Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 12
Een beker werd hem nu gereikt, met woorden Hem toegebracht de heusche bee te drinken, Ringvormig goud werd huldevol geboden, 1215 Armtooisels twee en ring en rusting, 't grootste Der halssieraân, waarvan ik hoorde op aarde. Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol onder Het hemellicht door schatten, sedert Hama [231] Naar zijnen hoogen burg den Brosinghalsband [232] 1220 (Den kostbren schat) met dezes schrijn ontvoerde. [233] Hij nam de vlucht voor Ermenrics vervolging [234] En koos zich 't eeuwig heil [235].--Der Gooten Hyglac Was in 't bezit des rings [236] de laatste reize. De kleinzoon Swertings [237], toen, den schat beschuttend, 1225 Hij voor den slagbuit [238] streed bij zijnen standerd. Toen rukte Wyrd hem weg [239], terwijl hij moedig Het wee doorstond, de worstling met de Friezen. Den smuk, de kostbre steenen, had de koning Toen meegebracht langsheen der baren beker. 1230 Daar viel hij onder 't schild. Het lijk des vorsten Geraakte in Frankenhand [240] met ring en borstkleed; Want na beslechting van den slag beroofden Er slechter kampvermeetlen [241] de verslagenen; De Gootenlieden bleven op de lijkstee.-- 1235 Zij nam het halskleinood {36} en Wealchtheow zeide En voor de volkschaar sprak zij: «Beste Beowulf Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring; Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden. Gedij ter dege. Word bekend door krachten 1240 En wees mijn zoon ook [242] welgezind door lessen. Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen. Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden U steeds, zoover haar windomwaaide stranden De zee bespoelen zal, u zullen achten. 1245 o, Wees, zoolang gij leeft, een rijke ridder. Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke. Elk krijger hier is heel verknocht den andren En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam. 1250 Wilvaardig zijn de helden, 't volk is volgzaam. Ik bid u, blijft zoo handlen [243], drankverheugden {37}.» Vervolgens richtte zij zich naar den zetel. Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken. Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot, 1255 Gelijk het moest vergaan met menig edele [244], Nadat verschenen was de schemeravond, En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge, Naar zijne rust. Een reuzig tal van ridders [245] Behoedde weer, als vroeger [246] vaak, de halle. 1260 Den bankvloer ruimden ze op [247]. Hij werd in 't ronde Geheel bedekt met bedden en met bolsters. Reeds vlijde zich een schenker [248] op het vloerbed, Den dood vervallen, veeg {38}. Het strijdschild stelden Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout. 1265 Daar op de bank was boven de edellieden {39} De hooge helm te zien, 't gevlochten harnas, 't Geweldig krachthout. 't Waren hun gewoonten Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen, In 't heir en thuis en tevens op elk tijdstip, 1270 Wanneer de nooddwang voor den volksbeheerscher Zich op mocht werpen. [249] 't Was een wakkre schare.
XX.
Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde Er één [250] zijn avondrust; als 't menig reize Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon 1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde Was opgedaagd, de dood na de euveldaden. Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom, Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand, Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40} 1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels, Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde; Sinds Kaïn werd den broeder door het wapen Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders. 1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt, De wereldweelde en trok in wildernissen. Hier werden uit verwekt de ongure geesten. Van hen was Grendel één, de hatelijke, De zwaardgedoemde, die den man ontmoette, 1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend, Waar 't monster met hem handgemeen zou worden. Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren, De reuzengift, die God hem had gegeven. Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand 1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking. Hij kwam daardoor te boven dezen booze, Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol, Van heil verstoken henen, hij, de vijand Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255] 1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen, Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot, Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen. Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258], 1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels. Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger, Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259], De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde, 1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen. Het taaie zwaard werd in de hal getogen, De degen over hunne banken henen [260], Geheven menig schild met forsche handen Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas, 1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde, Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden, Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen. Dit was des konings meest beminde kamper 1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeeën, Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger, Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf; Want na de uitdeeling werd een andre woning Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen. 1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263] Het wee was weer vernieuwd in hunne woning. Niet deeglijk was de handel, dat de helden Betalen moesten met der makkers leven 1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede, De grijze wapenheld, was wild te moede, Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman. In aller ijle werd uit zijne woning Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf. 1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen De held zich heen, de koengestemde kamper, Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten, Of de Algebieder na die bange boodschap Hem ooit een wending wilde voorbewaren. 1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde) Den wijzen Denenheer met woorden welkom Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266], Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.
XXI.
1345 En Hrodgar sprak, de schermheer van de Schyldings: «Naar welstand vraag me niet. De nood is weder Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere, Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder, Mijn alvertrouwde en raadverstrekker tevens, 1350 Mijn zijgenoot, wanneer wij 't hoofd behoedden In 't veld, wanneer te zamen stiet het voetvolk, Helmevers stormden {41}. Zoo toch zij een strijder, Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere. Hem werd tot wurger in de hallewoning 1355 De duistre doodsgeest. 'k Weet niet, waar de gruwbre Al bogend op den buit teruggereisde, Door 't rooven van de prooi alleen verraden. [267] Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete, Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet 1360 Op woeste wijs met harden handgreep; immers Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden. Hij viel in 't krijt, vervallen van het leven. Nu daagde een ander machtig euveldader, Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken, 1365 En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. [268] {42} Diensvolgens mag het menig dappre dunken, Die naar den heerscher [269] haakt in zijne ziele, Een harde hartkwetsuur. Nu rust de rechte [270], Die willig was voor ieder uwer wenschen. 1370 Dit hoorde ik landbewoners, {43} mijne lieden, Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal Van zulke reuziggroote grensbesluipers Gehuisvest zagen midden in de moeren, Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer 1375 Scheen, naar hun beste weten, volgens 't wezen Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch In mansgedaante op ballingswegen [271] doolde. Slechts was hij machtiger dan een der mannen. Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd 1380 Het aardevolk. Zij kennen niet zijn vader, Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons. Zij nestelen in ongenaakbre streken, [272] In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten, Verraderlijke paden door moerassen, 1385 Alwaar de bergvloed uit de omwolkte klippen Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde. Niet wijd van hier, op weinig mijlen afstands Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen Zich overbuigen, wouden vast door wortels. 1390 Ze omhuiven 't nat. Daar zal men alle nachten Een vreeslijk wonder zien, een vuur in 't water. Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der menschen, Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden In 't nauw gebracht, het hert, de heideganger, 1395 't Geweigeweldige, het woud, van verre Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven Eerst over, zijnen adem aan de zoomen, Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden. 't Is geen aanminnig oord, vanwaar 't gemengel 1400 Der golven, 't zwarte, tot het zwerk opsteigert, Wanneer de winden wentlen norsche vlagen, Tot donker wordt de lucht, de transen weenen. [273] Bij U alleen berust alweer de redding. Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare, 1405 Alwaar gij 't snoode wezen moogt ontmoeten. O, zoek het, zoo ge durft, 'k Vergeld met gaven 't Gevecht en ouden smuk, als 'k deed te voren, Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.»
XXII.
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: 1410 «Zorg niet, hoogwijze vorst! 't Is elk gewenschter Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen. Een ieder onzer zal het eind ervaren Van 't leven hier omlaag. Dat hij behale, Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven! 1415 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. [274] Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder! Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde, 1420 Noch in het berggeboomt, noch op den bodem Der golven, ga ze dan alwaar ze wille. Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.» Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode, 1425 Den sterken Heer, voor 't geen de held daar zeide. Getoomd werd toen des konings ros, de klepper Met langgelokte manen. Statig stapte De wijze heerscher heen; de voetschaar volgde Der schildbeschutten. Verre was te schouwen 1430 Langsheen de wegen van het woud het voetspoor Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte, Alwaar hij wegsloop over 't donkre drasland En met zich bracht d'ontzielden man [275], den besten Van hen, die 't huis beheerden met den heerscher. 1435 Nu toog der eedlen telg [276] langs steile steenklip, Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen, Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen En menig nikkerhuis. Aan 't hoofd der enklen, Der wijze lieden, ging hij [277] 't land doorvorschend, 1440 Totdat hij eensklaps aantrof 't berggeboomte, Dat langs de grauwe rotsen overleunde, Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden Het water bloedigrood en wildbewogen. Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden, 1445 En menig held in 't hart wel zwaar te harden; Een rilling was 't voor ieder van de ridders, Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip. Van 't bloed, het heete hartbloed, woelde 't water. De helden zagen toe. Soms zong de horen 1450 Een vaartree oorlogslied. De heele voetschaar Was neergezeten. Langs het water zagen Zij meer dan een van 't slag der monsterwormen, Ontzetbre zeegedrochten 't nat doorzoeken, Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend, 1455 Die tegen middagtijd gevreesde tochten Niet zelden ondernemen langs de zeilstraat [278], Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn. 1460 De Gootenvorst beroofde van het leven En 't zwemgedartel éénen door den pijlboog, Dat hem in 't harte drong de scherpe heerschicht; En loomer, naar gelang de dood hem wegnam, Werd deze bij het zwemmen door de zeeën. 1465 Gezwind met eversprieten, scherp als zwaarden Geweerhaakt, werd hij fel benard in 't water, Om strijd bestookt en op het strand getrokken, De wondre golvenschudder. 't Volk beschouwde Den gruwbren gast. [279] Toen rustte in ridderkleeding 1470 Zich Beowulf uit; niet beefde hij voor 't leven. Het handgevlochten, wonderglanzig harnas, Het breede, zou met hem de zee ervaren, 't Geen bergen kon zijn lichaam, dat de kampvuist Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen 1475 Zijn leven schaden mocht. Doch 't hoofd beschermde De helm, de heldre, die zich met de diepte Vereenen zou, het zeegewentel zoeken, Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven, Gelijk in 't lang voorheen hem had vervaardigd 1480 De wapensmid, bewerkt op wondre wijze, Bezet met everzwijnen, zóó dat sedert Noch brand [280] noch degen hem vermocht te deren. Ook was de kling geen kleine steun der sterkte, Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd, 1485 Hem had geleend. Het lemmer heette Hrunting. Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden; Van staal was 't zwaard en bruin van zwadderdroppen, Gehard in 't bloed. Geen held, dien 't ooit beschaamde In 't veld, die 't zwaaide met de vuist, angstwegen [281] 1490 Betreden dorst, het volkrenveld des vijands. 't Verrichtte niet voor de eerste reize krachtdaân. Voorzeker niet gedacht de zoon van Ecglaf [282], De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde, Beneveld door den wijn, nu dat hij 't wapen 1495 Wou leenen aan gelukkiger een zwaardheld. Niet dorst hij zelf op 't spel het leven zetten In 't golfgestorm, een stoute daad voldingen. Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. Niet stond het desgelijks gesteld met d'andre [283], 1500 Toen deze zich gewapend had ter worstling.
XXIII.
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: «Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen, o Vroede vorst, nu 'k tot den tocht ben reede, o Vriend der vromen [284], wat wij vroeger spraken: 1505 Indien ik eens in uwen dienst het leven Verlaat, dat gij voor mij [285], den overledene, Voortaan vervullen zult de plaats van vader, o, Wees de wachter van de wapenlieden, Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt, 1510 En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar, De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen, De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten, Dat ik een meer dan milden goudbegever 1515 Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. En gij, mijn Unferd, laat het oude lemmer, Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben Een wijdberoemden held. [286] 'k Verwerf met Hrunting Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.» 1520 Geweldig ijlde weg bij deze woorden Der Weder-Gooten [287] vorst; hij wachtte geenszins Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld. Wel eene stond' des dags verstreek [288] {44}, alvorens Hij 't bodemvlak bereiken kon der baren. 1525 Nu werd terstond gewaar die honderd winters Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven, De booze, vraatgeduchte, dat van boven Der menschen een naar 't oord der monsters vorschte. [289] Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen 1530 Den wapenheld, doch wondde niet inwendig Het onverlette lijf. Dit borg van buiten Het ringkuras, dat [290] zij niet door kon rukken Den wapenrok, de welgevlochten halsberg, Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde 1535 Der ringen heer, nu zij den boôm bereikte, Naar hare woning, dat hij over 't wapen (Hem schoot de moed te kort) niet kon beschikken {45}: Want zwemmend drongen om hem veel gedrochten En menig zeedier tornde met den kamptand 1540 Aan 't wapennet; zij zetten na den vijand. [291] Nu vond de vorst, hij was in zekre woning Der diepte, waar hem geene golven deerden, Noch wegens 't dak de valsche greep des waters Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een weerschijn 1545 Van vuur, een hellen gloed, die helder glansde. [292] Nu zag de dappre de wolvin der diepte, Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het slagzwaard [293] Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge De handen tot den houw, zoodat de degen 1550 Op haren schedel zong een hongrig kamplied. Toen ondervond de vreemde [294], dat de strijdstraal [295] Niet wilde vatten, noch het leven letten; Het lemmer liet den vorst in nood verlegen. Het had weleer getrotst zoo menig treffen, 1555 De helmen vaak gekloofd, des veegen kampkleed. Voor 't eerste viel het voor aan 't prachtig pronkstuk, Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden, Den kamp niet moede, maar zijn daân gedachtig, Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac. 1560 Hij wierp 't gebloemde zwaard [296], 't juweelomwonden, De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde, 't Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne sterkte Berustte hij, de handgreep zijner rechte.-- Zoo moet een man voortvaren, welke in 't wapen 1565 Zich onvergangbren lof begeert te gaâren; Niet schort hem 't eigen leven.--Bij den schouder Omvatte toen (niet vreesde hij de veete) De meester van de Gooten Grendels moeder. De kampgeduchte schudde, daar hij toornde, 1570 Den levensvijand, dat die viel ten gronde; Doch deze gaf hem onverwijld vergelding Met gruwelijken klauw en greep hem tegen. De moegezwoegde [297] stiet den kampbestuurder Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen {46}. 1575 Nu zat zij over hem, den zaalindringer, En trok de breede zas met bronzen lemmer; Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken. Op zijnen schouder lag 't geschakeld lijfnet; Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde 1580 Den toegang tegen alle spits of snede. Nu zou hij onder d'opgespalkten zeegrond Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow, De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas Hem had geholpen, 't harde maliekolder, 1585 De heilge God niet had bestuurd de zege. De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste Het licht naar recht, nadat hij [298] was gerezen {47}. [299]
XXIV.