Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 10
En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings: «Hem kende ik als een' knaap. Zijn vader noemde Zich destijds Ecgtheow [83], wien zijn eenge dochter 375 Op zijne goedren gaf der Gooten Hredel. Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen En zocht den trouwen vriend [84]. Toen zeiden zeeliên, Die tot geschenk der Gooten schatten brachten [85] Alhier {9}, dat hij de kracht van dertig krijgers, 380 De kampgevierde, voerde in zijnen vuistgreep. o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope, De goede God op weg ten Wester-Denen [86], Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid. Ja, schatten wil ik schenken aan den goede 385 Voor zijnen koenen zin. Gij, rep u rugwaarts; Verzoek hen in te gaan en al te gader Het broederbond te schouwen van de schare. Verzeker hun daarbij om 't zeerst, zij allen Zij heeten welkom aan het heer der Denen.» 390 Toen spoedde Wulfgar henen naar de haldeur En binnenwaarts ontbood hij met de woorden: «Mijn zegevorst, Oost-Denen [87] heer, laat zeggen: Hij kent uw adel. Langs de waterkolken, o Hardgezinden, weest alhier hem welkom! 395 Nu moogt ge in 't maliekolder met den strijdhelm Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild, Der lansen hout, de doodelijke schachten, Hier wachten op den uitslag van de woorden.» De sterke [88] rees en rond hem menig ridder, 400 Der eedlen stoute stoet. Daar buiten bleven Er enklen om het heergetuig [89] te hoeden, Gelijk hun had besteld de wapenstoute [90]. Te gader gingen, waar hun wees de weerbre, Zij onder Heorots dak; de dappre stapte 405 Gehelmd, de stoute, tot hij stond ter troonzaal. En Beowulf zeide (hem omblaakte 't harnas, Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden): «U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk 410 Bestond ik in mijn jeugd. Mij werd de strijdzaak Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd. Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw, Onnut het heerlijkst huis voor alle helden, Zoo ras het schemerrood des avonds onder 415 De wijkplaats van den hemel wordt verholen. Toen stelden mij dit voor mijn strijdgezellen [91], De uitmuntendste, de meest ervaren mannen, Dat 'k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar. Zij kenden toch de macht van mijne krachten; 420 Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen Ik bontbebloed terugkwam van den vijand, Alwaar ik vastgebonden had een vijftal, Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers [92] Bemeesterd in het midden van de baren, 425 Benarden nood beleefd, het leed der Weders Gewroken (want zij duldden vele weeën), 't Vijandig volk vergruisd. Ik zal met Grendel, Den daemon, thans alleen 't geding beslechten, Met dezen reus [93]. U, hoofd der Helden-Denen, 430 U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede: Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert, O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre, Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide, Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. 435 Ook heb ik nog gehoord, dat deze doembre In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens [94]. {10} 'k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze In 't harte Hygelac, mijn leenheer, 't lemmer Of 't reuzige rondas, het goudgerande, 440 Te voeren bij 't gevecht. Doch 'k zal hem vatten, Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten, Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt, Die zal verstaan des Albestuurders oordeel [95], 'k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken, 445 De Gootenhelden in de worstelhalle Te vreten onbevreesd, als menig malen Hij met de macht gedaan heeft van de Denen. Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te hoeden [96]: Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben 450 Nog bont van 't bloed. {11} Het lillend overblijfsel Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken, De eenzame zwerver eet het blij van zinnen En merkt met moord de vluchtplaats in de venen. Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn lijktooi [97]; {12} 455 Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt, Naar Hygelac het puike pantser henen, Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed; Het is een erfstuk Hredels, 't werk van Weland [98]. Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot [99].»
VIII.
460 En Hrodgar sprak, beschutter van de Schyldings «Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf, Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning. {13} Uw vader vocht weleer de koenste kampen. Hij werd voor Headolaf bij dezes Wylfings [100] 465 Tot wurger met de vuist. Het kroost der Weders Vermocht hem [101] wegens heirschrik niet te houden. Van daar bezocht hij 't volk der Wester-Denen, Der Zege-Schyldings over 't zeegeschommel. 'k Beval toen juist den Denenstam en jeugdig 470 Vertoefde ik op de goudgetooide schatburg Der helden. Heorogar, de zoon van Healfdeen, Was destijds reede dood, ontlast van 't leven, Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere! De vijandschappen zoende ik [102] sinds met schatten 475 En zond den Wylfings langs den rug des waters Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden. Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten, 480 Arglistig leed in Heorot. Mijne halschaar, Mijn slagtroep is geslonken. 't Noodlot sleepte De helden heen naar Grendels schrikverschijning [103]. Alleen vermag gemakkelijk de Godheid Den stouten dooder in zijn daân te stuiten. 485 Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes Zich niet de krijgers, door het nat bedronken, In deze drankzaal met de grijns der degens Te willen wachten op den greep van Grendel. Dan was dees medehal bij 't morgenkrieken, 490 De weidsche woning bloedig bont, als 't daagde, Met bloed de gansche bankvloer [104] overgoten, De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen, Der dierbre mannenschaar weer des te minder, Die 't noodlot mij alweder had ontnomen. 495 Doch neig u neer aan 't maal, ontvouw uw meening, Uw zegehoop 't gehoor, naar 't hart u aanzet.» Toen werd der Gooten gasten al te gader [105] Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal. Op deze gingen dan de geestgestaalden 500 Zich nederzetten zij, de uitstekend stouten. Het ambt verrichtte een ridder, welke de aalkan [106], De schoongetooide, met de handen torste En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger In Heorot helder. 't Was gejuich der helden, 505 Een groote weelde zoo van Deen als Weder {14}.
IX.
En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf, Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten, Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst, Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot, 510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde Der mannen, meerder roem op aard te rapen, Beneên de wolken, dan hem was geworden). «Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen 515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak Uw leven waagdet in het diepe water? Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand, De roekelooze reis u af te raden. 520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren En dektet onder uwen arm de deining, Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen, Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven De kil opklotste bij des winters branding. 525 Op deze wijze wurmdet gij te gader Wel zeven nachten in 't bezit der zeeën. Doch gene ging in vaart u ver te boven; Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109], 530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde, Het lieve stambezit, het land der Brondings [110], De schoone schatburg, waar hij wapenlieden En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid. 535 Nochtans ik reken op geringer uitslag Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.» En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: 540 «Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet Gij, dronken door het biergebras, van Brecca, Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid: Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid In 't midden van het meer dan een der menschen. 545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend, (Toen waren wij nog beiden jong van jaren) Dat wij in zee het leven zouden wagen En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer, Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden 550 Te zaam op zee, het harde, met de handen. Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch. In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder, Hij door den vloed mij verre voor te bruisen, Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren. 555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeeën Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde, De bolle golfgang bij het barste weder, De nacht de omhullende; uit het noorden stormde Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden. 560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten. Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming, Het handgevlochten harnas, voor den vijand; Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld. Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier 565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen De ongure vast. Toch werd het mij gegeven, Dat ik het monster met het wapen wondde, Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte Door mijnen arm het machtig meergevaarte.
X.
570 Aldus bedrongen deze leedbelagers Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen Onthaalde ik hen nochtans, gelijk 't betaamde. Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden, Dat zij mij zouden grijpen, 't maal omzitten 575 Nabij den zeegrond; maar zij lagen boven Nabij het meeraanspoelsel met den morgen, Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen, Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden Beletten langs de barning van de baren. 580 Van 't oosten zeeg het licht, de zegestanderd, De glanzende van God. De stormen stilden, Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen, Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot Tot redding van d'onvoorbestemden stervling, 585 Indien zijn sterkte deugt. Ik trof het trouwens Te dooden met den degen negen nikkers. Nooit hoorde ik onder 't wulfsel van den hemel Van neteliger strijd bij nacht, noch armer Vergeten man te midden van den meervloed. 590 Toch borg ik 't leven uit den greep der boozen, Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde Mij met de strooming mee naar 't land der Finnen [111], Het wellend water. 'k Hoorde nooit verhalen Van uwen kant van zulke kampbestoking 595 En zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca Bij 't strijdvermaak tot stand, noch uwer iemand Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren; (Niet bral ik dies [112]) ofschoon gij voor uw broeders De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten [113] {15}. 600 Gij zult om deze zaak verdoemnis dulden Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke. O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid: Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel, Meer hoon uw heerscher [114] niet verwekt in Heorot, 605 Indien uw denkkracht was geweest, uw inborst, Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet. Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht, Den onbesuisden lansstorm uwer lieden Niet zeer te duchten heeft, der Zege-Schyldings [115]. 610 Hij neemt zijn noodpand [116] mede, niemand spaart hij Der Denenliên en woedt naar hartelusten; Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen. Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en koenheid In 't strijden staan. Dan keere wie het kunne 615 Weer moedig tot de meê, als 't morgengloren [117] Des nieuwen dags op 't menschdom nederblikkert, De glansomgorde zon van uit het zuiden!» Nu was der schatten schenker vol van vreugde Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning 620 Der Helden-Denen had het hoogst vertrouwen In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf De volkenherder 't vastbesloten streven. Nu schaterde de schaar, de tonen schalden, De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte 625 Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig. Zij groette, goudgekleed, de hallegasten; Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer De hooggeboren vrouwe toe den beker. Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk, 630 En voor de lieden lief. Met lust aanvaardde De zegerijke vorst en maal en zaalkroes [118]. Nu ging in 't rond de koningin der Helmings [119], Gaf ieder, hoog en nedrig [120], keurkleinooden, Totdat de beurt zich bood [121], dat zij den beker 635 De ringomstraalde vrouw, de hooggestemde, Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette Zij dan en dankte God met wijze woorden, Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden: Der rampen redding van een held te hopen. 640 Den beker kreeg de kampvermeetle krijger Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde, En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow: «Dit was mijn streven, toen ik steeg te water, De kiel beklom met mijnen drom van dappren. 645 Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde, Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen. Dus zal ik deze ridderdaad verrichten, Of in de hal mijn laatsten dag beleven.» Der edelvrouw gevielen wel die woorden, 650 Die taal, zoo tartend, van den vorst der Gooten. De goudgehulde, hooge volksvorstinne Ging naast haar echtgenoot [122] zich nedervlijen. Nu werd alweder in de hal geheven Zoo menig moedig woord. 't Gevolg was vroolijk. 655 Het was geschetter van de zegescharen, Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen Voornemens was, de nachtrust op te zoeken. Hij wist, dat strijd bestoken was aan 't monster Ter hooge zaal, nadat zij 't licht der zonne 660 Niet meer bemerken konden, nu het nachtfloers En schaduwschepsels kwamen aangeschreden, De duistere, vanonder 't wolkendeksel. Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte 665 Hem zege toe, 't bezit der zaal [123], en uitte De woorden: «Sinds ik hand en schild kan heffen, Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal Aan geen der helden, buiten u voor heden. Aanvaard en handhaaf 't heerlijkst aller huizen, 670 Gedenk uw roemdaân, spreid uw reuzenkrachten Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard. Niet zal u mangel zijn aan 't wenschenswaarde, Zoo gij bestaat de lofdaad met het leven [124].»
XI.
Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar, 675 De schuts der Schyldings, uit den bouw naar buiten. De strijdbestuurder wilde Wealchtheow zoeken, De ga, tot nachtgenoot. De Heer der heerschers, Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde 680 Zijn dienst in dezen om den Denenkoning En hij beriep den reus een wachter [125] [126]. Waarlijk Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten, Op koene kracht en op de gunst der Godheid. Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd, 685 Den helm van 't hoofd; hij gaf den gulden degen, Der klingen keur, een zijner dienstgezellen En zei hem, op het wapentuig te waken. De dappre hield alsdan een trotsche toespraak, Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde: 690 [127]«Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder Voor 't wapenwerk dan Grendel waant te wezen. Ik wil hem dus niet dooden met het wapen, Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden. Hij kent de kampgewoonte niet van weder 695 Te schenken eenen slag, het schild te beuken [128], Al is hij wijdberucht door wapenfeiten. Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken, Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. De wijze Godheid zal daarop de zege 700 Verbinden aan de hand van een van beiden, De heilge Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt.» De kampvermeetle neigde zich dan neder, De peul ontving het voorhoofd van den ridder. Wel menig moedig zeeheld liet op 't leger 705 Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte, Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal Een nare doodstrijd al te veel genooten 710 Der Denen had gehaald. Nu schonk de Schepper Het weefsel van het wapenheil [129] den Weders En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht Des eenen op den vijand zegevierden, Door zijne zelfde kracht. 't Is waar verkondigd [130], 715 Dat steeds een machtig God bestuurt het menschdom. Nu schreed de nachtgeest nader door het duister. De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden, Zij sliepen allen, uitgenomen eenen; (Den menschen werd bekend dat hen de wurger 720 Niet zenden zou ten schimmen, daar de Schepper Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen, Terwijl hij wakker was, het pleit der worsteling {16}.
XII.
Van 't moer begaf uit mistomgeven klippen 725 Zich Grendel thans. Hij droeg den toorn der Godheid. De dooder meende van het volk der mannen Er veel te omstrikken in de steile halle. Daar sloop hij henen onder 't wolkenhulsel, Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal, 730 Der Gooten goudwoon [131] blinkend van het bladgoud. Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer Ontmoette die in zijne levensdagen Een weerbrer held en wachters van de woning. 735 Nu was het wezen, vreemd aan alle vreugde, Tot bij den bouw gegaan en open gierde Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven, Zoodra hij haar beroerde met de handen. De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte 740 Der halle monding [132] los en haastig stapte De vijand langs den bontgeverfden bodem En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer. Daar zag hij menig man in slaap gezonken, 745 Te zamen in de zaal de zwaardgenooten, Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn harte. Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde, De dolle dooder, ieders lijf van 't leven, Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken. 750 Nochtans gehengde hem het lot niet langer, Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen [133]. Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac, Op welke wijze deze wanbedrijver Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen. 755 Niet dat het monster dacht te dralen. Eensklaps Ontrukt hij de eerste reis een slapend ridder, Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding, Slurpt beken bloed en halst met rustloos rijten. [134] Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen 760 Den levenlooze heel met hand en voeten [135]. Hij rukte naderbij en greep op 't rustbed Met handen naar den hooggestemden strijdheld [136]. De vijand voer hem tegen met de vuisten, Ontving hem snel, den valschgezinde, en stutte [137] 765 Zich op den arm. De moordbeschutter merkte Fluks, dat hij nooit ontmoette op 't ondermaansche, Op 's aardrijks schoot, bij eenig ander sterveling Een vaster vuistgreep. 't Werd hem bang in 't binnenst, In 't hart. Niet kon hij des te sneller henen. 770 Zijn inzicht was ter vlucht, hij wilde wijken Naar zijne krocht, der duivels drijven [138] zoeken. Niet boden zich alhier de bezigheden, Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. [139] [140] De wakkre neef van Hygelac geheugde 775 Zich toen de toespraak van den eigen avond. Hij rees dan recht in zijne gansche grootte, Omving hem vast. De vingers borsten open. Naar buiten wou de reus; hij rukte verder; Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken, 780 Zich weg te maken, wijder voort te vlieden Naar 't moordhol; maar hij wist: in 's vijands vuisten Bevond zich heel 't beheer van zijne vingers. [141] Die tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot De weebewerker. Heel de halle dreunde. 785 Den Denen al gewerd, den burgbewoners [142], Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting [143]. Zij waren wild de beide reuzenwachters. De woning schudde. 't Was een groote wonder, Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden, 790 En niet ter neder zonk de zalige aardwoon. Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken Met banden staal van binnen en van buiten. Wel menig meebank [144], (volgens mijn ervaren) Met goud omgeven, stortte van haar steunsel, 795 Alwaar de woesten streden. Hierop hadden De raden eer der Schyldings niet gerekend, Dat ooit der mannen een door krachtvermogen De weidsche, met gewei getooide woning Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten; 800 Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen [145] In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet, En gruwbre ontzetting greep te gaâr de Denen, Die van den wal het hulpgejammer hoorden, Het angstlied stemmen door Gods tegenstander, 805 Den zegeloozen zang, het wee beweenen Door deze helleprooi. Hem hield te stevig Hij, die der mannen machtigst was ter wereld.
XIII.