Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Part 11

Chapter 113,075 wordsPublic domain

De schuts der scharen wilde op geene wijze Den doodsbedreiger in het leven laten, 810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig. Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs; Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146], Den wijdvermaarden meester, naar vermogen. Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen, 815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken, Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen Op 't wereldrond den woestaard wilden deren. Hij had bezworen al de zegezwaarden 820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen Het einde zijns bestaans op deze stonde, In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147] Hij ondervond, die vaak met hartevreugde Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde, 825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag Van Hygelac omknelde hem de handen. Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol. 't Verwaten wezen vond er leed des lichaams; 830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar, De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte; Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden En zoeken zijne weeldelooze woning [148]. 835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd, Des daarzijns dagental. Nu was den Denen Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden. Hij, die te voren landde van zoo verre, Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar 840 Gereinigd, voor den overval beveiligd. Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk, In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen En ook gelenigd alle leed en kampzorg, 845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen; Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken, Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte De hand geslingerd had met arm en schouder. {17} Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.

XIV.

850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149]. Volksvoerders togen heen van heinde en verre Langs verre wegen om te zien het wonder, Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden 855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven, Die gadesloeg den gang des roemberoofden, Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend, Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide. 860 Daar was met aderbloed het wellend water, De gruwbre dans der golven gansch gemengeld Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven, Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord, 865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18} Van hier begaven zich de grijze helden En menig jonge man, na 't vroolijk mennen, Kloekmoedig van het meer terug op rossen, De krijgers op hun appelgrauwe kleppers. 870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen, Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeeën [152], Op 't wereldrond, beneên 't bereik der wolken, Een ander hooger was der schildverheffers En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten 875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar; Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten De helden hunne vale rossen rennen Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten, 880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig, Wien heel een schat aloude sagen heugde [154], Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19} Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk 885 De welgekozen spreuken uit te spinnen, Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20} Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds Had hooren konden, veel van 't onbekende, Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten, 890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke De menschenkindren gansch onkundig waren, Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper; Indien hij zulks gewillig was te zeggen, Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend 895 Bij elke veete wapenmagen waren. Zij hadden velen van het rot der reuzen [158] Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag Verrees een niet geringe roem voor Sigmund, Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel, 900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder. Van onder eene grijze rots verrichtte De koningsspruit alleen de stoute lofdaad. Niet was er Fitela. Nochtans het lukte Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde, 905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. Geweldig was het sneven van den vuurdraak. Krachtdadig had de wapenheld verkregen, Naar eigen wil den ringschat aan te wenden. Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde 910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs, Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt. Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom De meest vermaarde held, de schuts der mannen Door wapendaân, (hij wies daarom in luister) 915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd, Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161], Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden, 920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22} Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163], Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod, Dat deze vorstentelg in eer zou vordren, 925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen, Den schat en heerschersburg, het rijk der helden, Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165] Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden, Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166]. 930 Wedrennend maten zij temet op rossen De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte Zich toen kloekhartig naar de hooge halle, Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve 935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade, De hoeder van den schat, de luistervaste, Bekend door kundigheên, met grooten heirstoet; En langs den medeweg [169] begaf zich mede Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.

XV

940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld, Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23} «Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel, 'k Beleefde talloos leed en hinderlagen 945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder, Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171] Nog onlangs was 't, dat ik van geen der weeën Nog hulp verhoopte voor het later leven, Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld 950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins Der lieden burcht in later tijd te schutten Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen. Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging 955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe, Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde Te midden van het menschdom, mag wel zeggen, Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte 960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid. Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder, Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen. Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap; Niet zal u mangel zijn aan een der schatten 965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen. Ik deelde dikwerf loon voor minder daden, Sieraden rond aan een geringer kamper, Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren 970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.» En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: «Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen; 975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd. Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam 980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde, Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand; Te snel was de onverlaat in 't henenloopen. Toch liet hij hier de hand tot levensredding 985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder. Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen. Niet langer leeft hij meer de leedbesteller, Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters. 990 Ontbeiden zal de man, belaân met misdaân, De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze De stralende Albestuurder hem zal straffen.» Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd, Met woordenpraal op eigen wapenfeiten, 995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten, Daar voor de hooge deur de hand bestaarden, Des vijands vingers, ieder voor zich zelven. Met staal was ieder van de sterke nagels Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden, 1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde. Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen Der dappren kon hem deren, noch den daemon De roodbebloede worstelrechte schenden.

XVI.

Bevolen werd, inwendig Heort met handen 1005 Te smukken onverwijld. Er was een menigt Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal Versierden, 't gastverblijf. Goudblikkrend blonken De weefsels [175] langs den wand, een wonder schouwspel Voor alle strijders, welke zulks bestaren. 1010 Het weidsch gebouw, geheel met ijzren bouten Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten. De harren waren stuk. Slechts hield van 't heele Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht, Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven, 1015 De vlucht gezocht had zonder hoop op leven. Dit [176] valt niet licht te ontvluchten, (laat het iemand Verrichten, wie het wil) hij zal bereiken Door nood genoopt de vastgestelde stede Voor al 't bezielde, voor de menschenzonen, 1020 De landbewoners, zelfs alwaar zijn lichaam [177], Geboeid op 't legerbed na feestgelagen, Is ingedommeld [178] {25}.--'t Was alsdan de dagstond [179], Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog. Voornemens was de vorst het maal te nutten. 1025 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders, Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. Ter rustbank negen toen de roembezitters, (Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd Hun hart ophaalden, menig medebeker 1030 Ontvingen hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf [180], De sterkgezinden, in de steile woning. Met vrienden was vervuld de hal [181]; nog hadden De Denen geen beruchte daân berokkend. Healfdeens geboorne gaf alsdan aan Beowulf 1035 Een gulden legervaan tot loon der zege, Een standaard, goudgestikt, met eene handvat, En helm en harnas. Menigeen bemerkte, Hoe vóór den vorst [182] een prachtvermaarde pronkzwaard Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker 1040 Ter halle vast. Hij had zich voor de schutters Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik, Dat bij de bierbank menig man den andren Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk. Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting, 1045 Met kronkeldraad omkruist, uitwendig knoppen, Opdat hem koen de blankgevijlde klingen, De kampgeharde, nimmer konden deren, Wanneer de schildheld naar den vijand optrok. Der ridders heul beval een achttal rossen [183], 1050 Met goud gebreideld, voor de woon te brengen Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden. Dit was het kampzaal van den hoogen koning, Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken. 1055 Nooit aan de legerspits, als lijken vielen, Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. Beschikking schonk daarop der Denen [184] schutsheer Aan Beowulf over beide, ros en rusting, En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken. 1060 Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen Het kampgeraas de wijdberoemde koning, De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling, Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.

XVII.

De heer der helden gaf aan elk dergenen, 1065 Die stevenden met Beowulf langs den stroomweg, Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard. Hij zei, men zou met goud den man [185] vergelden, Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden; Gelijk hij had bestemd aan velen hunner, 1070 Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid Met Wyrd [186] en moed des mans. De Heer behoedde Het heele menschdom, als hij doet tot heden. Daarom zal overal die overtuiging Het beste zijn, dit overleg van 't binnenst. 1075 Die lang hier 't leven smaakt zal veel bevinden, Veel lief en leed in deze worsteldagen. [187] [188] Nu werd er veel gezang en spel te zamen Vereenigd over Hnäf [189], den heervoogd Healfdeens; {26} Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde, 1080 De spreuk ontsponnen. 't Was nu halleweelde. {27} Langsheen de medezetels zou de zanger Van Hrodgar [190] zingen over Finnes zonen [191], Ten tijde toen hen overrompling [192] aangreep: «Der Schyldings Hnäf, Half-Denen [193] held, moest sneven 1085 Op 't Friezenveld [194]. Voorwaar, niet hoefde Hildburg [195] Te loven Eotentrouw [196], der lieve loten En broeders [197] schuldeloos beroofd bij 't schildspel; Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot. Het was een droeve vrouw! Met recht beweende 1090 Zij, Hokes dochter, toen de morgen daagde [198], Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen Bij 't helder hemellicht den moord der magen, In wie zij vroeger vond de hoogste weelde. 't Gevecht, op weinig na, had weggenomen 1095 De helden Fins, zoodat hij op de dingplaats [199] Niets hoegenaamd op Hengest [200] kon bevechten, Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen Beschutten voor den veldheer van den koning [201] {28}. Zij [202] boden dus verdragen aan. Den Denen 1100 Ontruimden zij geheel een tweede halle, Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen Het half gezag bezitten zouden tegen Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van Folcwald, Bij 't geldbedeelen elken dag de Denen 1105 Beschonk en Hengest' schaar onthaalde op ringen Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als wilde [203] Hij 't Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal. Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap, En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest, 1110 Dat hij de resten van de ramp [204] in eere Zou houden volgens 't oordeel van de raden [205]; Dat hunner [206] niemand noch door woord noch werken Het bond ooit breken zou, door arglist letten, Ofschoon zij vorstenloos den dooder volgden 1115 Huns ringuitdeelers, daar de nood hen noopte. [207] Indien der Friezen een de vroegre veete Gedenken mocht door overmoedig spreken, Dan zou de snede van het zwaard het straffen. Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist 1120 Het glanzend goud [208]. De koenste wapenkrijger [209] Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt. Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn, Geheel van goud, een ever hard als ijzer, [210] 1125 En menig eedle weggerukt door wonden. Er waren velen in den kamp gevallen! Dan Hildeburg beval op 's broeders brandmijt [211] Te leveren aan de laai haar eigen zonen, {29} Te branden 't beenderstel, op 't vuur te brengen. 1130 De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder [212] In klaaggezang. De held werd recht geheven. De breede lijkbrand wond zich tot de wolken, Opbruisend voor den heuvel [213]. Hunne hoofden Zij slonken weg; de mond der wonden barstte, 1135 Het bloed ontsprong de letsels van het lichaam; De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst Hen allen, die de strijd uit beide stammen [214] Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden.

XVIII.

De strijdschaar ging, verstoken van de vrienden, 1140 De woon bezoeken, Friesland weer begroeten, De huizen met den heerschersburcht [215] {30}. Dan Hengest Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter In alles een [216] bij Finn, het heim geheugend. Toch was hij niet in staat in zee te sturen 1145 Den staalomwonden steven, 't Water bruiste Door stormen op, het worstelde met winden. De winter sloot het water in de ijsboei, Totdat een ander jaar alweder daagde In hunne woon, het heerlijk heldre weder, 1150 Dat immer volgt, als nu, zijn vaste beurten. {31} Zoo was het wintertij alweer verstreken; Der aarde schoot was schoon. De strijder streefde, De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis, 1155 Of hij verkrijgen kon een toornig treffen, Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig. [217] Dus weigerde hij niet de wapenlieden, {32} Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde Op zijnen schoot, 't onschatbaarst aller wapens; 1160 Want bij de Friezen was bekend het krijgstuig. [218] {33} Als Hnäf, zoo greep nu Fin, den fiergezinden, De wilde wapendood in zijne woning, Nadat Gudlaf en Oslaf [219], na de golfvaart [220], Den ruwen storm op Hnäf eerst rouwvol hadden 1165 Verkond, verweten hunne harde weeën. Hun rusteloos gemoed was niet bij machte Zich in te houden [221] {34}. Bloedig was de halle Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher, Verslagen in het midden zijner manschap, 1170 En heengevoerd de koninginne Hildburg {35}. De Deensche schutters droegen naar de schepen Geheel de have van den landbeheerscher, Alwat ze in Finnes woning konden vinden Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde. 1175 Zij leidden de edelvrouwe [222] langs den zeeweg Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.» Gezongen was het lied, de zang des dichters. Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde, De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk. 1180 Nu kwam gegaan met gouden hoofdwrong Wealchtheow, Waar oom en broederzoon [223], de dappren, zaten. De bloedverwantschap was nog eenig [224], beiden Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd, De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten. 1185 Zij waren zeker van zijn zin, dat deze Veel moed bezat, ofschoon hij niet rechtschapen Met zijne broeders was geweest in 't wapen. [225] En Wealchtheow nam het woord, vorstin der Schyldings: «Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker, 1190 O, Goudbegever. Wees nu wel te moede O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen. Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig. Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede. 1195 Men zegde mij, dat gij tot zoon verlangdet Den held [226] te hebben. Thans is Heort gereinigd, De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen, Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw zonen [227] Het land met luiden na, wanneer gij henen 1200 Zult zijn gegaan, des Scheppers glans te schouwen. [228] Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de knapen Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings, Het leven eer dan hij verlaat. [229] Ik hope, Dat hij met goed vergelden zal ons zonen, 1205 Indien hij 't al gedenkt, de vroeger diensten, Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen Naar wensch en eere.» Thans begaf zich Wealchtheow Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen, Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen, 1210 De strijdjeugd saam. Daar [230] zetelde ook de stoute, Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders.

XIX.