Ontvonken voor een man van hoogen huize {48}. 1765 Hij geeft hem op zijn goed 't genot der aarde, Om op der helden heerschersburg te huizen; Hij [327] onderwerpt hem zoo der wereld deelen, De groote rijken, dat hij zelf [328] de grenspaal Zich wegens 't onverstand niet voor kan stellen. 1770 Hij leeft in overvloed; niets kan hem letten, 't Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat Vertoont zich, waar 't ook weze; maar de wereld Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen onspoed; 1775 Tot de overmoed inwendig wast en woekert; De hoeder [329] sluimert dan, der ziele herder, De slaap is diep, geketend door vermoeidheid, De moorder [330] zeer nabij, die met den pijlboog Zal wonden op verraderlijke wijze.
XXVI.
1780 Dan zal hij in den boezem zijn getroffen Door scherpe schichten onder 't helmbeschutsel [331]. Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde Door 't wondervol gebod des boozen geestes [332]. Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel. 1785 Nu schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin [333] Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost Zijn later lot, omdat hem God, de uitdeeler Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie, [334] 't Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam 1790 Te zamen zinkt en dat vervalt het veege. Een ander erft het rijk, die zonder rouwen De have kwist, des eedlen kostbaarheden, En zich aan later zorg niet laat gelegen, o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven, 1795 Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste, En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend [335] welzijn. Betracht geen overmoed, vermaarde kamper! Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten; Maar 't draagt weldra zich toe, dat zwaard of ziekte 1800 U rooven uwe kracht, hetzij de omkronkling Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden, Hetzij de greep van 't zwaard, de vlucht der werpspies, De gruwe grijsheid, of de glans der oogen Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal't geschieden, [336] 1805 Dat u, den legerman, de dood vermeestert. [337] Zoo heerschte ik honderd halve jaren over De Harnas-Denen onder 't dak des hemels En hoedde hen voor strijd met vele stammen Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer; 1810 Zoodat ik onder 't wulfsel van de wolken Voor mij niet eenen tegenstander telde. Gewis, mij overviel daarom een wending Op 't stamgoed, smart na vreugde, sedert Grendel, [338] De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker. 1815 Voortdurend droeg ik onder die verdrukking Geweldig hartewee. De Schepper weze Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen Te blikken naar het hoofd [339], het zwaardbebloede, 1820 Na 't oude zeer. Begeef u naar uw zetel En deel in 't dischgenot, o krijgsbekroonde. Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden, Zoodra de morgen aanbreekt.» Wel te moede Was nu de Goot en ijlings ging hij verder 1825 Zijn zetel zoeken [340], als beval de vroede. Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger, Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters, Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle, De duistere, verdonkerde zich over 1830 Het wapenvolk. De ridders rezen allen. De grauwgelokte wilde 't leger zoeken, De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld, Den wijdberoemden, lustte 't zeer te rusten. Den strijdvermoeiden man, den verontstamden, 1835 Geleidde fluks van daar een halbediende, Die naar het hofgebruik in elke nooddruft Eens ridders zou voorzien, gelijk de zeeliên [341] Gedurende den dag behoefte hadden. Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig 1840 Verrees de bouw; de vreemde sliep er binnen, Totdat de donkre raaf [342], verheugd van harte, Des hemels weelde weder kwam verkonden. Daar gleed de zonne glanzend over 't aardrijk; De weerbren ijlden. De edellieden waren 1845 Gereed terug te varen naar hun volksstam. De vreemdeling, de hooggestemde, haakte Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden. De held beval nu Hrunting voor te brengen, Verzocht aan Ecglafs zoon [343] het zwaard te nemen, 1850 Het dierbre staal; hij dankte voor 't geleende {49} En zei, hij schatte dit geschikt een kampvriend En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer Van 't staal met woorden. 't Was een moedig strijder! [344] Als nu de reisverheugde kampers reede 1855 In 't harnas stonden, stapte hij, de heerscher [345], Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar.
XXVII.
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: «Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen 1860 Wij, wijdbereisden, dat we wenschen Hyglac Terug te zien. Wij zijn als 't voegt ontvangen [346] Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen. Indien ik eenigszins op deze wereld Nog meer uw hartemin vermag te winnen, 1865 o Heer der dappren, dan ik deed tot dezen Door wapendaân, ik sta aanstonds wilvaardig. En zoo ik dit aan gene zij der zeeën Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur, Gelijk voorheen de haatgezinden [347] deden, 1870 Zoo zal ik duizend mijner dappren brengen, Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat, Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze, Dat hij, der volken herder, mij zal helpen Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart 1875 En 't wapenhout [348] tot hulp, tot steun der sterkte U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen. Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt, Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken, {50} Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden. 1880 Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte.» [349] En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord: «Die redevoering gaf de wijze Godheid U in 't gemoed. Van geenen man nog hoorde 1885 Ik op die jonge jaren [350] rijper rede. Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig, Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting Dat--zoo het eens geschieden zou, dat werpspies Of staalverwoede strijd den zoon van Hredel [351] 1890 Wegrukken zal, hetzij dan ziekte of ijzer, Den herder van het volk en uwen heerscher, En gij in leven zijt--dat dan de Zee-Goot Geen beter heer dan u tot schatbehoeder Der helden heeft te kiezen, zoo te heerschen 1895 Gij mocht verlangen over 't rijk der magen. [352] Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken, De Gootenliên en lansgeduchte Denen, Gemeenbezitting wezen zal de vrede; 1900 De strijd gestaakt en de overvallingsveete, Die ze eer bezuurden; dat hij zal verblijven, Zoolang ik 't uitgestrekte rijk besture, Gemeen de schat, en menigeen den andre Met giften over 't duiklaarsbad [353] zal groeten. [354] 1905 De staalomwonden kiel zal over 't water De gaven brengen met de gunstbewijzen. Ik weet, dat tegenover vriend en vijand Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare, In alles zonder blaam, naar de oude zeden.» 1910 Toen schonk hem bovendien de schuts der ridders, Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden. Hij hoopte, dat hij met die gaven heilvol Zijn trouwe volksliên weder zoude vinden En ras teruggekeeren. Hierop kuste 1915 De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings, Der helden besten, zijnen hals omvattend. Den zilvergrijze zegen neer de tranen, Verwachting was er voor den ouden wijze Van alle twee, nochtans van 't andre sterker [355]: 1920 Dat zij voortaan, de bouden bij de toespraak [356], Elkander nimmer zouden kunnen weerzien {51}. Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling Des harten niet vermocht in toom te houden; Maar in de borst, besloten in de boeien 1925 Van zijn gedachten, haakte stil de heerscher, [357] Ondanks het bloed [358], naar dezen dierbren krijger. Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf, Verheugd om 't goud, nu henen langs de graszoo. Het waterros, dat op het anker rukte, 1930 Verwachtte zijn bezitter. Onderwege Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. Een eenig heerscher was 't, geheel onlaakbaar, Tot hem 't genot der kracht ontnam de grijsheid, Die menigmaal zoovelen heeft vermeesterd.
XXVIII.
1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting Der leden. Weder sloeg de landwacht gade De komst der krijgers, als hij deed voordezen. Niet met gegrauw begroette hij de gasten 1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360] Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden. Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven, 1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361] Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden, Dat deze sedert des te meer ter meebank Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard. 1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven Den diepen vloed, verliet het land der Denen. Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen, Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde En langs den vloed belemmerden de winden 1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize. De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig, Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen Der Gooten met de goedbekende kapen. 1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld Stond zij nu op het strand. De havenhoeder Bevond zich onverwijld gereed aan 't water, Hij welke, wachtend op de lieve lieden, Zoo menigmaal te voren in de verte 1965 Had uitgekeken bij de waterkolken. Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde. Hij heette toen der edellieden have, 1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen. Men had niet ver van daar den schatuitdeeler Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde Er zelve metterwoon en met de mannen Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk. 1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig En wijs en hoog van zin, schoon Häreds dochter Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam, 1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre Het wagen van haar trouwe lijftrawanten, 1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei, Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei. Daarna, na deze hechtenis, was spoedig Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen 1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364] Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365] Een waarden krijger, naar vermeende krenking, 1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366] Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367] Dat zij berokkende geringer gruwlen [368] En listig leed, nadat de goudgedoste Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven 2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369] Op reis bereikt had langs de vale vloeden, Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze Op haren heerschersstoel op waarde wijze Het levenslot, vermaard om hare mildheid. 2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde, Der menschen besten, volgens mijn ervaren, Der menschenzonen bij de beide zeeën. Hierdoor was Offa door zijn daân en giften, Een speerbehendig man, alom verheerlijkt. 2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland. Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer, Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371]
XXIX.